Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/6.7
6.7 Conclusie en aanbevelingen
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS299985:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Van Hees, TvI 2016/18.
Dit leidt soms ook tot misbruik door werkgevers; dit onderwerp komt in het volgende hoofdstuk uitgebreid aan de orde.
Bouwens, Roozendaal en Bij de Vaate 2015, p. 53 e.v.
Rapport Verburg en Veder e.a., Rapport aan WODC 2016, p. 2.
Tollenaar, TvI 2011/23.
Zie voor een overzicht hiervan opnieuw: Bouwens, Roozendaal en Bij de Vaate 2015, p. 54 en 55. Na het Smallsteps-arrest zijn beschouwingen ten aanzien van dit aspect te vinden in: Bouwens, TRA 2018/13, Van der Neut TRA 2017/88 en Zaal, TRA 2018/14.
Zie het slot van paragraaf 6.2.
Zaal, TRA 2018/14, p. 18-19.
Hierbij kan mogelijk een beroep op de vrijheid van ondernemerschap (waarin artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voorziet) een steuntje in de rug bieden, nu het Hof van Justitie van de Europese Unie daarna recentelijk (meer) gewicht heeft toekend in zijn arrets van 27 april 2017, ECLI:EU:C:2017:317 (Asklepios).
Van der Neut TRA 2017/88.
Bouwens, TRA 2018/13.
Verburg 2018, p. 126 e.v.
Te denken valt aan een nieuw artikel 40a Fw; ik zou overigens voorstander zijn van meerdere wijzigingen om het insolventierecht en het arbeidsrecht beter op elkaar te laten aansluiten, die alle in de Faillissementswet een plaats zouden kunnen krijgen, maar deze voorstelen vallen verder buiten het bestek van dit hoofdstuk.
De A-G noemde de pre-pack in sommige opzichten 'zeker prijzenswaardig', zie punt 77 van de conclusie.
Zie de eerdere verwijzing naar het zgn. Graham report in voetnoot 3 van dit hoofdstuk.
Daarnaast ben ik er voorstander van een vergelijkbare bepaling op te nemen voor de berekening van de lengte van de opzegtermijn bij opvolgend werkgeverschap (die nu nog in zijn geheel ontbreekt), zie paragraaf 6.6.5.
Tollenaar, TvI 2011/23: 'Faillissementsrechters van Nederland, geef ons de pre-pack!'.
"Het komt er op neer," aldus Van Hees in 2016 in een opiniërende column, "dat werknemers in een faillissement van hun werkgever vrijwel vogelvrij zijn. Hun positie is ook aanmerkelijk slechter dan in de ons omringende landen (...). Dat was overigens al veel langer bekend. Alle reden, zo zou je kunnen denken, om hier iets aan te doen."1 Ik begrijp deze hartenkreet. Als daarnaast bedacht wordt dat buiten faillissement de positie van werknemers in Nederland juist relatief goed beschermd is, ook weer in vergelijking tot de ons omliggende landen, dan wordt duidelijk dat hier sprake is van een grote discrepantie. De kloof tussen beide situaties (de ontslagbescherming binnen en buiten faillissement) leidt onvermijdelijk – bewust of onbewust – tot het opzoeken van de grenzen door ondernemers.2 Dat hoeft niet per se kwaadaardig te zijn (over misbruik van faillissement in het volgende hoofdstuk meer), het lijkt eerder een natuurlijke ontwikkeling, die gestimuleerd wordt door artikel 7:666 BW. Bouwens c.s. constateren dat een veel getrokken conclusie in de literatuur is, dat "in de praktijk wordt gekozen voor een ('technisch') faillissement waarin een buitengerechtelijke reorganisatie ook mogelijk was. De oorzaak daarvoor ligt volgens de meesten in het grote verschil tussen de bescherming van werknemers in faillissement en daarbuiten."3 Ook in het onderzoek van de Radboud Universiteit uit 2016 kwam deze oorzaak duidelijk bovendrijven:
"Uit het onderzoek komt naar voren dat in sommige cases de regels omtrent het ontslag van werknemers een belemmerende factor vorm(d)en voor het doorvoeren van een passende en effectieve personele reorganisatie. Daarbij kan worden gewezen op de kosten en de tijd die in sommige gevallen met ontslagprocedures zijn gemoeid. Ook het afspiegelingsbeginsel is genoemd als een obstakel voor het tot stand brengen van een effectieve reorganisatie. Voorts blijkt het problematisch om een - in het licht van de financiële situatie van de onderneming noodzakelijke - versobering van de arbeidsvoorwaarden, zoals het brengen van een (tijdelijk) loonoffer, tot stand te brengen."4
De in dit hoofdstuk zich zo prominent manifesterende problematiek is een rechtstreeks gevolg van deze situatie. Het gememoreerde opzoeken van de grenzen, niet in de laatste plaats door de insolventierechtpraktijk, tot uitdrukking komend in een roep om de pre-pack,5 met de daarop volgende coöperatieve houding van de Nederlandse wetgever met het wetsvoorstel Wet Continuïteit Ondernemingen I, leidde in zeker zin tot het lid op de neus voor de praktijk. Niet alleen de pre-pack, maar ook klassiekere vormen van doorstart liggen onder vuur, met rechtsonzekerheid tot gevolg.
Over de oplossing bestaat verdeeldheid,6 maar ik breek in dit hoofdstuk een lans voor afschaffing van artikel 7:666 lid 1 sub a BW, onder gelijktijdige invoering van een nieuw artikel in de Faillissementswet, dat voorziet in een soepeler regime voor de doorstarter. Door de artikelen 7:662 e.v. BW ook in geval van faillissement van de werkgever van toepassing te verklaren wordt eerst en vooral de kloof tussen de ontslagbescherming binnen, respectievelijk buiten faillissement verkleind (bijvoorbeeld door de introductie van de selectiecriteria bij ontslag na faillissement die hieruit voortvloeit), terwijl de doorstart, dankzij verzachtende maatregelen ten gunste van de doorstarter, wel relatief aantrekkelijk voor de doorstarter blijft, hetgeen ook de hoogte van de opbrengst van de verkoop van de onderneming door de curator op peil houdt, wat ten gunste van de gezamenlijke schuldeisers komt.
Eerder is dit hoofdstuk is betoogd dat Lidstaten de mogelijkheid hebben, ook nu nog, om op grond van artikel 5 lid 2 van de richtlijn bepaalde handreikingen richting verkrijgende ondernemers te doen.7 Wel is de vraag gerechtvaardigd of een soepeler ontslagregime zich wel verdraagt met 'harde toepassing' van de regels van overgang van onderneming op een faillissementsdoorstart. Wil dat soepeler regime wat ontslag van werknemers betreft standhouden, dan zal dat gerealiseerd moeten worden door het opzegverbod van artikel 7:670 lid 8 BW, dat een opzegging wegens een overgang van onderneming verbiedt, terzijde te stellen met het argument dat dit opzegverbod niet aan een opzegging in de weg staat die plaatsvindt vanwege de zgn. ETO redenen, oftewel bij een opzegging die plaatsvindt wegens 'economische, technische of organisatorische' redenen. In ons omringende landen is dit in verschillende vormen gebeurd, zoals Zaal heeft uiteengezet, onder verwijzing naar eerder publicaties.8 Zij oppert de ETO-redenen in de wet te verankeren en doet de suggestie een wettelijk rechtsvermoeden te introduceren dat bij een faillissementsdoorstart sprake is van ETO-redenen. Terecht trekt zij in twijfel of dat laatste zich verdraagt met doel en strekking van de richtlijn. Mijns inziens bieden de in de rechtspraak gesanctioneerde ETO-redenen al voldoende basis om dit middel ruimer in te zetten in de praktijk.9
Alvorens daartoe concretere aanbevelingen te doen, acht ik het nuttig voor een completer beeld ook door anderen genoemde oplossingen te bespreken. Ik kies daarbij voor recente opiniërende bijdragen van achtereenvolgens Van der Neut10 en Bouwens.11 Beiden hebben alternatieven voorgesteld, die (tevens) neerkomen op van-toepassing-verklaring van de regels van overgang van onderneming op alle insolventieprocedures, onder meer met gebruikmaking van de zgn. mitigeringsmogelijkheden die artikel 5 lid 2 van de richtlijn biedt. Daarbij besteed ik minder aandacht aan een veel verderstrekkende visie die Verburg tentoongespreid heeft door, naast de meergenoemde mitigeringsmogelijkheden c.a., ook te wijzen op de veel fundamentelere aanpak waarbij de (ook) door mij gesignaleerde kloof tussen de ontslagbescherming binnen en buiten faillissement integraal wordt aangepakt, oftewel door ook 'iets te doen' aan het reguliere, door ondernemers als al te rigide ervaren ontslagrecht, waardoor de druk om reorganisatiemogelijkheden via een doorstart te onderzoeken wordt verlaagd.12 Deze brede aanpak spreekt mij aan, maar binnen het kader van dit onderzoek heb ik ervoor gekozen mij te beperken tot het onderzoeken van de mogelijke oplossingen binnen het – wat ik maar noem – insolventierechtelijk georiënteerde deel van het ontslagrecht.
Van der Neut zoekt het nadrukkelijk en hoofdzakelijk in gebruikmaking van de mogelijkheden van artikel 5 lid 2 onder (a) en (b) van de richtlijn, waardoor én schulden niet mee overgaan, én er relatief gemakkelijk tot neerwaartse bijstelling van de arbeidsvoorwaarden moet kunnen worden overgaan, waarbij hij ter voorkoming van al te tijdrovende onderhandelingen met de vakorganisaties ook een rol voor de ondernemingsraad weggelegd ziet, in de vorm van een daarmee te sluiten convenant met afspraken over de aanpassing van de arbeidsvoorwaarden, dat geldt als er met de werknemersorganisaties geen overeenstemming wordt bereikt. Als alternatief ziet hij – opnieuw met het oog op bijstelling van de arbeidsvoorwaarden bij de doorstarter, een rol weggelegd voor de eenzijdige-wijzigingsmogelijkheden die de artikelen 7:613, 7:611, 6:248 en 6:258 BW bieden. Dit zou dan met een extra wettelijke verankering moeten worden verzekerd, die er op neer komt dat een dergelijke wijziging alleen mogelijk is als daaraan ETO-redenen ten grondslag liggen en de wijziging niet voornamelijk gelegen is in de overgang zelf.
Bouwens stelt voor, in aanvulling op de mogelijkheden van artikel 5 lid 2 onder (a) en (b) van de richtlijn, te opteren voor een verlicht ontslagregime, met – kort samengevat – de volgende kenmerken:
Het verlichte ontslagregime is op alle insolventieprocedures van toepassing (dus ook bij surseance);
Het bevat een (in mijn woorden) rechtsvermoeden, te weten dat in geval van insolventverklaring de bedrijfseconomische noodzaak voor ontslag wordt aangenomen (behoudens tegenbewijs);
Toetsing vindt (marginaal) plaats, door de rechter-commissaris, en niet meer door UWV;
Er komt 'wederindienstnemingsverplichting' voor de doorstarter bij een voortzetting binnen 26 weken na de insolventverklaring, waarbij het afspiegelingsbeginsel toepassing vindt in die zin dat de werknemers die volgens dat beginsel het laatste voor ontslag in aanmerking zou komen het eerst een arbeidsovereenkomst bij de doorstarter aangeboden moet krijgen.
In de voorstellen van Van der Neut mis ik een integrale(re) visie die ook tegemoet komt aan het voornaamste bezwaar zoals dit in ieder geval door mij wordt gevoeld, te weten het risico van de afwijkende selectie van werknemers die mee over 'mogen' naar de doorstarter, waarbij de keuze niet valt op werknemers met een 'vlekje' (of dat nu een kwestie van leeftijd, hoog salaris, arbeidsongeschiktheid of iets anders is). Bouwens' voorstel komt daaraan wel tegemoet, al ben ik huiverig voor de 'knip' die in zijn voorstel te zien is tussen enerzijds het moment van ontslag (slechts marginaal getoetst door de niet arbeidsrechtelijk onderlegde rechter-commissaris) en anderzijds de mogelijk pas veel later aan te leggen toets (door de kantonrechter?) bij de vraag of de wederindiensttredingsverplichting is nagekomen. Niet alleen hebben de rechters-commissarissen in het verleden slechts zelden laten zien voldoende oog te hebben voor de positie van werknemers, maar ook zou ik graag zien dat juist in een eerder stadium al zekerheid wordt geschapen omtrent de overgang van alle werknemers, gevolgd door een selectie bij eventueel ontslag door de doorstarter. Dat lijkt mij niet alleen voor werknemers, maar ook voor de 'nieuwe' werkgever gewenst. Dit waarborgt bovendien ook een directe toetsing van de afspiegeling door UWV, dat terzake bij uitstek als deskundig kan worden beschouwd.
Denkbaar is daarom al met al, naar mijn mening, naast afschaffing van artikel 7:666 lid 1 sub a, een nieuw artikel op te nemen in de Faillissementswet, dat specifiek in de gevolgen voorziet van de gesignaleerde problematiek.13 De volgende componenten kunnen daarvan deel uit maken:
Wanneer de arbeidsovereenkomst door de curator is opgezegd en na deze opzegging een doorstart plaatsvindt (die voldoet aan de eisen van artikel 7:662 e.v. BW) is de opzegging nietig en wordt de werknemer geacht van rechtswege in dienst te zijn gekomen van de verkrijgende werkgever. Nietigheid heeft de voorkeur boven vernietigbaarheid, omdat binnen de systematiek van het ontslagrecht na invoering van de Wet werk en zekerheid in 2015 buitengerechtelijke vernietiging niet meer mogelijk is en langdurige procedures bij de kantonrechter omwille van de rechtszekerheid moeten worden vermeden. Bovendien gaat van deze insteek een zeker prohibitief karakter uit richting de curator: aan het negeren van de regels omtrent overgang van onderneming zijn serieuze risico's verbonden. De verwachting is gerechtvaardigd dat de curator in geval van twijfel over de arbeidsrechtelijke positie van het personeel met de overnemende partij alsmede met werknemers(-organisaties) in gesprek zal gaan. Een werknemer die al een andere baan heeft of om een andere reden niet in dienst wil komen van de verkrijger dient daarmee schriftelijk in te stemmen.
De verkrijgende werkgever is in afwijking van artikel 663 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet hoofdelijk verbonden voor de nakoming van verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst die zijn ontstaan vóór het tijdstip van de overgang. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de mogelijkheid die artikel 5 lid 2 van de richtlijn biedt.
De verkrijgende werkgever kan gedurende bijvoorbeeld zes maanden na de overgang van onderneming tot opzegging van de arbeidsovereenkomsten overgaan wegens economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen; bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nadere (lees: soepeler) regels gesteld met betrekking tot het vaststellen van de aanwezigheid van de in de vorige volzin genoemde (ETO-)redenen.
Gedurende bijvoorbeeld zes maanden gerekend vanaf het moment van de overgang van onderneming geldt de herplaatsingsverplichting van artikel 669 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet voor de verkrijgende werkgever.
Indien gedurende een periode van zes maanden gerekend vanaf de overgang van onderneming door de verkrijger aan de werknemer en/of aan een of meer werknemersorganisaties een voorstel wordt gedaan dat strekt tot neerwaartse aanpassing van de arbeidsvoorwaarden en dit voorstel niet wordt aanvaard, kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsvoorwaarden geheel of gedeeltelijk aanpassen, voor zover dit de kantonrechter na afweging van de wederzijdse belangen redelijk voorkomt. Hoger beroep en cassatie worden uitgesloten.
Hiermee wordt enerzijds voorkomen dat doorstarters overgaan tot het zgn. cherry picking en de reguliere selectiecriteria negeren, maar wordt anderzijds ook een aantal handreikingen aan potentiële doorstarters gedaan.
Essentieel neveneffect van deze nieuwe regelgeving is voorts dat de pre-pack, ter onderscheiding van de gewone faillissementsdoorstart (zonder aanwijzing van een beoogd curator) aantrekkelijk blijft, waardoor ook aan een pre-pack voortvloeiende voordelen blijven behouden.14 Omgekeerd, bij gebreke van een dergelijk ingreep, verwordt de pre-pack tot een onbruikbaar fenomeen. Met dit voorstel wordt de pre-pack gereanimeerd en kan ook de beoogde wet alsnog aangenomen worden en een serieuze bijdrage aan de praktijk gaan leveren.
Weliswaar heb ik kort hiervoor bedenkingen weergegeven van mijzelf en andere auteurs ten aanzien van de (on)mogelijkheid van een beroep op artikel 7:666 BW bij gewone doorstarts, maar desalniettemin is de conclusie zeer verdedigbaar dat het aantal pre-packs bij de huidige stand van zaken verwaarloosbaar klein zal worden. Mogelijk dat uitsluitend in geval van nakende faillissementen die voor grote maatschappelijke onrust zullen zorgen alsnog doorslaggevende waarde wordt toegekend aan de stille voorbereiding op het faillissement, waarbij bijvoorbeeld aan ziekenhuizen of zorginstellingen valt te denken. Met dit voorstel wordt een revival van de pre-pack mogelijk en kan de beoogde wet alsnog aangenomen worden.
Tot slot nog wat beschouwende overwegingen. Een andere oplossingsrichting die ik niet ongenoemd wil laten en het verkennen waard kan zijn, is gelegen in het maken van een onderscheid maakt tussen de (al dan niet 'gepre-packte') doorstart waarbij de doorstarter gelieerd is aan de oorspronkelijke ondernemer, vergelijkbaar met het in het Verenigd Koninkrijk gehanteerde begrip "connected party",15 en de doorstart waarbij een andere marktdeelnemer opteert voor overname van (een deel van) de failliete concurrent en haar personeel. Natuurlijk zal dit tot enige definitie- en handhavingsproblemen kunnen leiden en ook tot misbruikgevallen, maar het onderscheid legt wel de vinger op de zere plek: als een ondernemer uit is op een goedkope en snelle reorganisatie, zonder inachtneming van de normaliter geldende ontslagregels, vangt hij bot. Dan gelden de algemene spelregels, inclusief overgang van onderneming (alsook de reguliere selectiecriteria bij ontslag, de zware eenzijdige-wijzigingstoets bij aanpassing van arbeidsvoorwaarden etc.). Anders is dat bij overname door een andere marktdeelnemer, hetgeen dan zodanig zou moeten worden ingekleed dat laatstbedoelde doorstart plaatsvindt binnen de kaders van de liquidatiedoelstelling van het faillissement. Dat laatste is nog niet eenvoudig, want de manoeuvreerruimte is na Smallsteps beperkt. Het Hof heeft immers aan de 'herkomst' van de doorstarter (oftewel: is het een 'vreemde' doorstarter of niet?) vooralsnog geen betekenis gehecht. Bij de huidige stand van zaken lijkt het daarom hoe dan ook mis te gaan bij een pre-pack, vanwege het voorbereidende karakter dat daaraan nu eenmaal inherent is.
Daarmee raakt de discussie aan een andere, essentiële vraag: is de richtlijn niet aan wijziging toe? Gezien de breed (want: Europees) onderkende ontwikkeling van het insolventierecht die gaande is, van klassiek op liquidatie gericht, naar in toenemende mate (ook) strevend naar behoud van de onderneming, is het denkbaar dat niet het onderscheid liquidatie/voortzetting, maar het onderscheid gelieerde versus niet-gelieerde doorstart beslissend wordt geacht voor de vraag of toepasselijkheid van de richtlijn achterwege kan blijven. Uiteraard dient hieraan tevens de voorwaarde verbonden te blijven dat het per definitie en uitsluitend moet gaan om gevallen waarin sprake is van insolventie van de werkgever, die zijn beslag krijgt in een procedure die onder toezicht staat van een overheidsinstantie.
Een dergelijk onderscheid (gelieerde versus niet-gelieerde doorstart) zou overigens ook kunnen worden gemaakt bij de toets van opvolgend werkgeverschap: alleen bij een gelieerde doorstart tellen de dienstjaren van voor een faillissement mee. Nu het daarbij om een puur nationale aangelegenheid gaat, ligt het voor de hand bij een in de Nederlandse jurisprudentie ontwikkeld criterium aan te sluiten: het 'zodanige-banden'-criterium. Zo'n wetswijziging lijkt mij winst voor de doorstartpraktijk: er zou voor niet-gelieerde doorstarts een eind komen aan de in de Wwz geïntroduceerde verplichting (in artikel 7:673 lid 4) bij de berekening van de transitievergoeding ook dienstjaren uit de periode van vóór de doorstart te betrekken. Dit artikel zou naar mijn overtuiging onmiddellijke werking moeten hebben en zich daarmee zodoende tevens uitstrekken over zgn. oude doorstarts (van vóór 1 juli 2015), waarmee voor een belangrijk deel een einde komt aan de in dit hoofdstuk besproken 'Constar-problematiek', inclusief de breed gedeelde onwenselijkheid van het meetellen van oude dienstjaren van voor een doorstart (door een andere marktdeelnemer) bij een later ontslag.
Dit leidt tot de aanbeveling in de Faillissementswet tevens de volgende bepaling op te nemen:
Artikel 40y (opvolgend werkgeverschap)
In afwijking van artikel 668a lid 2 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 673 lid 4 aanhef en onder b, tweede volzin van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt een werkgever die een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer die in de voorafgaande periode van zes maanden in dienst is geweest van een werkgever die in staat van faillissement is verklaard uitsluitend ten aanzien van de verrichte arbeid als opvolgend werkgever beschouwd als tussen hem en de gefailleerde werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.16
Het gaat er, samenvattend, om een goed evenwicht te scheppen tussen reorganisaties buiten faillissement en de doorstart, waarbij de voordelen van het laatste zo veel als mogelijk veiliggesteld worden – niet in de laatste plaats ten behoeve van (een zo groot mogelijk opbrengst voor) de gezamenlijke schuldeisers, zonder aan de gerechtvaardigde belangen van een specifieke groep schuldeisers, te weten de werknemers tekort te doen. Dat kan met een aanpassing van met name de Faillissementswet en – daarmee samenhangend – ook boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Ik zou dan ook, met een knipoog naar de titel van het artikel van Tollenaar in het Tijdschrift voor Insolventierecht uit 2011,17 waarmee zoveel vaart in de discussie over de voor- en nadelen van een (voorbereide) doorstart werd gebracht, dit hoofdstuk willen eindigen met: "Faillissementswetgever van Nederland, geef werknemers meer rechten bij doorstarts!"