Ik merk op dat in de kop van de tweede pagina van de aanvulling op het verkorte arrest, een ander parketnummer is vermeld dan het parketnummer van de onderhavige zaak. Gelet op het inhoudelijk verband tussen de twee pagina’s, ga ik ervan uit dat dit een fout is.
HR, 10-02-2026, nr. 25/00319
ECLI:NL:HR:2026:182
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
25/00319
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:182, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1295
ECLI:NL:PHR:2025:1295, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:182
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0060
JIN 2026/33 met annotatie van mr. C. van Oort
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Mishandeling door buurvrouw met emmer tegen haar gezicht te slaan, art. 300.1 Sr. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis, nullus testis). Vindt verklaring van aangeefster (dat zij door verdachte met emmer is geslagen) voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Hof heeft geoordeeld dat feiten en omstandigheden waarover aangeefster heeft verklaard, in voldoende mate steun vinden in andere gebruikte bewijsmiddelen. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Door hof vastgesteld letsel volgt niet uit iets anders dan uit verklaring van aangeefster. Overige door hof gebruikte b.m. houden slechts in dat verdachte heeft verklaard dat het haar emmer was, dat zij naar buiten is gelopen om emmer terug te vragen en dat zij ook wel wordt aangesproken met naam A. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00319
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2025, nummer 21-002715-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 9 juni 2021 te [plaats] [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster] met een emmer tegen het gezicht te slaan.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2021, genummerd PL0900-2021180660-2, pagina’s 7 t/m 11, inclusief fotobijlagen, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangeefster:
Op woensdag 9 juni 2021 omstreeks 12:00 uur bevond ik mij in mijn woning gelegen aan [a-straat 1] te [plaats]. (...) Sinds januari 2021 word ik geterroriseerd door mijn buurvrouw [betrokkene 1] van [a-straat] nummer [2]. (...) Ik hoorde een deur en toen wist ik meteen hoe laat het was. [betrokkene 1] is namelijk erg luid en met ferme stappen hoorde ik haar in mijn richting lopen. (...) Met forse kracht pakte zij mijn emmer ik hoorde haar schreeuwen en met luide stem roepen: Dief! Dief! Dit is mijn emmer! Krankzinnige, krankzinnige!” (...) Tijdens dat ik omhoog kwam sloeg [betrokkene 1] mij met kracht tegen de rechterkant van mijn gezicht met mijn emmer. Ik voelde op dat moment direct pijn aan de zijkant van mijn gezicht. Het ging zo snel dat ik geen mogelijkheid kreeg mijn hoofd te beschermen want vervolgens sloeg zij mij met kracht tegen de bovenkant van mijn hoofd, ook met mijn emmer. Ik voelde een enorme pijn waardoor ik nu een hele zware hoofdpijn heb. Daarna kreeg ik de emmer deels in mijn gezicht waardoor ik nu een wondje heb boven mijn bovenlip en waardoor de binnenkant van mijn onderlip kapot is. Tevens heb ik door de klap een zwelling aan de rechterzijde van mijn neus.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 juni 2021, genummerd PL0900-2021180660-4, pagina’s 27 t/m 31, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:
Ik stond voor mijn keukenraam. Ik keek naar buiten en ik zag dat zij mijn emmer had. Ik dacht heey dat is mijn emmer. Ik ben toen naar buiten gelopen om mijn emmer terug te vragen. Ik wees naar mijn emmer en ik vertelde haar: Heey, dat is mijn emmer.
3. De vaststelling van het hof dat verdachte ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1].”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door aangeefster afgelegde verklaringen over het letsel en de wijze waarop dat is ontstaan niet zodanig inconsistent zijn dat ze onbetrouwbaar moeten worden geacht. De verklaring van aangeefster dat zij door verdachte met een emmer tegen het gezicht is geslagen, wordt bovendien ondersteund door het bij aangeefster geconstateerde letsel en door de verklaring van verdachte dat zij naar aangeefster is toegelopen en haar heeft aangesproken over (het gebruik van) de emmer. Het hof zal de verklaring van aangeefster dan ook voor het bewijs gebruiken en concludeert dat verdachte aangeefster op 9 juni 2021 met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Ik verzoek uw hof tot slot cliënte vrij te spreken omdat haar verklaring over wat is voorgevallen wordt ondersteund door min of meer objectief en/of geloofwaardig bewijsmateriaal, maar ook door de logica. Ten minste kan niet worden uitgesloten dat wat cliënte verklaart onaannemelijk is.
(...)
In haar aangifte stelt cliënte dat zij uit haar keukenraam zag dat [aangeefster] haar emmer had. Cliënte liep uit de voordeur langs haar en de emmer en zag dat de emmer inderdaad van haar was. Dan luidt het:
‘Ik wees naar de emmer en zei: “dat is mijn emmer”. Ik bukte naar voren om mijn emmer te pakken. Ik voelde ineens een harde klap op mijn hele rug. Ik voelde dat ze mij van achteren aanviel en ik voelde dat ze mij op mijn rug slagen gaf. Ik probeerde omhoog te komen, maar dat lukte niet. Ze sloeg ook met de emmer. Ik deed mijn armen voor mijn gezicht en over mijn hoofd. Ik probeerde weg te komen. Ik voelde dat ik nog steeds werd geslagen. Ik hoorde haar schelden op mij: “kutwijf, kutwijf”. Ik kwam iets omhoog en wilde richting mijn paadje lopen. Ik had nu mijn gezicht vrij. Op dat moment gooide ze een nat voorwerp in mijn gezicht. Ik voelde nat op de rechterkant van mijn gezicht en rechterborst, een zweepslag gevoel. Het deed erg veel pijn. Ik vluchtte naar binnen toe.’
(...)
Cliëntes verklaring over de omstandigheden is geloofwaardig gezien de volgende omstandigheden.
(...) Cliënte en [aangeefster] doen ongeveer tegelijk melding van mishandeling.
(...) Blijkens het relaas en het politieverhoor meldden [aangeefster] en cliënte het incident kort na elkaar aan de politie. [aangeefster] kennelijk om 14.39 uur en cliënte om 14.47 uur. Geconcludeerd moet daarom worden dat het slechts toeval was dat [aangeefster] het incident eerder meldde. Iets eerder slechts.
(...)
Cliëntes huisarts - dezelfde overigens als die van [aangeefster] - constateert een kras op cliëntes rug, maar ook krasjes op cliëntes onderarmen.”
2.3
Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)
2.4
Het hof heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden waarover de aangeefster heeft verklaard, in voldoende mate steun vinden in de andere gebruikte bewijsmiddelen. Dat oordeel is echter om de volgende redenen niet zonder meer begrijpelijk. Het door het hof vastgestelde letsel volgt niet uit iets anders dan uit de verklaring van de aangeefster. Daarnaast houden de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen slechts in dat de verdachte heeft verklaard dat het haar emmer was en dat zij naar buiten is gelopen om die emmer terug te vragen en dat zij ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1].
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mishandeling door met emmer in het gezicht te slaan. Volgens AG slaagt klacht dat bewijsvoering van hof niet voldoet aan bewijsminimum in art. 342 lid 2 Sv (unus testis nullus testis).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00319
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-002715-22) wegens “mishandeling”, veroordeeld tot een geldboete van € 250 subsidiair 5 dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het cassatiemiddel bevat vijf deelklachten over de bewijsvoering van het hof. Voorafgaand aan de bespreking van de klachten, geef ik daarom eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer.
2. De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen
2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 9 juni 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een emmer tegen het gezicht te slaan.”
2.2
Het hof heeft in de aanvulling op zijn verkorte arrest de volgende bewijsmiddelen opgenomen:1.
“1. Het proces-verbaal van aangifte van 9 juni 2021, genummerd PL0900-2021180660-2, pagina's 7 t/m 11, inclusief fotobijlagen, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van aangeefster:
Op woensdag 9 juni 2021 omstreeks 12:00 uur bevond ik mij in mijn woning gelegen aan [a-straat 1] te [plaats] . (...) Sinds januari 2021 word ik geterroriseerd door mijn buurvrouw [betrokkene 1] van [a-straat 2] . (...) Ik hoorde een deur en toen wist ik meteen hoe laat het was. [betrokkene 1] is namelijk erg luid en met ferme stappen hoorde ik haar in mijn richting lopen. (...) Met forse kracht pakte zij mijn emmer ik hoorde haar schreeuwen en met luide stem roepen: Dief! Dief! Dit is mijn emmer! Krankzinnige, krankzinnige!" (...) Tijdens dat ik omhoog kwam sloeg [betrokkene 1] mij met kracht tegen de rechterkant van mijn gezicht met mijn emmer. Ik voelde op dat moment direct pijn aan de zijkant van mijn gezicht. Het ging zo snel dat ik geen mogelijkheid kreeg mijn hoofd te beschermen want vervolgens sloeg zij mij met kracht tegen de bovenkant van mijn hoofd, ook met mijn emmer. Ik voelde een enorme pijn waardoor ik nu een hele zware hoofdpijn heb. Daarna kreeg ik de emmer deels in mijn gezicht waardoor ik nu een wondje heb boven mijn bovenlip en waardoor de binnenkant van mijn onderlip kapot is. Tevens heb ik door de klap een zwelling aan de rechterzijde van mijn neus.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 9 juni 2021, genummerd […] , pagina’s 27 t/m 31, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven-:
Ik stond voor mijn keukenraam. Ik keek naar buiten en ik zag dat zij mijn emmer had. Ik dacht heey dat is mijn emmer. Ik ben toen naar buiten gelopen om mijn emmer terug te vragen. Ik wees naar mijn emmer en ik vertelde haar: Heey, dat is mijn emmer.
3. De vaststelling van het hof dat verdachte ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1] .
2.3
De in het verkorte arrest opgenomen ‘Overweging met betrekking tot het bewijs’ van het hof houdt het volgende in:
“Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat het geen onafhankelijke getuigen betreffen. Daarnaast zijn de verklaringen van de getuigen volgens de raadsman onbetrouwbaar en ongeloofwaardig.
Ook de verklaringen van aangeefster zijn volgens de raadsman onbetrouwbaar en ongeloofwaardig en moeten daarom ook van het bewijs worden uitgesloten. Daartoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat aangeefster inconsistent heeft verklaard over zowel het letsel dat zij heeft opgelopen als hoe dat is ontstaan.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de door verdachte afgelegde verklaring, inhoudend dat aangeefster verdachte juist heeft geslagen in plaats van andersom, wordt ondersteund door de letselverklaring van de huisarts en de verklaring van [getuige 3] die een verse kras op de rug van verdachte heeft gezien.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de door aangeefster afgelegde verklaringen over het letsel en de wijze waarop dat is ontstaan niet zodanig inconsistent zijn dat ze onbetrouwbaar moeten worden geacht. De verklaring van aangeefster dat zij door verdachte met een emmer tegen het gezicht is geslagen, wordt bovendien ondersteund door het bij aangeefster geconstateerde letsel en door de verklaring van verdachte dat zij naar aangeefster is toegelopen en haar heeft aangesproken over (het gebruik van) de emmer. Het hof zal de verklaring van aangeefster dan ook voor het bewijs gebruiken en concludeert dat verdachte aangeefster op 9 juni 2021 met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen.”
3. De tweede deelklacht
3.1
Ik begin met de tweede deelklacht, waarin wordt geklaagd dat de bewijsvoering van het hof niet voldoet aan het bewijsminimum dat voortvloeit uit art. 342 lid 2 Sv (unus testis nullus testis).
3.2
Het volgende kan worden vooropgesteld. Volgens art. 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat art. 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. Bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.2.
3.3
De klacht is mijns inziens terecht voorgesteld. Het hof heeft in de aanvulling op zijn verkorte arrest drie bewijsmiddelen opgenomen. Het eerste bewijsmiddel betreft een proces-verbaal met de verklaring van de aangeefster, waarin zij onder meer verklaart dat haar buurvrouw “ [betrokkene 1] ” haar met een emmer heeft geslagen. De als bewijsmiddel 3 aangeduide “vaststelling van het hof dat verdachte ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1] ” beschouw ik als een verduidelijking dat het hof (kennelijk op basis van andere stukken) heeft begrepen dat de aangeefster met “ [betrokkene 1] ” de verdachte bedoelt. Aan die “vaststelling” komt verder bij de beoordeling van de unus testis-klacht geen zelfstandige betekenis toe. Daarmee resteert bewijsmiddel 2; een proces-verbaal met de verklaring van de verdachte. Die verklaring bevestigt de verklaring van de aangeefster op het onderdeel dat, zoals het hof overweegt, de verdachte “naar aangeefster is toegelopen en haar heeft aangesproken over (het gebruik van) de emmer.” Anders gezegd, vindt de aanwezigheid van de verdachte ter plaatse, en de situatie waarbinnen volgens de aangeefster de mishandeling plaatsvond, steun in de verklaring van de verdachte. Ik meen dat die verklaring daarmee in dit geval onvoldoende steunbewijs vormt voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte de aangeefster ook met een emmer tegen het gezicht heeft geslagen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat zo’n bevestiging van de aanwezigheid van de verdachte en van de situatie waarbinnen het vermeende strafbare feit heeft plaatsgevonden, niet zonder meer voldoende steunbewijs oplevert. Gewezen kan worden op de zaak die ten grondslag lag aan HR 14 mei 2024.3.De verklaring van de verdachte dat hij werkzaam was als masseur in de betreffende massagesalon en hij volgens het klantensysteem op de tenlastegelegde dag de aangeefster een massage had gegeven, bood in die zaak (naast nog ander als zodanig aangemerkt steunbewijs) onvoldoende steun aan de verklaring van de aangeefster dat de verdachte tijdens de massage ontuchtige handelingen bij haar had gepleegd. In de zaak die leidde tot het arrest HR 13 februari 20184., was de bevestiging van de aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de minderjarige aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, niet toereikend steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar op die specifieke locaties – kort gezegd – seksueel had misbruikt.
3.4
In dit geval reikt de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte niet verder dan dat zij naar buiten is gegaan en tegen de aangeefster heeft gezegd dat het haar emmer was. Zonder bijkomende omstandigheden, biedt deze verklaring naar mijn mening onvoldoende steun aan de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar met de emmer heeft geslagen.
3.5
Ik merk nog op dat het hof in zijn bewijsoverweging heeft overwogen dat de verklaring van de aangeefster ook wordt ondersteund door “het bij de aangeefster geconstateerde letsel”. Voor zover het hof heeft beoogd dit geconstateerde letsel voor het bewijs van het tenlastegelegde te gebruiken, heeft het verzuimd het bewijsmiddel aan te duiden waaraan het hof het bestaan van dit letsel heeft ontleend.5.Daarmee kan dit (kennelijk) geconstateerde letsel geen rol spelen bij de beoordeling in cassatie of de bewijsvoering van het hof het bewijsminimum in art. 342 lid 2 Sv ontstijgt.
4. Slotsom
4.1
De tweede deelklacht van het middel is terecht voorgesteld. De overige deelklachten behoeven daarom geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑12‑2025
Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515 m.nt. M.J. Borgers.
ECLI:NL:HR:2018:189, NJ 2018/297 m.nt. N. Rozemond.
Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69 m.nt. M.J. Borgers onder NJ 2008/70.