Dit lijkt mij een toelaatbare beperking van het cassatieberoep. Vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59 m.nt. P. Mevis.
HR, 08-07-2025, nr. 23/04856
ECLI:NL:HR:2025:1080
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/04856
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1080, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:4349
ECLI:NL:PHR:2025:633, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑06‑2025
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Aanwezig hebben van 97,3 gram hasj, art. 3.C jo. 11.1 Opiumwet. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 427.2.a Sv. Uit bewezenverklaring, die niet inhoudt dat verdachte het feit opzettelijk heeft begaan, blijkt dat ‘s hofs uitspraak over dit feit betrekking heeft op overtreding. Hof heeft voor dit feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. O.g.v. art. 427 Sv staat tegen ’s hofs uitspraak t.a.v. dit feit geen cassatieberoep open. Om die reden kan HR het cassatieberoep van verdachte niet in behandeling nemen. Verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04856
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 december 2023, nummer 20-001514-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep beperkt tot de veroordeling voor feit 3. Namens de verdachte heeft de advocaat M.C. van der Want bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Uit de bewezenverklaring, die niet inhoudt dat de verdachte het feit opzettelijk heeft begaan, blijkt dat de uitspraak van het hof over feit 3 betrekking heeft op een overtreding. Het hof heeft voor dat feit toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Op grond van artikel 427 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen de uitspraak van het hof ten aanzien feit 3 geen cassatieberoep open. Om die reden kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 10‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Geen beroep in cassatie mogelijk, omdat het veroordeling wegens overtreding betreft, waarvoor hof met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel heeft opgelegd (art. 427 lid 2 onder a Sv). Kwalificatie als misdrijf betreft kennelijke vergissing en maakt dat niet anders. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04856
Zitting 10 juni 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 8 december 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens onder 1 "overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (145 microgram)" en onder 3 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld. Het hof heeft met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep beperkt tot “de veroordeling van feit 3”.1.M.C. van der Want, advocaat in Middelburg, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 6 september 2012 te Middelburg aanwezig heeft gehad ongeveer 97,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.2
De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte ongeveer 97,3 gram, maar in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hasj aanwezig heeft gehad. Bewezenverklaard is niet dat de verdachte dit opzettelijk zou hebben gedaan. Dit is ook niet aan de verdachte tenlastegelegd. Gelet op art. 11 lid 1 in samenhang met art. 13 lid 1 van de Opiumwet gaat het hier dus om een overtreding, en niet om een misdrijf.2.Het hof heeft ter zake van het onder (1 en) 3 bewezenverklaarde toepassing gegeven aan art. 9a Sr en geen straf of maatregel opgelegd.
2.3
Op grond van artikel 427 lid 2 Sv staat voor de verdachte geen cassatieberoep open tegen arresten betreffende overtredingen indien met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd. De Hoge Raad kan het beperkt ingestelde cassatieberoep daarom niet in behandeling nemen.3.Dat het hof het bewezenverklaarde door een kennelijke vergissing heeft gekwalificeerd als een misdrijf, maakt dat niet anders.4.
3. Slotsom
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑06‑2025
Vgl. HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622, r.o. 2.3.1.
Zie bijv. HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1309.
HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2237.