HR, 02-03-2010, nr. 00994/07 Hs
ECLI:NL:HR:2010:BL6079
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-03-2010
- Zaaknummer
00994/07 Hs
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BL6079
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL6079, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑03‑2010; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL6079
ECLI:NL:PHR:2010:BL6079, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑12‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL6079
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑03‑2010
Inhoudsindicatie
Herziening geurproef.
2 maart 2010
Strafkamer
nr. 00994/07 Hs
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 mei 2005, nummer 21/006115-04, ingediend door mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 6 oktober 2004 - de aanvrager ter zake van "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 30 januari 2007.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien het Hof bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
4. Achtergrond van de aanvrage
Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat door het openbaar ministerie aan een groot aantal onherroepelijk veroordeelden bij brief een mededeling is gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door speurhondengeleiders van de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Het openbaar ministerie heeft geïnventariseerd in welke zaken gebruik is gemaakt van een dergelijke, mogelijk onjuist uitgevoerde, geuridentificatieproef, en daarop bovenvermelde mededeling bij brief aan de betrokkenen gedaan. De onderhavige aanvrage is kennelijk naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).
5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder
2°, van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
6. Beoordeling van de aanvrage
6.1. Ten laste van de aangever is bij het arrest waarvan herziening wordt gevraagd, bewezenverklaard dat:
"hij op 28 maart 2004 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (Rijn-IJsselcollege, De Houtmanstraat 25) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan Rijn-IJsselcollege en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of vermeld(e) goed(eren) onder hun of verdachtes bereik te brengen door middel van braak tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s) een breekijzer tussen een sponning en een deur heeft geplaatst en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."
6.2. Voor de daartoe in de aanvulling op het arrest gebezigde bewijsmiddelen wordt verwezen naar de conclusie van de Procureur-Generaal onder 5.
6.3. Met betrekking tot het bewijs van het tenlastegelegde feit zijn de resultaten gebezigd van de geuridentificatieproef die de aanvrager in verband brengen met - kort gezegd - de poging tot diefstal met braak op 28 maart 2004 te Arnhem.
In het onderhavige geval moet, mede gelet op hetgeen uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, overigens kan worden afgeleid als weergegeven in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 7, het ervoor worden gehouden dat het Hof zonder de uitkomsten van deze onregelmatige geuridentificatieproef uit het andere bewijsmateriaal met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.
Hier doet zich dus niet het hiervoor in 5.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.
6.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 maart 2010.
Conclusie 22‑12‑2009
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 26 mei 2005 wegens ‘poging tot: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’, veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren. Blijkens een verklaring van de griffier is de uitspraak sinds 31 december 2007 onherroepelijk geworden.
2.
De raadsman van aanvrager heeft namens hem herziening gevraagd van dat arrest. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2o Sv. Wat de raadsman daartoe aanvoert komt erop neer dat de vervolging in deze zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van het tenlastegelegde feit, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3.
Voor wat betreft de aanleiding van het verzoek verwijs ik naar wat in HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592 in rubriek 4 ten aanzien van soortgelijke zaken is vermeld. In die uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat hij tegen de achtergrond van wat in zijn arrest eerder was vastgesteld aanneemt:
‘dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek — behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel — heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden’.
In de onderhavige zaak is door genoemde geurhondendienst op 19 mei 2005 een geuridentificatieproef gehouden.
4.
Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht bewezen verklaard dat:
‘hij op 28 maart 2004 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schoolgebouw (Rijn-IJsselcollege, De Houtmanstraat 25) weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan Rijn-IJsselcollege en zich daarbij de toegang tot die plaats des misdrijfs te verschaffen en/of vermeld(e) goed(eren) onder hun of verdachtes bereik te brengen door middel van braak tezamen en in vereniging met verdachtes mededader(s) een breekijzer tussen een sponning en een deur heeft geplaatst en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.’
5.
De aanvulling op het arrest houdt het volgende in:
- ‘1.
het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting van dit hof, van 12 mei 2005, voor zover inhoudende:
als verklaring van verdachte:
Op 28 maart 2004 was ik samen met anderen in Arnhem, in de buurt van het Rijn lJsselcollege aan de Houtmanstraat 25 te Arnhem.
- 2.
het proces-verbaal, genummerd PLO7BO/04-053264, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam in het politiedistrict Arnhem Veluwezoom en door haar gesloten en getekend op 29 maart 2004, voor zover —zakelijk weergegeven— inhoudende:
als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik doe aangifte namens Rijn IJssel College, De Houtmanstraat 25 te Arnhem. Ik ben conciërge van de school genaamd Rijn IJssel College’. Op 28 maart 2004 omstreeks 03.30 uur ontdekte men dat er was getracht in te breken.
- 3.
het proces-verbaal, genummerd PL0780/04-053264, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk hoofdagent, brigadier en agent van politie in het politiedistrict Arnhem Veluwezoom en door hen gesloten en getekend op 1 april 2004, voor zover —zakelijk weergegeven— inhoudende:
als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:
Op 28 maart 2004 omstreeks 02.30 uur (het hof begrijpt: 03.30 uur) kregen wij, verbalisanten, de opdracht te gaan naar de Houtmanlaan (het hof begrijpt: De Houtmanstraat) te Arnhem. Aldaar zou bij een school op nummer 25 worden ingebroken.
Ter plaatse reed ik, 1e verbalisant, op het fietspad met mijn dienstauto en wij, 3e en 4e (het hof begrijpt: 2e en 3e) verbalisant klommen over het hek van het schoolplein en liepen het schoolterrein op. Ik, 1e verbalisant, zag aan de zijde van het Lange Water drie manspersonen vanaf het schoolterrein over een hek heen klimmen. Dit hek was ongeveer twee meter hoog. Vervolgens stapte ik uit de dienstauto en riep tegen de verdachten ‘Politie, blijft u staan’. Ik zag dat de verdachten hierop reageerden door hard van mij weg te rennen in de richting van een hek. Daarop haalde ik mijn diensthond uit de auto en sommeerde: ‘Halt politie, blijft u staan of de hond wordt ingezet’. Ik zag dat de verdachten hier niet op reageerden. Vervolgens gaf ik het commando ‘stellen’ aan mijn diensthond. Ik zag dat mijn diensthond een van de verdachten, die later opgaf te zijn [medeverdachte], beet. Daarbij kwam de man ten val. Ik heb hem aangehouden. Ik zag dat de twee andere verdachten wegrenden. Een van de mannen werd aangehouden door mij, 4e (het hof begrijpt: 3e) verbalisant. Onderzoek aan het schoolgebouw leerde ons dat men had getracht in te breken in het schoolgebouw. Collega's troffen tussen de sponning en de deur een breekijzer en motorhandschoenen aan.
- 4.
het proces-verbaal, genummerd PL0780/04-053264, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], [verbalisant 3] en [verbalisant 2], respectievelijk agent, brigadier en hoofdagent van politie in het politiedistrict Arnhem Veluwezoom en door hen gesloten en getekend op 28 maart 2004, voor zover —zakelijk weergegeven— inhoudende:
als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:
Verdachte: [aanvrager]
Datum en tijd aanhouding: 28 maart 2004 te 03.30 uur.
Locatie aanhouding: De Houtmanstraat te Arnhem, Rijn lJsselcollege.
- 5.
het proces-verbaal, genummerd 04-053264, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], brigadier van de regiopolitie Gelderland-Midden en door hem gesloten en getekend op 29 maart 2004, voor zover —zakelijk weergegeven— inhoudende:
als relaas van voornoemde verbalisant:
Op 28 maart 2004, te 03.30 uur, werd melding gedaan van een inbraak in een school gelegen aan De Houtmanstraat 25 te Arnhem. Door de collega's werden aldaar twee verdachten aangehouden. Op de plaats delict werden door collega's onderstaande sporendragers aangetroffen en veiliggesteld.
Sporendrager: breekijzer
Vindplaats: plaats delict
Veiligstellen: geurdoek
Op 28 maart 2004 werden drie geurdoeken door collega [verbalisant 6] aangebracht op:
— breekijzer.
- 6.
het proces-verbaal, genummerd 31.03.04.13.30.[…], in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden brigadier van politie in respectievelijk de politieregio Noord en Oost Gelderland en de politieregio Gelderland-Midden en door hen gesloten en getekend op 31 maart 2004, voor zover —zakelijk weergegeven— inhoudende:
als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:
Op 31 maart 2004 werd door mij, [verbalisant 7], een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Max. Met de hond Max haalde ik op 24 november 2002 een certificaat Politie speurhond menselijke geur. Als gecertificeerd helper was [verbalisant 8] bij de proef betrokken.
Gezien het gedrag en de werkwijze van Max bleek mij, [verbalisant 7], dat Max geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (geurmonster breekijzer) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [medeverdachte]. De geuridentificatieproef is uitgevoerd volgens de voorschriften genoemd in het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur (sept. 1997).
- 7.
het proces-verbaal, genummerd 31.03.04.13.00[…], in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9] en [verbalisant 8], beiden brigadier van politie in respectievelijk de regiopolitie Twente en Gelderland-Midden en door hen gesloten en getekend op 31 maart 2004, voor zover —zakelijk weergegeven— inhoudende:
als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:
Op 31 maart 2004 werd door mij, [verbalisant 9], een geuridentidentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Rex. Met de hond Rex haalde ik op 15 januari 2004 een certificaat Politie speurhond menselijke geur. Als gecertificeerd helper was [verbalisant 8] bij de proef betrokken.
Gezien het gedrag en de werkwijze van Rex bleek mij, [verbalisant 9], dat Rex geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (geurmonster breekijzer) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager]. De geuridentifcatieproef is uitgevoerd volgens de voorschriften genoemd in het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur (sept. 1997).’
6.
Samengevat komt de hierboven onder 5. weergegeven bewijsconstructie van het Hof op het volgende neer. Het bewezenverklaarde feit betreft een poging tot diefstal door middel van braak in een schoolgebouw van het Rijn IJssel College aan De Houtmanstraat 25 te Arnhem.
De verbalisanten zagen, toen zij bij het schoolgebouw aankwamen omstreeks 02.30 uur, dat de aanvrager met twee anderen vanaf het schoolplein wegrende en over een hek van ongeveer 2 meter hoogte, dat het schoolplein scheidt van de tuin, klom. Vervolgens werd de aanvrager aangehouden door de 4e verbalisant. De aanvrager heeft verklaard dat hij bij het schoolgebouw heeft rondgelopen en aldaar is weggerend voor de politie. Een onderzoek aan het schoolgebouw ter plaatse leerde de verbalisanten dat men getracht had in te breken in het schoolgebouw, aan de zijde van het Lange Water en dat is de meest linker ruimte die alleen maar bereikbaar is via een bruggetje. Daar troffen zij tussen de sponning en de deur een zeer groot model breekijzer en een paar zwarte motorhandschoenen aan. Op het breekijzer zijn geurdoeken aangebracht welke zijn veiliggesteld ten behoeve van een geuridentificatieproef. Hierbij is een geurovereenkomst waargenomen tussen de buisjes met daarin de menselijke geur van aanvrager en het breekijzer.
7.
Het komt mij voor dat het aannemelijk is dat het Hof ook zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het overige beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen. De aanwezigheid 's‑nachts om 2.30 op de plek waar geprobeerd werd in te breken in de school, de pogingen om met veel inspanning vandaar aan de politie te ontkomen en — zo leert het dossier — het ontbreken van iedere aannemelijke verklaring wat ze ter plaatse deden als ze niets met de inbraak te maken hadden, kan de conclusie dat aanvrager met zijn metgezellen probeerde in te breken in de school zelfstandig dragen. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder de resultaten van de geuridentificatieproeven uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, is er geen sprake van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken, indien het de resultaten van de geurproef niet had kunnen gebruiken.
9.
Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden