Rb. Oost-Brabant, 19-03-2019, nr. 01/994000-16
ECLI:NL:RBOBR:2019:1658, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
19-03-2019
- Zaaknummer
01/994000-16
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2019:1658, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 19‑03‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBOBR:2018:4727, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 28‑09‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2022:2990, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 19‑03‑2019
Inhoudsindicatie
Bij vonnis van 28 september 2018 is verdachte veroordeeld terzake valsheid in geschrift meermalen gepleegd en verduistering meermalen gepleegd. Het uit die feiten behaalde wederrechtelijk voordeel stelt de rechtbank vast op € 2.989,906,--.
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01/994000-16 Datum uitspraak: 19 maart 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
wonende te [postcode] , [straatnaam] .
Onderzoek van de zaak:
De vordering van de officier van justitie van 24 januari 2018 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.474.767,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze is ter terechtzitting van 30 augustus 2018 aangehouden voor het voeren van een schriftelijke procedure ex artikel 511d van het wetboek van Strafvordering. Hierbij zijn door de rechtbank termijnen gesteld, welke aangevangen zijn nadat er in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer uitspraak is gedaan.
Op 25 oktober 2018 heeft de rechtbank de conclusie van antwoord op het ontnemingsrapport van de raadsman van veroordeelde ontvangen.
De officier van justitie heeft op 23 november 2018 een conclusie van repliek ingediend.
De raadsman heeft op 19 december 2018 een conclusie van dupliek ingediend.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 en 30 augustus 2018 en 5 februari 2019.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ter zitting van 5 februari 2019 het standpunt van het Openbaar ministerie verwoord overeenkomstig het schriftelijk standpunt dat ter terechtzitting is overgelegd en in het dossier is gevoegd.
De officier van justitie heeft de vordering tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij conclusie van repliek van 23 november 2018 aangepast. De vordering strekt thans tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.272.445,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de vordering.
De officier van justitie is van mening dat het benadelingsbedrag iets anders is dan de uitkomst van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie is van mening dat er een causaal verband is tussen de strafbare feiten en het wederrechtelijk verkregen voordeel. Immers veroordeelde heeft het voordeel verkregen door middel van de gepleegde valsheid in geschrifte en verduistering. Veroordeelde heeft door het opmaken van valse facturen en door verduistering omzet gegenereerd voor [bedrijf] die aanleiding gaf voor winstdelingen aan veroordeelde.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman blijft bij zijn standpunt zoals verwoord in de schriftelijke reactie op de ontnemingsvordering.
De raadsman heeft primair gesteld dat het causaal verband ontbreekt tussen de bewezen verklaarde feiten en de door de praktijkvennootschap van veroordeelde genoten winstdelen van [bedrijf] , nu de omzet van veroordeelde niet doorslaggevend was voor het krijgen van de winstuitkering. Dit brengt mee dat de vordering moet worden afgewezen.
Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat loonbelasting, vennootschapsbelasting en pensioenpremies in mindering dienen te worden gebracht op de vordering.
De beoordeling
De vordering is tijdig ingediend.
Veroordeelde is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant van
28 september 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur van 5 jaar, ten aanzien van de volgende feiten:
- -
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
- -
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
- -
verduistering, meermalen gepleegd.
Veroordeelde en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld of uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel:
De rechtbank stelt vast dat het met de fraude verkregen voordeel (in eerste instantie) is ontvangen door [bedrijf] , als ontvangen betalingen op de namens deze opgemaakte en aan de stichtingen verzonden facturen. Van het voor uitkering vatbare resultaat van [bedrijf] ontvingen alle partners jaarlijks een hen op basis van gemaakte afspraken toekomend winstaandeel. De zeer aanzienlijke ontvangsten van vorenbedoelde stichtingen hebben de omzet en daarmee het resultaat van [bedrijf] rechtstreeks en in positieve zin beïnvloed. Anders gezegd: zonder deze ontvangsten was de te verdelen jaarwinst lager geweest. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtstreeks causaal verband tussen de fraude en de aan [verdachte] via zijn praktijkvennootschap(pen) uitgekeerde winstaandelen. Dat de overige partners eveneens een deel van de aldus vergrote winst hebben ontvangen doet aan het antwoord op de causaliteitsvraag niet af. Evenmin doet hieraan af dat rekenkundig gezien verreweg het grootste deel van – kortgezegd – die aldus vergrote winst aan de overige partners zal zijn toegevallen, nu omgekeerd immers geldt dat [verdachte] in de door die partners gegenereerde omzet/ winst deelde.
[bedrijf] heeft de winstaandelen van veroordeelde uitgekeerd aan de vennootschap [bedrijf verdachte] (hierna: [bedrijf verdachte] ).
Voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon volstaat het om vast te stellen dat:
1.) die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon,
2.) hij over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken en
3.) het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon, welk voordeel de natuurlijke persoon kan worden toegerekend.
Veroordeelde [verdachte] was ten tijde van de onderhavige strafbare feiten enig aandeelhouder/ bestuurder van [bedrijf verdachte] , en had als enig aandeelhouder en bestuurder de volledige zeggenschap over deze rechtspersoon.
Hiermee staat vast dat [verdachte] exclusief over het vermogen van deze rechtspersoon kon beschikken; vanuit zijn hoedanigheid als enig aandeelhouder en bestuurder was hij in de gelegenheid en in de positie om te besluiten het voordeel op elk gewenst moment naar zich toe te halen. In directe zin door de BV aan hem uitbetalingen te laten doen in de vorm van dividend of salaris, en in indirecte zin door de waardestijging van de aandelen als gevolg van de ingekomen wederrechtelijk verkregen voordelen te realiseren. Dat [verdachte] ervoor koos om een salaris aan zichzelf te laten uitbetalen, maakt reeds dat het verkregen voordeel tot zijn eigen voordeel strekte dan wel kon strekken.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het door [bedrijf verdachte] wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan [verdachte] kan worden toegerekend.
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag op welk bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat, gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, bij de bepaling van het voordeel wordt uitgegaan van het voordeel waarvan kan worden gezegd dat de betrokkene – in casu [verdachte] – dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Als eerste dient zich de vraag aan naar de grondslag ter bepaling van de hoegrootheid.
Volgens de officier moet ervan worden uitgegaan dat [verdachte] geen aanspraak had op winstaandelen als partner, omdat zijn werkwijze als uitzettingsreden dient te worden beschouwd. De officier is daarom van mening dat het volledige bedrag van de aan [verdachte] gedane winstaandelen als wederrechtelijk genoten voordeel heeft te gelden, vatbaar voor ontneming.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag of [verdachte] al dan niet als partner een aandeel in de winst toekwam primair een civielrechtelijke/ arbeidsrechtelijke vraag. Vast staat dat [verdachte] niet alleen werkzaamheden voor de stichtingen heeft verricht, maar ook – naar inschatting van de rechtbank in de onderliggende strafrechtelijke procedure – 10% van zijn tijd besteedde aan de fiscale werkzaamheden waarvoor hij als partner in de organisatie was aangetrokken. Daarnaast had [verdachte] nog andere (indirecte) werkzaamheden en taken, behorend bij zijn positie en verantwoordelijkheden binnen het kantoor in Eindhoven, die zich niet direct hoefden of konden vertalen in rechtstreeks meetbare persoonlijke omzet, maar die wel een bijdrage leverden aan het kantoorresultaat. De rechtbank gaat ervan uit, dat [verdachte] – als hij niet (langer) in aanmerking zou zijn gekomen voor het ontvangen van een partneraandeel – een bij zijn werkzaamheden passende beloning zou hebben ontvangen, ook al zou deze dan anders zijn gekwalificeerd. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat het gehele winstaandeel een onrechtmatig verkregen voordeel inhoudt dat redelijkerwijs vatbaar is voor ontneming.
De rechtbank gaat er verder niet aan voorbij dat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet zondermeer is vast te stellen, hoe de namens [bedrijf] ter zake van de door [verdachte] voor de stichtingen verrichte werkzaamheden gedane declaraties zich verhouden tot de declaraties, althans bijdragen aan de winst, van de andere partners. Hoewel uit het dossier hieromtrent valt op te maken dat [verdachte] zich in positieve zin onderscheidde van veel collega’s zal de rechtbank ten voordele van hem ervan uitgaan dat zijn aandeel gelijkwaardig was aan dat van de andere partners.
De rechtbank zal voor de schatting van het te ontnemen bedrag aansluiting zoeken bij hetgeen hierboven is opgemerkt over de aard van de werkzaamheden van [verdachte] , en de kwalificatie van de onderdelen van zijn omzet, kijkend naar de bewezenverklaring in de strafzaak en ervan uitgaand dat alles tegen partnertarief is gedeclareerd. De rechtbank gaat aldus uit van 10% fiscale werkzaamheden, 15% indirecte werkzaamheden, en omgerekend 33% van de totale declaraties declarabele stichtingswerkzaamheden. (De rechtbank heeft immers geoordeeld dat van verduistering sprake was voor zover bovenmatig werd gedeclareerd, en dat dit ongeveer 67 tot 75% van de gedeclareerde bedragen betrof. Ten gunste van veroordeelde kan daarom worden vastgesteld dat ten hoogste 33 % van het gedeclareerde bedrag niet wederrechtelijk verkregen was.)
Aldus is – afgerond ten voordele van [verdachte] – 60% van de over 2008 tot en met 2012 gedane winstuitdelingen niet wederrechtelijk verkregen. Derhalve is 40% van die winstuitdelingen wel wederrechtelijk verkregen.
Deze uitkomst zal gelet op de tenlastelegging en in aanmerking genomen artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht worden geëxtrapoleerd naar de jaren 2006 en 2007, en een deel van 2013.
Uit de stukken volgt dat de winstuitdelingen over die jaren in totaal € 7.474.767,- bedroegen. Hiervan is op grond van het voorgaande als wederrechtelijk aan te merken 40%, ofwel € 2.989.906,-.
Door de verdediging is aangevoerd dat er rekening mee moet worden gehouden dat over het wederrechtelijk verkregen voordeel de daarover door de praktijkvennootschap van [verdachte] verschuldigde vennootschapsbelasting is betaald en pensioenpremies zijn afgedragen, en dat over het aan veroordeelde uitbetaalde loon loonbelasting is afgedragen.
Voor zover de verdediging hiermee bedoelt aan te geven dat deze bedragen bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel in mindering dienen te worden gebracht volgt de rechtbank de verdediging hierin niet, en overweegt hiertoe als volgt.
Vastgesteld kan worden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel feitelijk op de bankrekeningen van de praktijkvennootschap van [verdachte] is ontvangen. De rechtbank gaat ervan uit dat hierover in Nederland feitelijk vennootschapsbelasting is betaald, althans verschuldigd. Bij de praktijkvennootschap van [verdachte] is geen ontnemingsprocedure aanhangig gemaakt.
Indien deze vennootschap – mogelijk als gevolg van terugvorderingsprocedures – overgaat tot teruggaaf van de onterecht ontvangen bedragen, zullen deze als kostenpost in mindering worden gebracht.
De ontnemingsmaatregel heeft een reparatoir karakter, derhalve strekkende tot herstel in de rechtmatige toestand. Enkel het ontnemen van het voordeel voor vennootschapsbelasting leidt op het niveau van de praktijkvennootschap van [verdachte] tot herstel in de rechtmatige toestand: het bruto voordeel wordt ontnomen en de daarover in eerste instantie geheven belasting wordt door de aftrekpost teruggegeven.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarom vastgesteld zonder rekening te houden met de verschuldigde vennootschapsbelasting.
Voor zover het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [verdachte] is toegerekend geldt voor wat betreft de inkomstenbelasting een soortgelijke redenering. Zulks nog los van de vraag of het vraagstuk van de toerekening er zondermeer toe moet leiden dat de belastingdruk bij de BV van invloed is op het bij de bestuurder/ aandeelhouder in aanmerking te nemen bedrag. De rechtbank wijst er verder op dat het aan [verdachte] betaalde loon niet gelijk is aan het door de praktijkvennootschap ontvangen bedrag. Reeds hierom kan niet worden gevolgd dat op het wederrechtelijk verkregen voordeel loonbelasting is afgedragen en pensioenpremies ingehouden. Voor zover de verdediging heeft gewezen op de ingehouden loonbelasting geldt hierbij nog dat dit bij [verdachte] een voorheffing is op de inkomstenbelasting.
Concluderend wordt het totale door [verdachte] genoten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 2.989.906,-.
De rechtbank zal tevens bepalen dat dit bedrag integraal aan de Staat dient te worden betaald. De bij eenmansvennootschappen soms voorkomende situatie dat de natuurlijk persoon, tevens bestuurder/ aandeelhouder door de ontneming aldus feitelijk tweemaal in zijn portemonnee zou worden getroffen doet zich hier niet voor, nu bij [bedrijf verdachte] geen ontnemingsvordering is gedaan.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak.
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 2.989.906 (tweemiljoen, negenhonderd en negenentachtig duizend en negenhonderd en zes euro).
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 2.989.906 (tweemiljoen, negenhonderd en negenentachtig duizend en negenhonderd en zes euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld en uit soortgelijke feiten, heeft verkregen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.Th. van Vliet, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. J.O.Y. Elagab, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,
en is uitgesproken op 19 maart 2019.
Uitspraak 28‑09‑2018
Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het opmaken van een groot aantal valse facturen en de aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen door daarop geen beschrijving te geven van de werkzaamheden en door vier ANBI-aanvragen valselijk op te maken. Tevens heeft verdachte gelden verduisterd die hij als voorzitter van de vier ANBI-stichtingen onder zich had. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op. Tevens wordt verdachte ontzet uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur die de hoofdstraf met 5 jaar te boven gaat, met uitzondering van de pensioenstichting van verdachte.
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
Parketnummer: 01/994000-16
Datum uitspraak: 28 september 2018
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2017, 5 december 2017, 29 augustus 2018, 30 augustus 2018 en 14 september 2018.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 februari 2017.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand
januari 2008 tot en met de maand december 2012 in de gemeente Eindhoven,
althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een
ander, althans alleen,
6, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)
afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 2]
(DOC-0078 2/3, DOC-0088 2/3, DOC-0096 2/3, DOC-0105 2/3, DOC-0111
2/3 en DOC-0112 2/3) en/of 6, althans een of meer (aan die factu(u)(ren) ten
grondslag liggende) urenverantwoording(en) [verdachte] bij [bedrijf 1]
(DOC-0078a, DOC-0088a, DOC-0096a, DOC-0105a, DOC-0111a en DOC-0112a) en/of
4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)
afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 3] (DOC-0080 2/3,
DOC-0091 2/3, DOC-0098 2/3 en DOC-0103 2/3) en/of 4, althans een of meer (aan
die factu(u)(ren) ten grondslag liggende) urenverantwoording(en) [verdachte] bij
[bedrijf 1] (DOC-0080a, DOC-0091a, DOC-0098a en DOC-0103a) en/of
4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)
afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 5]
(DOC-0082 2/3, DOC-0090 2/3, DOC-0094 2/3, DOC-0107 2/3) en/of 4, althans een
of meer (aan die factu(u)(ren) ten grondslag liggende) urenverantwoording(en)
[verdachte] bij [bedrijf 1] (DOC-0082a, DOC-0090a, DOC-0094a, DOC-0107a) en/of
4, in elk geval een of meer factu(u)r(en), volgens factuuropdruk (telkens)
afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 4] (DOC-0084 2/3,
DOC-0086 2/3, DOC-0099 2/3, DOC-0109 2/3) en/of 4, althans een of meer (aan
die factu(u)(ren) ten grondslag liggende) urenverantwoording(en) [verdachte] bij
[bedrijf 1] (DOC-0084a, DOC-0086a, DOC-0099a, DOC-0109a),
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs
van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft
vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en
onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,
immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn
medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de
waarheid -zakelijk weergegeven-
= in die factu(u)r(en) voornoemd (telkens) (een) hoger(e) honorarium/honoraria
vermeld, althans doen of laten vermelden, dan waarop [bedrijf 1] in
werkelijkheid recht had en/of
= in die (aan die factu(u)r(en) voornoemd ten grondslag liggende)
urenverantwoording(en) (telkens) meer uren vermeld en/of gedeclareerd, althans doen of laten vermelden en/of declareren, dan in werkelijkheid door [bedrijf 1] , althans door hem, verdachte ten behoeve van of namens [bedrijf 1] werd(en) gemaakt en/of te declareren uren en/of vergoeding(en) vermeld, althans doen of laten vermelden, die in werkelijkheid niet aan de Stichting(en) voornoemd in rekening gebracht had(den) mogen worden, althans niet in rekening gebracht had(den) mogen worden tegen de/het gehanteerde tarief/tarieven en/of
= de te hoge tarieven en/of de teveel gedeclareerde uren (telkens) in die
factu(u)r(en) en/of in die (aan die factu(u)r(en) voornoemd ten grondslag
liggende) urenverantwoording(en) (telkens) versluierd, althans doen of laten
versluieren, door het weglaten, althans doen of laten weglaten van een
omschrijving van de werkzaamheden in die factu(u)r(en) en/of door het hanteren
van (een) vage omschrijving(en) in die (aan die factu(u)r(en) voornoemd ten
grondslag liggende) urenverantwoording(en) en/of
= in die factu(u)r(en) voornoemd (telkens) de algemene en/of onduidelijke en/of vage termen: "voor onze werkzaamheden in de periode" vermeld, althans doen of laten vermelden, waardoor werd verhuld en/of versluierd welke soort werkzaamheden en/of hoeveel werkzaamheden het betrof en/of tegen welk tarief de werkzaamheden werden verricht;
2. hij op of omstreeks 25 september 2007, althans op een of meer tijdstip(pen) in
of omstreeks de maand september 2007 in de gemeente(n) Eindhoven en/of
's-Hertogenboch en/of Heerlen en/of Oosterhout, althans in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
4, in elk geval een of meer Aanvra(a)g(en) Algemeen nut beogende
instelling(en) ten name van (respectievelijk) [stichting 4] (DOC-0153)
en/of [stichting 5] (DOC-0154) en/of [stichting 3]
(DOC-0155) en/of [stichting 2] (DOC-0156)
(telkens) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs
van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt, althans heeft
vervalst, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en
onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,
immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn
medeverdachte(n) toen aldaar (telkens) valselijk en/of in strijd met de
waarheid -zakelijk weergegeven-
in die Aanvra(a)g(en) Algemeen nut beogende instelling(en) voornoemd (telkens)
= op de vraag onder 1e (Is voldoende gewaarborgd dat een bestuurslid niet over
het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen
is?) (telkens) met 'ja' geantwoord, althans (telkens) 'ja' aangekruist, althans (telkens) 'ja' doen of laten antwoorden en/of aankruisen en/of
= op de vraag onder 1f (Verrichten de bestuurders hun werkzaamheden, feitelijk
en volgens de regelgeving v/d instelling, zonder beloning, met uitzondering
van een onkostenvergoeding en/of vacatiegeld?) (telkens) met 'ja' geantwoord, althans (telkens) 'ja' aangekruist, althans (telkens) 'ja' doen of laten antwoorden en/of aankruisen en/of
= op de vraag onder 1g (Heeft de instelling een actueel beleidsplan dat
inzicht geeft in de te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van
gelden, het beheer van het vermogen en de bestedingen daarvan?) (telkens) met 'ja' geantwoord, althans (telkens) 'ja' aangekruist, althans (telkens) 'ja' doen of laten antwoorden en/of aankruisen en/of
die Aanvra(a)g(en) Algemeen nut beogende instelling(en) voornoemd
(telkens) voorzien van zijn, verdachtes, handtekening, (telkens) als
contactpersoon en/of als bestuurder/voorzitter van die Stichting(en) voornoemd aldus doende de inhoud van die Aanvra(a)g(en) Algemeen nut beogende
instelling(en) voornoemd (telkens) bekrachtigend;
3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 29 januari
2008 tot en met 22 november 2012, althans op een of meer tijdstip(pen) in of
omstreeks de periode vanaf de maand januari 2008 tot en met de maand november
2012 in de gemeente(n) Eindhoven en/of Oosterhout en/of 's-Hertogenbosch,
althans in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) opzettelijk
= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een
totaal bedrag van EURO 1.469.055,01 of daaromtrent, althans een of meer
(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan [stichting 4] (DOC-270 en AMB-0047, pagina 3) en/of
= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een
totaal bedrag van EURO 1.337.512,40 of daaromtrent, althans een of meer
(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan [stichting 5] (DOC-0271 en AMB-0047, pagina 3) en/of
= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een
totaal bedrag van EURO 1.996.797,31 of daaromtrent, althans tot een totaalbedrag van EURO 1.932.894,31 of daaromtrent, althans een of meer
(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan [stichting 3] (DOC-0272 en AMB-0047, pagina 3) en/of
= (een gedeelte van) een of meer (girale/giraal) bedrag(en) aan geld tot een
totaal bedrag van EURO 1.860.687,97 of daaromtrent, althans tot een totaalbedrag groot EURO 1.823.678,97 of daaromtrent, althans een of meer
(girale/giraal) bedrag(en) aan geld, in elk geval enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan [stichting 2] (DOC-0273 en AMB-0047, pagina 3),
in elk geval (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of
anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn medeverdachte(n),
welk(e) (girale/giraal) bedrag(en) aan geld verdachte (telkens) anders dan
door misdrijf, te weten (telkens) als voorzitter, althans bestuurslid van die
stichting(en), onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft
toegeëigend;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.
De bevoegdheid van de rechtbank.
De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens misbruik van bevoegdheden.
De strekking van het formele verweer is dat het onderzoek door het TRAFI-team van de Belastingdienst geen fiscaal doel had maar enkel een strafrechtelijk doel en dat het onderzoek enkel voor strafrechtelijke doeleinden is gebruikt. Bij gebreke van een strafrechtelijke verdenking in 2012 bestonden er geen strafrechtelijke bevoegdheden en is de door het TRAFI-team verzamelde informatie verkregen door misbruik van bevoegdheden.
Aldus is inbreuk gemaakt op de beginselen van een goede procesorde. Door deze grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is tekort gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak en dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.
Oordeel rechtbank.
Uit het dossier blijkt het volgende:
Het onderzoek is begonnen in oktober 2011 als een algemeen onderzoek van de Belastingdienst naar de juistheid van de ANBI-status van de stichtingen waarvan verdachte de voorzitter was. Het gaat hier om de [stichting 4] , de [stichting 5] de [stichting 3] en de [stichting 2] . Bij het onderzoeken van deze vier stichtingen viel de forse kostenpost [bedrijf 1] op, bestaande uit de gedeclareerde uren van verdachte, zijnde de bestuursvoorzitter van deze stichtingen. De bevindingen uit het algemene onderzoek zijn in 2012 voorgelegd aan de FIOD. De FIOD was van mening dat er geen redelijke strafrechtelijke verdenking bestond. De rechtbank is te dezen van oordeel dat de bevindingen van [persoon] van het belastingteam dat onderzoek deed naar de ANBI-status, met name naar aanleiding van onderzoek naar de facturen van [bedrijf 1] , weliswaar mogelijk consequenties voor de ANBI-status van de stichtingen zouden kunnen hebben, maar dat daaruit - zonder nader onderzoek naar een opheldering over de factuurbedragen bijvoorbeeld door een op die facturen betrekking hebbende urenadministratie c.q. urenverantwoording of andere informatie - niet zonder meer te concluderen valt dat er vermoedelijk sprake was van strafbare feiten. Op basis van de bevindingen is door het TRAFI-team als gespecialiseerd team voor fiscaal onderzoek een nader administratief onderzoek ingesteld naar de urenbesteding van [verdachte] . Het TRAFI-team heeft het onderzoek voortgezet onder dezelfde noemer, in het kader van het fiscaalrechtelijk onderzoek. Het doel van het TRAFI-team was om meer informatie en meer documenten te achterhalen met betrekking tot de urenbesteding van verdachte bij de stichtingen. Het TRAFI-team is in september 2012 een derden-onderzoek gestart bij [bedrijf 1] . Dit onderzoek heeft voortgeduurd tot medio 2013.
Naar aanleiding van de hieruit voortgekomen onderzoeksgegevens is de belastingdienst tot de bevinding gekomen dat er mogelijk sprake is van een strafrechtelijke verdenking. Dit is aanleiding geweest tot bespreking van de bevindingen in het tripartiete overleg tussen de FIOD, de Belastingdienst en het Functioneel Parket. In juni 2014 is vervolgens besloten tot het opstarten van een strafrechtelijk onderzoek.
De aanvangsprocessen-verbaal in het strafdossier zijn opgemaakt in september 2014.
De raadsman heeft in zijn pleidooi gerefereerd aan de civielrechtelijke en tuchtrechtelijke procedure. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat bij deze twee procedures geen sprake is van vormverzuimen die consequenties zouden moeten hebben met betrekking tot het strafrechtelijk onderzoek.
Conclusie.
Het bovenstaande leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank geen inbreuk is gemaakt op de beginselen van een goede procesorde. Evenmin dat sprake is van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Derhalve is geen sprake van misbruik van bevoegdheid.
Gelet op het hiervoor overwogene dient het door de verdediging op de daartoe aangevoerde gronden gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te worden verworpen.
Schorsing van de vervolging.
Er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Bronnen.
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de volgende processtukken:
-het eindproces-verbaal met codenaam [onderzoeksnaam] van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Eindhoven, met dossiernummer: 52345 van 1 december 2015, met bijlagen;
-de stukken van de rechter-commissaris;
-het aanvullend proces-verbaal AMB 0047 met bijlagen 190116,
-de processen-verbaal AMB 0033a en 0034a en BoB 9;
-de processen-verbaal AMB 0049-0051 en 0052 met bijlagen, VOR 10-14 en
doc 0277-0283; en
-de op verzoek van [verzoeker] toegevoegde stukken.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het standpunt officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
bewijsuitsluiting
De verdediging heeft betoogd dat alle informatie die – ten gevolge van het genoemde misbruik van bevoegdheden – strijdig is met de beginselen van een goede proces orde en het recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM, dient te worden uitgesloten van het bewijs.
t.a.v. feit 1
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat de rechtbank niet tot een bewezen-verklaring kan komen.
De bewijsbestemming van de facturen is er in gelegen dat [bedrijf 1] het gefactureerde bedrag van de door haar uitgevoerde werkzaamheden in rekening heeft gebracht bij de stichtingen. Op dat punt zijn de facturen correct.
De vragen of het bedrag op de factuur hoger is dan waar [bedrijf 1] recht op heeft en of het gehanteerde uurtarief correct is, zijn niet strafrechtelijk van aard.
Dat de omschrijvingen op de facturen summier zijn, maakt niet dat deze facturen valselijk zijn opgemaakt, aldus de raadsman. En nog daargelaten of de facturen als vals aangemerkt kunnen worden is het de vraag of verdachte als pleger is aan te merken.
T,a,v, feit 2
De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.
Aangevoerd is op de eerste plaats dat het feit niet kan worden bewezen, omdat de ANBI-aanvragen geen bewijsbestemming hebben in de zin van artikel 225 Sr.
Tenlastegelegd is dat verdachte ten onrechte heeft aangegeven dat de bestuurders van de stichtingen niet over het vermogen van de stichtingen konden beschikken als ware het hun eigen vermogen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit niet ten onrechte is aangegeven, en wijst erop dat verdachte instemming nodig had van de medebestuursleden, en derhalve geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid had.
Tenlastegelegd is verder dat verdachte ten onrechte heeft aangegeven dat hij geen bestuurdersbeloning heeft ontvangen. De verdediging wijst er op dat verdachte voor zijn werkzaamheden als bestuurder nooit een vergoeding van de stichtingen heeft ontvangen. De door verdachte gewerkte uren werden door [bedrijf 1] gefactureerd aan de stichtingen, en [bedrijf 1] hebben deze gelden ontvangen.
Ten laste gelegd is voorts dat verdachte ten onrechte heeft aangegeven dat er beleidsplannen waren van de stichtingen. De verdediging is van mening dat de regelgeving niet duidelijk is op dit gebied. Onduidelijk is of een beleidsplan een afzonderlijk geschrift dient te zijn of dat een beleidsplan ook kan bestaan uit meerdere geschriften bijeen bezien, waaruit blijkt van het beleid, zij het dat daar dan niet boven staat vermeld “beleidsplan”. Vanaf 2011 zijn er afzonderlijke zo genoemde beleidsplannen van de stichtingen. Tot 2011 waren er stukken waarin het beleid van de stichtingen stond vermeld, zoals beleidsnota’s en strategienota’s, hetgeen volgens de verdediging kan worden aangemerkt als beleidsplan.
feit 3
De verdediging is van mening dat geen sprake is van verduistering.
De tenlastelegging steunt voor wat betreft de wederrechtelijkheid op facturen die valselijk zouden zijn opgemaakt. De verdediging is van mening dat de facturen niet valselijk zijn opgemaakt, en dat derhalve ook geen sprake kan zijn van verduistering om die reden.
De verdediging wijst erop dat verdachtes principalen op de hoogte waren dat verdachte zijn werkzaamheden voor de stichtingen verrichtte als partner van [bedrijf 1] , en tegen welke vergoeding dat gebeurde.
De verdediging is voorts van mening dat zijdens verdachte geen sprake is van wederechtelijke toe-eigening, nu de facturen werden voldaan aan [bedrijf 1] , en dus niet aan verdachte zelf.
Tot slot merkt de verdediging op dat niet verdachte als bestuurder beschikte over het geld van de stichting. De bevoegdheid tot het verrichten van betalingen lag bij [medeverdachte] als penningmeester.
Het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.
Gelet op hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van vormverzuimen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor bewijsuitsluiting.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank acht gelet op de bewijsmiddelen opgenomen in de bijlage bewezen dat verdachte facturen en de aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen valselijk heeft opgemaakt (feit 1). Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte vier ANBI-aanvragen valselijk heeft opgemaakt (feit 2). De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte als voorzitter van de stichtingen zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van geldbedragen van de vier stichtingen (feit 3).
Uit het dossier blijk het volgende:
Verdachte is als partner van [bedrijf 1] in de jaren negentig in contact gekomen met twee vermogende personen die (een deel van) hun vermogen wilden ter beschikking stellen ten behoeve van goede doelen. Hiertoe zouden deze gelden in vermogensfondsen worden ondergebracht, en verdachte zou als voorzitter van de besturen fungeren. In 1995 werd hierom [stichting 4] opgericht, in 1997 [stichting 5] , in 2002 [stichting 3] en in 2004 [stichting 2] .
feit 1
Verdachte was voorzitter van de vier stichtingsbesturen, en hij was als fiscalist partner bij [bedrijf 1] . De uren die verdachte werkte bij de vier stichtingen werden op naam van [bedrijf 1] gedeclareerd.
Uit de urenverantwoordingen van verdachte in de periode 2008 tot en met 2012 volgt dat zijn werkzaamheden voor 90% bestonden uit werkzaamheden voor de stichtingen. Wat de aard van de werkzaamheden waren valt niet op te maken. In de urenverantwoording zijn vage omschrijvingen gebruikt zoals “diversen en bespreking”. Door deze vage omschrijvingen is niet te controleren of hij die uren wel voor de (betreffende) stichting heeft gewerkt, en ook niet onder welke noemer die gewerkte uren vielen of zouden behoren te vallen c.q. in welke hoedanigheid verdachte deze uren had gemaakt: bijvoorbeeld als bestuurder van de stichting, als scout of als adviseur/fiscalist.
Uit de facturen, opgemaakt aan de hand van de vage urenverantwoordingen, is dit evenmin af te leiden, nu daarop enkel werd vermeld “voor onze werkzaamheden in de periode(…)”, en soortgelijke omschrijvingen.
De facturen hebben een bewijsbestemming. Het totaal van de gefactureerde bedragen vormt de omzet, en aldus zijn de facturen de bron daarvoor. De urenverantwoording heeft een bewijsbestemming als bron voor de facturen.
Verdachte heeft de urenverantwoordingen en de aan de hand daarvan opgemaakte facturen in deze “vage”vorm opgemaakt dan wel onder zijn verantwoordelijkheid en met zijn goedkeuring doen opmaken, en ze daarmee opzettelijk vaag gehouden. Hij heeft verklaard dat nooit een specificatie met de facturen werd meegezonden naar de stichtingen. Er was volgens hem geen noodzaak voor een gespecificeerde vastlegging, er was vanuit de stichtingen, waarvan hij voorzitter was, ook nooit naar gevraagd, zo verklaarde verdachte.
Verdachte had er belang bij dat de facturen en urenverantwoording geen duidelijkheid verschaften. Door deze vage omschrijving werd verhuld of en zo ja welke werkzaamheden werden verricht, of die werkzaamheden wel gedeclareerd mochten worden en of die werkzaamheden tegen het hoge partnertarief gedeclareerd mochten worden. Er was derhalve geen controle mogelijk over de uren.
- -
[bedrijf 1] kon niet controleren of verdachte de hoog gekwalificeerde fiscaal juridische werkzaamheden voor de stichtingen heeft verricht, waarvoor het partnertarief is bedoeld.
- -
De belastingdienst kon niet controleren of werd voldaan aan de voorwaarden van de ANBI-status van de stichtingen, en daarmee of het gebruik maken van de daaraan gekoppelde belastingvoordelen rechtmatig was.
- -
De stichtingen konden niet controleren of de uren daadwerkelijk zijn verricht voor de stichtingen en waarvoor deze concreet waren verricht.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat is verklaard dat in verband met de tussen verdachte en de penningmeester van de stichtingen, [medeverdachte] geldende vertrouwensband de facturen niet werden gecontroleerd. En dat desgevraagd door [medeverdachte] is verklaard dat hij dat aan de hand van de hem ter beschikking staande stukken ook feitelijk niet kon.
Artikel 41a lid 1 sub 1 van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 vermeldt dat
“de betreffende ANBI-voorwaarde inhoudt dat de administratie van de instelling zodanig is ingericht dat daaruit duidelijk blijkt van de aard en de omvang van de aan de afzonderlijke leden van het orgaan van de instelling, dat het beleid bepaalt, toekomende onkostenvergoedingen en vacatiegelden.”
De toelichting van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001vermeldt:
“Het doel van de regeling moet echter altijd in het oog worden gehouden: het waarborgen dat de door de instelling bijeengebrachte middelen daadwerkelijk en controleerbaar ten behoeve van de -het algemeen nut betreffende- doelstelling worden ingezet”.
Valselijk opmaken in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.
De Hoge Raad heeft in het arrest ECLI:NL:HR:2008:BB6354 het navolgende beslist:
“Uit deze bewijsmiddelen volgt dat [bedrijf A] wat betreft de aan de daarin genoemde afnemers geleverde producten op de in verband daarmee opgemaakte facturen verhulde wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks door in plaats van de naam van de geleverde producten een algemene omschrijving daarvan op die facturen te vermelden, terwijl de verdachte daaraan feitelijk leiding gaf. Nu, naar uit de bewijsmiddelen moet worden afgeleid, dit verhullen geschiedde met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan, moet dit verhullen in een geval als het onderhavige, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr.”
De rechtbank is van oordeel dat verdachte het volle opzet heeft gehad op het verhullen om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving te ontgaan. Niet alleen was verdachte in zijn algemeenheid op fiscaal juridisch terrein een zeer vooraanstaand adviseur, maar ook en juist op het gebied van de ANBI wet- en regelgeving was hij vanaf het begin zeer goed op de hoogte van de daaraan verbonden eisen en voorwaarden. Verder was verdachte ervan op de hoogte dat de directie van [bedrijf 1] van hem verwachtten en eisten dat hij zijn werkzaamheden als bestuurder van de stichtingen beëindigde, althans aanmerkelijk inkromp, en dat hij zich zou richten op fiscaal hooggekwalificeerd werk, om als partner in [bedrijf 1] te kunnen aanblijven. Om te kunnen doen wat hij deed op de wijze waarop hij dat deed was het noodzakelijk te verhullen wat zijn werkzaamheden concreet en feitelijk omschreven inhielden, onderbouwd met daarbij onontbeerlijke administratieve bescheiden. De omstandigheid dat de stichtingen en de personen die de gelden aan die stichtingen hadden overgedragen hier niet om vroegen, doet hier niet aan af; in de stichtingen was verdachte zelf de baas, en de vorenbedoelde personen hadden daar formeel geen zeggenschap over.
Uit het voorgaande volgt dat verdachte de facturen valselijk heeft opgemaakt, en wordt hiermee het verweer van de raadsman inhoudende dat de facturen niet valselijk zijn opgemaakt door het enkele gegeven dat de omschrijvingen op de facturen summier zijn, verworpen.
feit 2
Op 25 september 2007 heeft verdachte vier aanvragen Algemeen nut beogende instelling (ANBI-aanvragen) ondertekend en ingediend op naam van de vier stichtingen. Het hebben van een ANBI-status is voor de stichtingen van belang aangezien schenkingen aan een ANBI-stichting voor die stichting fiscaal niet belast zijn. Ook de schenkingen van een ANBI-stichting aan een goed doel zijn fiscaal geprivilegieerd.
Voor de ANBI-status moeten de stichtingen aan een aantal voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden waren in de periode van 1 januari 2008 en 31 december 2011 vastgelegd in artikel 41a Uitvoeringsregeling Wet Inkomstenbelasting (UR IB) vastgelegd en per 1 januari 2012 in artikel 1 a lid 1 letter i van de Uitvoeringsregeling Algemene Wet Rijksbelastingen 1994 (UR AWR).
Op de vier ANBI-aanvraagformulieren is op de vragen:
-1e: Is voldoende gewaarborgd dat een bestuurslid niet over het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is?
-1f: Verrichten de bestuurders hun werkzaamheden, feitelijk en volgens de regelgeving v/d instelling, zonder beloning, met uitzondering van een onkostenvergoeding en/of vacatiegeld?
-1g: Heeft de instelling een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen en de besteding daarvan?
telkens met ja geantwoord.
De rechtbank is van oordeel dat de ANBI-aanvragen een bewijsbestemming hebben. De voor de Belastingdienst bestemde aanvragen dienen ertoe de Belastingdienst in staat te stellen te beoordelen of de stichtingen voldoen aan de voorwaarden voor een ANBI-status en of die status kan worden toegekend aan de stichtingen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de ANBI-aanvragen valselijk zijn opgemaakt.
Waarborg dat bestuurslid niet over het vermogen van de stichtingen kon beschikken als zijnde eigen vermogen:
Ten aanzien van de eerste vraag “Is voldoende gewaarborgd dat een bestuurslid niet over het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is”. Die vraag is in strijd met de waarheid met “ja” beantwoord.
Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.
De verdediging heeft betoogd dat verdachte geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid had en instemming nodig had van de medebestuursleden. Volgens verdachte was er controle op de uitgaven omdat zij het vier-ogen-principe hanteerden, er waren twee handtekeningen nodig op een rekening.
De rechtbank verwerpt dit verweer aangezien er vanwege het onderlinge vertrouwen geen feitelijke controle plaatsvond. [medeverdachte] als penningmeester van de stichtingen heeft de door [bedrijf 1] opgemaakte facturen niet gecontroleerd. Hij heeft daarover verklaard: “controle zou de onderlinge chemie beschadigen” en “het kan zijn dat [verdachte] die uren heeft gemaakt” en “aan de hand van de beschrijvingen op de urenverantwoordingen kon ik niet opmaken wat hij heeft gedaan”.
Er was derhalve onvoldoende waarborg dat verdachte als bestuurslid niet over het vermogen van de stichtingen naar eigen inzicht en daarmee als eigen vermogen kon beschikken. Door de vage facturen en de daaraan ten grondslag liggende urenverantwoording kon immers niet worden gecontroleerd of en zo ja welke werkzaamheden waren verricht voor de stichtingen.
Bestuursbeloning:
Ten aanzien van de vraag “Verrichten de bestuurders hun werkzaamheden, feitelijk en volgens de regelgeving v/d instelling, zonder beloning, met uitzondering van een onkostenvergoeding en/of vacatiegeld”. Die vraag is eveneens in strijd met de waarheid met “ja” beantwoord.
Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.
In formele zin: aan de hand van de notulen van de vergaderingen die zich in het dossier bevinden blijkt dat tijdens de vergaderingen alleen maar bestuurshandelingen, handelingen die kenmerkend zijn als handelingen van het bestuur, werden verricht.
Verdachte heeft verklaard dat slechts een klein onderdeel in de vergadering een bestuurswerkzaamheden waren, namelijk de beslissing over het al dan niet toekennen van een schenking aan een goed doel project. De rechtbank acht deze verklaring onjuist en is van oordeel dat verdachte hiermee een te beperkt begrip van de term bestuurswerkzaamheden hanteert. De rechtbank is van oordeel dat niet alleen de uiteindelijke beslissing maar ook het zich voorbereiden en het zich (doen) informeren om tot een dergelijke beslissing te komen onder het begrip bestuurswerkzaamheden valt.
In materiële zin: de bestuursvergaderingen staan op de facturen van [bedrijf 1] en zijn gefactureerd tegen een vergoeding van om en nabij € 600 per uur. Het was naar de oordeel van de rechtbank echter niet aan [bedrijf 1] om bestuurswerkzaamheden in rekening te brengen aangezien [bedrijf 1] zelf geen bestuurder is van de stichtingen.
Verdachte heeft verklaard dat niet híj een beloning genoot van de stichtingen maar [bedrijf 1] aangezien [bedrijf 1] factureerde en aan hen de betalingen werden verricht.
De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte als partner van [bedrijf 1] in ieder geval indirect werd beloond voor zijn werkzaamheden voor de stichtingen aangezien hij deelde in de winst van [bedrijf 1] .
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook direct werd beloond voor zijn werkzaamheden voor de stichtingen. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.
Verdachtes status van van partner van [bedrijf 1] , en daaruit voortvloeiend zijn recht op een winstaandeel van [bedrijf 1] , hing zeer nauw samen met door hem te verrichten fiscaal-juridische werkzaamheden van hoog niveau en het genereren van voldoende omzet daaruit. Deze omzet uit verdachtes werkzaamheden bestond echter voor ongeveer 90% van de totale door hem ten behoeve van [bedrijf 1] gegenereerde omzet uit voornoemde werkzaamheden ten behoeve van de stichtingen, terwijl deze niet de vorenbedoelde en door [bedrijf 1] van verdachte verlangde fiscaal-juridische werkzaamheden van hoog niveau waren. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat hij zonder die opbrengsten uit werkzaamheden voor de stichtingen niet van [bedrijf 1] als partner een winstaandeel zou hebben genoten. De rechtbank verwijst naar hetgeen bestuursvoorzitters [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van [bedrijf 1] hebben verklaard over de opdracht aan verdachte om zijn werkzaamheden binnen de stichtingen, die door [bedrijf 1] als nevenwerkzaamheden werden beschouwd, af te bouwen. Aldus is hij ook direct beloond voor zijn werkzaamheden voor de stichtingen.
Beleidsplannen:
De vraag “Heeft de instelling een actueel beleidsplan dat inzicht geeft in de te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen en de besteding daarvan”, is eveneens in strijd met de waarheid met “ja” beantwoord.
Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het dossier blijkt dat er tot 2011 in de vier stichtingen geen beleidsplan was. Het hebben van een beleidsplan is van belang omdat daaruit volgt welke koers wordt gevaren en derhalve is het een toets voor de door het bestuur te nemen beslissingen. De rechtbank is van oordeel dat dit in concrete notities als zodanig formeel moet zijn neergelegd. Uit de Toelichting op de Wijziging Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (Stcrt 2007, nr 28 / pag. 9) blijkt dat onder een beleidsplan dient te worden verstaan “een geschrift” waarmee inzicht wordt gegeven in de wijze waarop uitvoering zal worden gegeven aan de doelstelling van de instelling. Daaruit volgt dus dat de opvatting van de verdediging dat een beleidsplan als bedoeld in de ANBI-regeling ook kan blijken uit verspreid in de administratief opgenomen afzonderlijke verslagen of documenten. Nog los van het feit dat naar algemeen spraakgebruik een verzameling verspreid in de administratie opgenomen/ neergelegde notities als onderdeel van andere daarin behandelde onderwerpen niet wordt gezien als een beleidsplan, zou hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht worden gedaan aan de inzicht verschaffende functie en daarvan afgeleide controle- en verantwoordingsfunctie van het beleidsplan in de ANBI-wet- en regelgeving. De omstandigheid dat deze term niet verder is uitgewerkt in de wet- en regelgeving doet hieraan gelet hierop niet af.
feit 3
Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat hij als lid van het bestuur van de stichtingen beslissingen heeft genomen over de besteding van het geld van de stichtingen en goedkeuring heeft gegeven aan de facturen waardoor werd betaald voor activiteiten die niet betaald hadden mogen worden. Verdachte heeft de aldus verkregen gelden wederrechtelijk ontvangen.
De rechtbank overweegt hieromtrent:
Verdachte had als bestuursvoorzitter rechtmatig toegang tot het geld van de stichtingen.
Elk bestuurslid is verantwoordelijk voor het handelen van het gehele bestuur.
Er vond geen controle plaats op de uitgaven van de stichtingen.
Door de vage facturen en de daaraan ten grondslag liggende urenverantwoording kon niet worden gecontroleerd welke werkzaamheden waren verricht voor de stichtingen, en evenmin op welke (voorgenomen) bestedingen deze kosten betrekking hadden. Ter zitting heeft verdachte immers verklaard dat projecten / voorgenomen bestedingen voor meerdere jaren tegelijk aan de orde konden zijn in een gebied, zodat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kosten te hoog zijn.
Er vond geen feitelijke controle plaats op de uitgaven van de bestuursleden vanwege hun onderlinge vertrouwensband binnen het bestuur en speciaal met [medeverdachte] .
Er werd ook niet gecontroleerd of sprake was van een redelijke verhouding tussen de kosten van de stichtingen en de bestedingen, terwijl dit een uitermate belangrijk gegeven is voor het behoud van de ANBI-status, gelet op de ANBI-regelgeving.
Vast staat dat, zowel bezien per jaar afzonderlijk als ook over de jaren bijeengenomen (zeer) hoge kosten zijn gemaakt, gerelateerd aan de bestedingen van de stichtingen.
De rechtbank volgt niet het standpunt van de verdediging dat niet kan worden geconcludeerd dat deze kosten dermate hoog waren dat van een redelijke verhouding geen sprake was.
Voor zover de verdediging met haar standpunt beoogt te stellen dat door meerjarenplannen de kosten betrekking kunnen hebben op toekomstige bestedingen merkt de rechtbank op dat – nog los van het feit dat die toerekening niet kan worden vastgesteld en gecontroleerd door het ontbreken van voldoende vastleggingen daarvan – uit de tot het dossier behorende beleidsplannen – voor zover al aanwezig - niet kan worden afgeleid op welke toekomstige bestedingen deze kosten dan betrekking hebben gehad en in welke mate, terwijl zulks evenmin kan worden ontwaard in de urenverantwoordingen.
Voor bestuurswerkzaamheden kunnen slechts onkostenvergoedingen en niet-bovenmatige vacatiegelden in rekening worden gebracht, gelet op de ANBI regelgeving. Verder is van belang dat de werkzaamheden van verdachte anders dan als bestuurder naar eigen zeggen voor een groot deel gelijk waren aan de werkzaamheden van de scouts van de stichtingen. Een van de scouts, [betrokkene 3] , hanteerde een uurtarief van € 80. Het tarief van de andere scouts week daar niet wezenlijk van af
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van verduistering voor zover de gedeclareerde bedragen uitgaan boven hetgeen als een redelijke beloning voor de door verdachte anders dan als bestuurder verrichte werkzaamheden kan worden aangemerkt, en voorzover de gedeclareerde bedragen uitgaan boven hetgeen als niet bovenmatig vacatiegeld of als onkostenvergoeding kan worden aangemerkt. Vast staat dat de gedeclareerde bedragen daar ruimschoots boven uitstegen, nu het uurtarief van verdachte in de jaren 2008-2012 opliep tot ongeveer € 600,-.
Het voorgaande bijeengenomen leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van de wederrechtelijke toe-eigening van geldbedragen die verdachte als voorzitter onder zich had, en daarmee van verduistering.
.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1. hij in de periode van de maand januari 2008 tot en met de maand december 2012 in de gemeente Eindhoven,
6 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 2] , DOC-0078 2/3, DOC-0088 2/3, DOC-0096 2/3, DOC-0105 2/3, DOC-01112/3 en DOC-0112 2/3, en
6 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen [verdachte] bij [bedrijf 1] ,
DOC-0078a, DOC-0088a, DOC-0096a, DOC-0105a, DOC-0111a en DOC-0112a, en
4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 3] , DOC-0080 2/3, DOC-0091 2/3, DOC-0098 2/3 en DOC-0103 2/3, en
4 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen [verdachte] bij [bedrijf 1] , DOC-0080a, DOC-0091a, DOC-0098a en DOC-0103a en
4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 5] , DOC-0082 2/3, DOC-0090 2/3, DOC-0094 2/3, DOC-0107 2/3, en 4 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen [verdachte] bij [bedrijf 1] , DOC-0082a, DOC-0090a, DOC-0094a, DOC-0107a, en
4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [stichting 4] , DOC-0084 2/3, DOC-0086 2/3, DOC-0099 2/3, DOC-0109 2/3 en
4 aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen [verdachte] bij [bedrijf 1] , DOC-0084a, DOC-0086a, DOC-0099a, DOC-0109a,
telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, telkens valselijk heeft opgemaakt, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en
onvervalst te gebruiken, immers heeft hij, verdachte toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-
= de te hoge tarieven en/of de teveel gedeclareerde uren telkens in die facturen en/of in die aan die facturen voornoemd ten grondslag liggende urenverantwoordingen telkens versluierd, door het weglaten, van een omschrijving van de werkzaamheden in die facturen en door het hanteren van een vage omschrijving in die aan die facturen voornoemd ten
grondslag liggende urenverantwoordingen en
= in die facturen voornoemd telkens de algemene termen: "voor onze werkzaamheden in de periode" vermeld, waardoor werd verhuld welke soort werkzaamheden en hoeveel werkzaamheden het betrof en tegen welk tarief de werkzaamheden werden verricht;
2. hij op 25 september 2007,in de gemeente Eindhoven
4 Aanvragen Algemeen nut beogende instellingen ten name van respectievelijk [stichting 4] , DOC-0153, en [stichting 5] , DOC-0154, en [stichting 3] ,
DOC-0155 en [stichting 2] , DOC-0156,
telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs
van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,
zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en
onvervalst te gebruiken immers heeft hij, verdachte, toen aldaar telkens valselijk en in strijd met de
waarheid -zakelijk weergegeven-
in die Aanvragen Algemeen nut beogende instelling voornoemd telkens
= op de vraag onder 1e, Is voldoende gewaarborgd dat een bestuurslid niet over
het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen
is?, 'ja' aangekruist, en
= op de vraag onder 1f, Verrichten de bestuurders hun werkzaamheden, feitelijk
en volgens de regelgeving v/d instelling, zonder beloning, met uitzondering
van een onkostenvergoeding en/of vacatiegeld?, 'ja' aangekruist, en
= op de vraag onder 1g, Heeft de instelling een actueel beleidsplan dat
inzicht geeft in de te verrichten werkzaamheden, de wijze van werving van
gelden, het beheer van het vermogen en de bestedingen daarvan?, 'ja' aangekruist,
en
die Aanvragen Algemeen nut beogende instelling voornoemd
telkens voorzien van zijn, verdachtes, handtekening, telkens als
bestuurder/voorzitter van die Stichtingen voornoemd aldus doende de inhoud van die Aanvragen Algemeen nut beogende
instelling voornoemd telkens bekrachtigend;
3. in de periode vanaf 29 januari 2008 tot en met 22 november 2012, in de gemeente Eindhoven telkens opzettelijk
= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 4] , DOC-270 en AMB-0047, pagina 3 en
= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 5] , DOC-0271 en AMB-0047, pagina 3 en
= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 3] , (DOC-0272 en AMB-0047, pagina 3 en
= girale bedragen aan geld toebehorende aan [stichting 2] , DOC-0273 en AMB-0047, pagina 3,
welke girale bedragen aan geld verdachte telkens anders dan door misdrijf, te weten telkens als voorzitter van die stichtingen, onder zich had, telkens wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert voor de feiten 1, 2 en 3 een gevangenisstraf van 5 jaar en ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur die de hoofdstraf met 3 jaar te boven gaat, met uitzondering van de pensioenstichting van verdachte.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De officier van justitie heeft in de ontnemingszaak gevorderd de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 7.474.767,-- toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte heeft veel werk verricht voor de stichtingen. De strafzaak heeft veel impact voor verdachte. Er is een einde gekomen aan zijn werk voor de stichtingen, hij is ontslagen bij [bedrijf 1] en door de publiciteit van de zaak kan hij zijn werk als belastingadviseur niet uitvoeren.
Er is geen maatschappelijke schade. [bedrijf 1] heeft de door de stichtingen betaalde facturen terugbetaald waardoor de dienstverlening aan de stichtingen gratis is geworden. De samenleving heeft daarnaast geprofiteerd vanwege de ruim 2 miljoen aan betaalde BTW.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan
- -
valsheid in geschrift door het opmaken van een groot aantal valse facturen en de aan die facturen ten grondslag liggende urenverantwoordingen door daarop geen beschrijving te geven van de werkzaamheden;
- -
valsheid in geschrift door vier ANBI-aanvragen valselijk op te maken;
- -
verduistering van gelden die hij als voorzitter van de vier ANBI-stichtingen onder zich had
De rechtbank acht dit ernstige feiten.
Verdachte was als vooraanstaand fiscalist werkzaam als partner bij [bedrijf 1] . Daarnaast was hij bestuursvoorzitter van vier goede-doelen stichtingen. Het geld van de stichtingen kwam van twee vermogende personen. Van de 24 miljoen euro die in de periode tussen 2008 en 2012 door de stichtingen is besteed, ging de helft op aan kosten. Zo werd in die periode € 6.563.140,- betaald aan [bedrijf 1] voor de door verdachte gedeclareerde uren. Welke werkzaamheden van verdachte daar tegenover staan, valt niet op te maken uit de facturen en urenverantwoordingen van verdachte aangezien daar vage algemene omschrijvingen op staan vermeld.
De omvang van de uit verdachtes gedragingen voortvloeiende wederrechtelijke toe-eigening, mede van belang voor de straftoemeting, is door het ontbreken van behoorlijke vastleggingen, door toedoen van verdachte, slechts bij benadering vast te stellen. De rechtbank zal, uitgaand van het gegeven dat het uurtarief van verdachte in de periode 2008-2012 is opgelopen tot ongeveer € 600, dat scouts een uurtarief van ongeveer € 80 hadden, dat vele uren zijn gedeclareerd die slechts een onkostenvergoeding mochten zijn, en eventuele (veel lagere) vacatiegelden, in dit kader naar redelijkheid en billijkheid uitgaan van een uurtarief van maximaal € 150 à € 200 als redelijke vergoeding kunnen worden aangemerkt, waardoor grosso modo € 400 à € 450 per uur meer in rekening is gebracht dan hetgeen als redelijk kan worden aangemerkt. De rechtbank streept hierbij het gegeven dat in de eerste jaren minder dan € 600 per uur werd gedeclareerd weg tegen de omstandigheid dat voor bestuurswerkzaamheden geen vol salaris mocht worden gedeclareerd.
Het voorgaande houdt in dat in verband met het verkrijgen van een richtsnoer voor de straftoemeting, de rechtbank ervan zal uitgaan dat bij ongeveer 67 à 75 % van de door verdachte gedeclareerde bedragen sprake was van een wederrechtelijke toe-eigening en dus verduistering.
Verdachte heeft daarnaast voor de vier stichtingen de ANBI-status aangevraagd waardoor zij fiscale voordelen hadden. De stichtingen voldeden door aan verdachte toe te rekenen feiten en omstandigheden echter niet aan de ANBI-status. De maatschappij heeft hierdoor ten onrechte schenkingsbelasting misgelopen.
Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich weinig tot niets aangetrokken van de belangen van de goede doelen. Hij heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen van de twee vermogende personen die aan de door verdachte bestierde stichtingen (een aanzienlijk deel van) hun grote vermogens toevertrouwden en evenzo misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het kantoor [bedrijf 1] in hem als partner stelde. Verdachte had bij het plegen van de strafbare feiten een initiërende en zeer krachtig sturende, leidinggevende rol.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid
dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte in verband met de door hem gepleegde strafbare feiten
-door de civiele rechter is ontslagen als bestuursvoorzitter van de stichtingen,
-door [bedrijf 1] is ontslagen en
-door de tuchtrechter is geschorst als belastingadviseur voor de duur van zes maanden.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal de straf echter matigen en een deel voorwaardelijk op leggen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat voor hetgeen bewezen is verklaard een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en geboden is.
Nu verdachte de feiten heeft gepleegd ten tijde van de uitoefening van zijn beroep, en recidive niet kan worden uitgesloten, acht de rechtbank daarnaast een bijkomende straf van ontzetting uit het beroep van bestuursvoorzitter van stichtingen op zijn plaats voor de duur die de hoofdstraf van 5 jaar te boven gaat. De pensioenstichting van verdachte wordt hiervan uitgezonderd.
De officier van justitie had een ontzetting geëist voor de duur van 3 jaar. De rechtbank acht echter gelet op het grove misbruik van vertrouwen, de hoogte van het fraudebedrag en de lange duur van de feiten een ontzetting uit het beroep van bestuursvoorzitter van stichtingen voor de maximale duur van 5 jaar op zijn plaats.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;Ten aanzien van feit 2:valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;Ten aanzien van feit 3:verduistering, meermalen gepleegd.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en
bijkomende straf:
Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren;
ontzetting bepaalde beroepen uit te oefenen, te weten ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder van stichtingen uit te oefenen voor de duur die de hoofdstraf met 5 jaar te boven gaat, met uitzondering van de pensioenstichting van verdachte;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. M.Th. van Vliet, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.H.C. Persoons, griffier,
en is uitgesproken op 28 september 2018.
Mr. W.F. Koolen is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.