Verwezen wordt naar paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Regio Limburg Zuid, proces-verbaalnummer PL2440 2012035849, gesloten d.d. 13 april 2012, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 24.
Rb. Limburg, 22-05-2018, nr. 03/142514-12, 03/866337-15 (ttzgev), 03/165452-15 (ttzgev), 03/700644-14 (ttzgev)
ECLI:NL:RBLIM:2018:4716, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
22-05-2018
- Zaaknummer
03/142514-12, 03/866337-15 (ttzgev), 03/165452-15 (ttzgev), 03/700644-14 (ttzgev)
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2018:4716, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 22‑05‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBLIM:2018:4494, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 15‑05‑2018; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:2586, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 22‑05‑2018
Inhoudsindicatie
Mishandeling en wederspannigheid; vrijspraak belaging
Partij(en)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers: 03/142514-12, 03/866337-15 (ttzgev), 03/165452-15 (ttzgev), 03/700644-14 (ttzgev)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 mei 2018
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum] 1954 ,
wonende te [adres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 mei 2018. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit met parketnummer 03/142514-12:
Feit 1: geprobeerd heeft [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen, dan wel [slachtoffer 1] heeft bedreigd;
Feit 2: een muur van [slachtoffer 1] heeft beschadigd;
Feit 3: verzet heeft gepleegd tegen politieambtenaren;
Feit 4: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
Feit met parketnummer 03/866337-15
Feit 1: stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (belaging);
Feiten 2 en 3: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld en bedreigd;
Feit met parketnummer 03/165452-15: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;
Feit met parketnummer 03/700644-14: verzet heeft gepleegd tegen politieambtenaren.
3. De voorvragen
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de dagvaarding gedeeltelijk nietig te verklaren ten aanzien van het feit met parketnummer 03/866337-15 (de belaging), omdat dit feit verjaard zou zijn voor zover het de periode januari 2006 tot 4 juli 2011 betreft. De rechtbank begrijpt dat de raadsvrouw bedoeld heeft te verzoeken de officier van justitie voor dat gedeelte niet ontvankelijk in zijn vervolging te verklaren, want dat zou immers het gevolg zijn van het gegeven dat feiten verjaard zouden zijn.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Het verweer ziet op het recht tot vervolging van de officier van justitie. De verjaringstermijn voor misdrijven waarop niet meer dan 3 jaren gevangenisstraf is gesteld, waaronder het misdrijf belaging van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, is 6 jaren.
Belaging betreft echter naar haar aard een voortdurend en opbouwend delict. De gedragingen die aan de beginperiode zijn gepleegd leveren niet altijd meteen het misdrijf “belaging” op, doch pas indien dit gedurende een bepaalde periode is gebeurd. Dan kan het aanvangstijdtip van de verjaring bepaald worden op het moment dat er een einde is gekomen aan de belagende gedragingen, in casu eind februari 2015. Dat brengt mee dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van de gehele tenlastegelegde periode.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten bewezen met uitzondering van feit 1 met parketnummer 03/142514-12 (poging zware mishandeling dan wel bedreiging van [slachtoffer 1] ).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
De vrijspraken
Feit met parketnummer 03/142514-12:
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft zijn buurman [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen of te bedreigen door met een steen naar hem te gooien. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een steen op het terras van [slachtoffer 1] gegooid heeft vanaf de grens tussen zijn tuin en die van zijn buurman, maar nadrukkelijk betwist dat die steen in de richting van [slachtoffer 1] is gegooid. De rechtbank vindt voor het gooien van de steen in de richting van [slachtoffer 1] onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in de verklaringen van [slachtoffer 1] en zijn echtgenote [slachtoffer 2] , nu deze verklaringen te veel tegenstrijdigheden bevatten.
Omdat niet bewezen kan worden dat de steen die de verdachte gooide door deze handeling in de keuken van aangevers is beland, kan ook niet bewezen worden dat de beschadiging aan de muur door toedoen van de verdachte is ontstaan. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte van feit 1, zowel primair als subsidiair, en van feit 2 met voornoemd parketnummer zal vrijspreken.
Ook voor feit 4 in die zaak ontbreekt het bewijs. De verdachte ontkent ook dit feit nadrukkelijk. De door aangever gemaakte filmbeelden zijn onduidelijk en niet bruikbaar voor het bewijs. De constatering van de huisarts dat aangever [slachtoffer 1] een rood oog had, levert ook onvoldoende steunbewijs op voor de aangifte. Per saldo is er dus slechts één bewijsmiddel beschikbaar in de vorm van de aangifte. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum en zal vrijspraak moeten volgen.
Feit met parketnummer 03/700644-14
De verdachte wordt verweten dat hij zich verzet heeft tegen zijn aanhouding door politieambtenaren op 12 november 2014 in Guttecoven . Volgens de raadsvrouw waren deze ambtenaren niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en moet vrijspraak volgen. De rechtbank geeft haar daarin gelijk en overweegt het volgende.
Volgens het dossier werd de verdachte aangehouden op grond van de verdenking dat hij een politieambtenaar had bedreigd. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van brigadier [verbalisant 1] waarin hij beschrijft dat de verdachte een dreigende houding tegen hem aannam met een schop. Van het incident en de aanhouding zijn camerabeelden getoond ter terechtzitting, afkomstig van beveiligingscamera’s. Op deze beelden heeft de rechtbank ter terechtzitting niet kunnen waarnemen waarop die verdenking van bedreiging gebaseerd kan zijn geweest, omdat niet te zien is dat de verdachte de schop ook zodanig heeft opgeheven dat daaruit bij politieambtenaar [verbalisant 1] de redelijke vrees kon ontstaan voor het verlies van zijn leven of voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet worden gesproken van een redelijke verdenking vereist als rechtmatige basis voor het toepassen van het dwangmiddel aanhouding Daarmee vervalt ook de grond voor de aanhouding van de verdachte door andere politieambtenaren wier hulp werd ingeroepen. Nu het bestanddeel ‘rechtmatige uitoefening van de bediening’ niet bewezen kan worden verklaard, dient vrijspraak te volgen.
Feiten met parketnummer 03/866337-15
De tenlastelegging vermeldt dat de verdachte een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Deze inbreuken bestaan volgens de opsteller van de tenlastelegging uit:
- -
het over de schutting gluren;
- -
filmpopnamen maken;
- -
voorwerpen over de schutting gooien;
- -
afval/ontlasting op de oprit gooien;
- -
het openen van het keukenraam door de verdachte en vervolgens schreeuwen, spugen of spullen gooien.
Het dossier bevat logboeken die aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben bijgehouden vanaf december 2006 tot en met februari 2015 in het kader van langslepende spanningen en conflicten tussen aangevers, de verdachte en een andere buurman. De rechtbank constateert dat het aantal incidenten tot aan 2013 in aantal niet zo groot is, nog los van de vraag of de incidenten aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Zo zou er in 2009 sprake zijn geweest van acht keer blokkeren, hinderlijk parkeren en zich onnodig ophouden op de oprit van aangevers door de verdachte en in 2010 van drie keer hinderlijk parkeren. In 2011 zou de verdachte een groter raam in de muur van zijn woning hebben aangebracht. De frequentie van incidenten acht de rechtbank niet zodanig dat er sprake zou kunnen zijn van stelselmatige, opzettelijke inbreuken op het leven van aangevers. Bovendien geldt dat het aanbrengen van een raam in een muur van de eigen woning niet automatisch een ongerechtvaardigde inbreuk op andermans privacy oplevert. Ook andere incidenten, zoals het weigeren door de verdachte om een boom weg te halen, vallen niet onder het begrip opzettelijke inbreuk op andermans privacy.
Belangrijker is dat van veel van de beschreven incidenten helemaal niet vastgesteld kan worden dat de verdachte deze begaan heeft of daarbij betrokken is geweest. Overlast van ratten is uiteraard heel vervelend, maar er is geen bewijs dat de verdachte deze rattenoverlast opzettelijk heeft veroorzaakt of laten bestaan met het doel zijn buren te treiteren. Ook worden er handelingen door aangevers specifiek aan de echtgenote van de verdachte toegeschreven. De opsteller van de tenlastelegging heeft echter geen medeplegen opgenomen, dus die handelingen, als ze al bewezen geacht kunnen worden op basis van de getuigenverklaring van beide aangevers, kunnen de verdachte niet worden aangerekend.
Vanaf 2013 melden aangevers zeer veel incidenten (tientallen of zelfs meer dan honderd in 2013). Die bestaan volgens aangevers onder meer uit (intimiderend) staren, gluren, foto’s maken, dreigende blikken, grijnzen, lawaai maken en het zich in de beleving van aangevers door de verdachte onnodig ophouden op de oprit en in zijn tuin. Verder zou de verdachte voortdurend zijn keukenraam openen, zodra aangevers zich op de oprit bevonden. Ook zou er met uitwerpselen, tissues en andere voorwerpen gegooid zijn. Ook voor deze gemelde gedragingen geldt dat veelal niet vastgesteld kan worden dat de verdachte die begaan heeft of dat deze juist door aangevers worden toegeschreven aan zijn echtgenote.
Andere gedragingen, voor zover je die aan zou kunnen nemen op basis van de verklaringen van aangevers, zoals het kijken door de tuinafscheiding naar de buren, kunnen zonder de subjectieve en door het conflict ingekleurde interpretatie van aangevers als normale gedragingen worden beschouwd. Voor het maken van foto’s (en het gebruik van beveiligingscamera’s) geldt ten slotte dat uit het dossier duidelijk wordt dat dit in het kader van het langslepende burenconflict over en weer gebeurt. Niet valt in te zien dat dat van de zijde van de verdachte als belaging moet worden aangemerkt.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte zich aan belaging heeft schuldig gemaakt. Zij zal hem van dit feit dan ook vrijspreken.
Ook van de feiten 2 en 3 van voornoemd parketnummer zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. De rechtbank komt tot die vrijspraak omdat de verklaringen van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] uiteenlopen en tegenstrijdig zijn. Zo heeft aangever [slachtoffer 3] het over het grijpen bij de keel van [slachtoffer 1] , terwijl aangever [slachtoffer 1] daar zelf niets over heeft gezegd. Omgekeerd heeft [slachtoffer 1] het over het slaan van [slachtoffer 3] , maar daar heeft [slachtoffer 3] in zijn aangifte weer niets over gezegd. Verder is onduidelijk waarmee de verdachte hen bedreigd dan wel geslagen zou hebben. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit gebeurd zou zijn met een stuk hout of een stok, terwijl [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de verdachte een langwerpig voorwerp, lijkend op een stuk betonplex in handen heeft gehad. De verdachte heeft wel bevestigd dat hij een latje in handen had, maar heeft nadrukkelijk betwist dat hij hiermee gedreigd heeft. Op basis van de tegenstrijdige verklaringen van aangevers kan dan ook geen bedreiging worden aangenomen.
3.3.2.
De bewijsmiddelen voor de overige feiten en de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het bewijs
Zaak met parketnummer 03/142514-12 feit 3 1.
Op 30 maart 2012 wilden politieambtenaren de verdachte aanhouden op basis van de verdenking dat hij een straatklinker naar zijn buurman [slachtoffer 1] had gegooid. De verbalisanten arriveerden ter plaatse op het adres [adres slachtoffer 1+2] te in Guttecoven , nadat zij omstreeks 17.30 uur van de meldkamer de opdracht hadden gekregen daarheen te gaan. [slachtoffer 1] gaf aan dat hij aangifte wilde doen van het feit dat de verdachte een straatklinker naar hem gegooid had en wees een klinker aan die in zijn keuken op de vloer lag. De verbalisanten namen deze klinker waar en zagen op aanwijzing van aangever een beschadiging in de muur. In overleg met hun leidinggevende besloten de verbalisanten, hoofdagent [verbalisant 3] en brigadier [verbalisant2] , over te gaan tot aanhouding.
Nadat verbalisant [verbalisant 2] de verdachte had medegedeeld dat hij was aangehouden ter zake van poging tot zware mishandeling en vernieling, draaide de verdachte zich om en liep hij weg. [verbalisant 2] heeft de verdachte vervolgens vastgegrepen en bij herhaling medegedeeld dat hij mee moest komen. Daarop begon de verdachte te rukken en te trekken in een andere richting dan waarin [verbalisant 2] hem probeerde te bewegen. Omdat de verdachte een fors postuur had en behoorlijke kracht, werkte [verbalisant 2] hem met een voetveeg tegen de grond. Nadat de verdachte had ingestemd mee te zullen werken en overeind gekomen was, liep hij echter weer in de richting van zijn woning. Toen [verbalisant 2] hem daarop weer vastpakte, ontdeed de verdachte zich van zijn t-shirt. De verdachte is vervolgens vrijwillig meegegaan.2.De aanhouding vond plaats om 18.00 uur.3.
Op basis van het hiervoor weergegeven bewijs in de vorm van de bevindingen van de verbalisanten kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte verzet heeft gepleegd tegen zijn aanhouding. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen sprake meer was van een heterdaadsituatie, als gevolg waarvan die aanhouding als onrechtmatig moet worden aangemerkt en er vrijspraak zou moeten volgen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Er verstrijkt nu eenmaal enige tijd tussen de melding bij de politie van aangevers en het uitsturen van een beschikbare surveillance. Dat maakt nog niet dat van een heterdaadsituatie geen sprake meer is. De verbalisanten hebben vervolgens terecht eerst de tijd genomen om de aangever en diens partner te horen en onderzoek te doen om vast te stellen of sprake was van een redelijke verdenking die als rechtmatige basis zou kunnen dienen voor het toepassen van het dwangmiddel aanhouding.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop het feit zich heeft afgespeeld volgens aangever, gelegen na 16.45 uur, de opdracht van 17.30 uur en het optreden van de politieambtenaren gericht op de opsporing en daarna de aanhouding, nog valt binnen het criterium “terstond nadat het feit is begaan” van artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop is dus sprake geweest van rechtmatig binnentreden ook zonder schriftelijke machtiging daartoe.
Zaak met parketnummer 03/165452-154.
[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van mishandeling. Volgens aangever heeft de verdachte hem op 14 augustus 2015 te Guttecoven tegen een muur geduwd. Hierdoor had aangever krassen op zijn rechter elleboog opgelopen. De verbalisant die de aangifte opnam zag een kleine kras op de rechter elleboog van aangever.5.
Ter terechtzitting zijn camerabeelden bekeken van het incident. De rechtbank heeft op die beelden waargenomen dat de verdachte, die ter terechtzitting ook verklaard heeft ter plaatse te zijn geweest, aangever [slachtoffer 1] tegen een muur heeft geduwd.
Op grond van de bewijsmiddelen, de aangifte van [slachtoffer 1] en de waarneming van het letsel, alsmede de waarneming van de rechter ter terechtzitting, kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld.
De rechtbank acht niet alles bewezen wat ten laste is gelegd onder dit feit. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte hem ook de keel heeft dichtgeknepen en heeft geslagen, maar dat heeft de rechtbank niet aan de hand van de beelden kunnen bevestigen. Er is weliswaar een slaande beweging te zien van de verdachte, maar niet duidelijk is of [slachtoffer 1] ook geraakt werd. Ook is te zien dat de verdachte naar de keel van [slachtoffer 1] grijpt, maar niet dat de verdachte die keel ook daadwerkelijk vast heeft gepakt. Nu de verdachte uitdrukkelijk betwist dat hij de handelingen heeft begaan zoals ten laste gelegd, is er onvoldoende wettig bewijs om hem daarvoor te beoordelen. Dat alles leidt tot een partiele vrijspraak van dit feit. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat [slachtoffer 1] ten tijde van het gebeuren een dikke jas droeg en dus geen letsel zou kunnen hebben opgelopen aan zijn elleboog door de gedragingen van verdachte. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 1] een jas droeg, niet dat hij een dikke jas droeg. Het dragen van een jas betekent niet dat daardoor geen verwonding in de vorm van een kras kan ontstaan.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Zaak met parketnummer 03/142514-12 feit 3
op 30 maart 2012 te Guttecoven toen een aldaar dienstdoende politieambtenaar [verbalisant2] (brigadier van politie) verdachte, op verdenking van het overtreden van artikel 45 jo 302 Wetboek van Strafrecht en artikel 350 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en had vastgegrepen zich met geweld tegen genoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaar verdachte trachtte te geleiden;
Zaak met parketnummer 03/165452-15
op 14 augustus 2015 te Guttecoven [slachtoffer 1] heeft mishandeld door
[slachtoffer 1] te duwen.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 3 met parketnummer 03/142514-12:
wederspannigheid
Feit met parketnummer 03/165452-15
mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Psychiater K. Foeken heeft over de geestvermogens van de verdachte op 9 december 2017 een rapport uitgebracht. De rechtbank komt op basis van de in dat rapport vervatte bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid (geheel) uitsluit. De gedragsdeskundige heeft beschreven dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten lijdende was aan enige stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.
De verdachte is derhalve strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De straf en/of de maatregel
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden op gelegd van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt naar voren gebracht ten aanzien van de op te leggen straf voor het geval de rechtbank haar vrijspraakverweren niet volgt.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft strafbare feiten gepleegd in het kader van een zeer langdurige en slopende conflictsituatie met zijn buren. De rechtbank acht aanzienlijk minder feiten bewezen dan de officier van justitie voor ogen heeft gestaan. Dat betekent dat de rechtbank alleen al om die reden tot een veel lagere straf komt. Ook acht zij een gevangenisstraf niet gepast.
De omstandigheden waaronder de verdachte de feiten heeft begaan, zijn inmiddels ruim publiekelijk bekend en de rechtbank ziet ervan af om deze nog uitgebreid te beschrijven. Helder is verder dat er zeer intensieve bemoeienis van diverse instanties nodig is geweest bij dit conflict met als triest eindpunt dat de verdachte en zijn voormalige buurman [voormalig buurman verdachte] vervolgd zijn door justitie en er mogelijk nog een vervolging van een derde volgt. De verdachte en zijn voormalige buurman zijn psychisch door de onophoudelijke conflictueuze situatie flink aangedaan en ook andere naast betrokkenen hebben onder de situatie geleden. Al met al komt deze strafzaak voort uit een situatie die veel verliezers heeft gekend.
Dat alles neemt niet weg dat de verdachte niet het recht heeft zijn buurman te mishandelen. Doorgaans wordt een eenvoudige mishandeling als de onderhavige afgedaan met een geldboete. De rechtbank zou, als dit het enige feit was geweest, gelet op alle omstandigheden volstaan hebben met een rechterlijk pardon.
Ernstiger vindt de rechtbank het verzet tegen politieambtenaren. Zij oefenen een vaak moeilijke taak uit, die van groot maatschappelijk belang is. Geconfronteerd met de vele aangiften, meldingen en wat dies meer zij in deze zaak hebben zij geprobeerd hun taak naar eer en geweten uit te oefenen. Brigadier [verbalisant 2] heeft door het verzet van de verdachte letsel opgelopen. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan en ook in algemene zin moet er een signaal gegeven worden dat geweld tegen mensen met een publieke taak niet toelaatbaar is en leidt tot een sanctie. Daarom acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf gepast en geboden en wel voor de duur van 20 uren.
Daar staat tegenover dat de verdachte ernstig geleden heeft en nog steeds ernstige psychische klachten heeft als gevolg van het conflict, als ook dat de feiten enigszins gedateerd zijn. Bovendien is de angel uit het conflict, heeft de verdachte een blanco strafblad en is er geen gevaar voor herhaling. Dat alles brengt de rechtbank ertoe de taakstraf voorwaardelijk op te leggen.
8. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding ter zake van de feiten met parketnummers 03/165452-15 en 03/866337-15. Het betreft een bedrag van € 3.500,- voor geleden immateriële schade (smartengeld). Daarnaast vordert de benadeelde partij vergoeding van gemaakte reiskosten en de kosten van het eigen risico van de ziektekostenverzekering.
De benadeelde partij W.A.L.M. [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.700,- ter zake van het feit met parketnummer 03/866337-15 (belaging). Het betreft immateriële schade (smartengeld). Daarnaast vordert zij een vergoeding van gemaakte reiskosten.
De benadeelde partij M.N.M. [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 1.000,- ter zake van de feiten 2 en 3 met parketnummer 03/866337-15. Dit betreft immateriële schade (smartengeld).
8.1
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren, nu zij de verdachte zal vrijspreken van de feiten waarop de vorderingen gebaseerd zijn (overeenkomstig artikel 361, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering).
Dat geldt eveneens voor de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor zover deze gebaseerd is op feiten waarvan de rechtbank de verdachte vrij zal spreken.
Voor zover deze vordering betrekking heeft op de bewezenverklaarde mishandeling (het feit met parketnummer 03/165452-15), zal de rechtbank de vordering afwijzen. Zij overweegt daartoe dat de bewezenverklaarde mishandeling van [slachtoffer 1] heeft bestaan uit een duw, waarbij het letsel dat [slachtoffer 1] bij die mishandeling heeft opgelopen van geringe aard is. Er kan dan ook redelijkerwijs van uit worden gegaan dat deze mishandeling niet heeft geleid tot immateriële schade van enige omvang.
9. De wettelijke voorschriften
10. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de volgende tenlastegelegde feiten:
- feit 1 (primair en subsidiair), feit 2 en feit 4 van de zaak met parketnummer
03/142514-12;
- -
feit 1, feit 2 en feit 3 van de zaak met parketnummer 03/866337-15;
- -
het feit met parketnummer 03/700644-14;
Bewezenverklaring
- -
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- -
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- -
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- -
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
- -
veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot een taakstraf voor de duur van 20 uren;
- -
bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 jaren zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregel(en)
- -
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] , wonende te Guttecoven , niet-ontvankelijk in haar vordering ter zake van de feiten 2 en 3 met parketnummer 03/866337-15;
- -
bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt;
- -
wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te Guttecoven , voor zover betrekking hebben op het bewezenverklaarde feit met parketnummer 03/165452-15, af;
- -
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te Guttecoven , voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- -
bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt;
- -
verklaart de benadeelde partij W.A.L.M. [slachtoffer 2], wonende te Guttecoven , niet-ontvankelijk in haar vordering ter zake van feit 1 met parketnummer 03/866337-15;
- -
bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, en mr. dr. D.L.F. de Vocht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 mei 2018.
Buiten staat
Mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs en mr. dr. D.L.F. de Vocht zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Zaak met parketnummer 03/142514-12)
1.
hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Guttecoven , in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een (bak)steen ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) die (bak)steen (met kracht) in de richting van genoemde [slachtoffer 1] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (parketnummer 142514-12)
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Guttecoven , in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (bak)steen ter hand genomen en/of (vervolgens) (met kracht) die (bak)steen in de richting van genoemde [slachtoffer 1] gegooid; (parketnummer 142514-12)
2.
hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Guttecoven , gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een wand, althans een muur (behorende tot het pand gelegen aan de [adres slachtoffer 1+2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; (parketnummer 142514-12)
3.
hij op of omstreeks 30 maart 2012 te Guttecoven , in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, toen (een) aldaar dienstdoende politieambtena(a)r(en) [verbalisant2] (brigadier van politie, regio Limburg Zuid) en/of [verbalisant 3] (hoofdagent van politie, regio Limburg Zuid) verdachte, op verdenking van het overtreden van artikel 45 jo 302 Wetboek van Strafrecht en/of artikel 350 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een
hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, te weten Districtsbureau Maastricht, zich met geweld tegen genoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden; (parketnummer 03/142514-12)
4.
hij op of omstreeks 07 oktober 2013 te Guttecoven , in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ), bij de keel heeft gegrepen en/of tegen de keel en/of het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (parketnummer 03/180690-13)
Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 03/165452-15
1.
hij op of omstreeks 14 augustus 2015 te Guttecoven , in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door (met kracht) de keel van voornoemde
[slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of meermalen, althans eenmaal, te duwen en/of te slaan tegen het lichaam van deze [slachtoffer 1] ; (parketnummer 03/165452-15)
Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 03/866337-15
1.
hij in of omstreeks de periode van januari 2006 tot en met februari 2015 te Guttecoven , in de gemeente Sittard-Geleen,, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van K. [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval die ander
te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij verdachte, in die periode, met voornoemd oogmerk, veelvuldig
-over de schutting gegluurd terwijl genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] buiten in de tuin waren en/of
-foto’s dan wel filmopnamen gemaakt van genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
-voorwerpen (puin) over de schutting gegooid en/of
-afval en/of ontlasting van dieren althans voorwerpen op de oprit gegooid en/of
-het keukenraam geopend terwijl genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich op deze oprit bevonden om vervolgens dingen in de richting van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te schreeuwen en/of in hun richting te staren en/of spugen, dan wel spullen op de oprit te gooien; (parketnummer 03/86337-15)
2.
hij op of omstreeks 22 augustus 2013 te Guttecoven , gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] te slaan en/of te duwen en/of bij de keel te grijpen;
3.
hij op of omstreeks 22 augustus 2013 te Guttecoven , gemeente Sittard-Geleen, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een voorwerp boven zijn hoofd gehouden terwijl hij in de richting van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] liep en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Donder op!" en/of "Maak dat jullie wegkomen!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Tenlastelegging bij gevoegde verdachte met parketnummer: 03/700644-14
1.
hij, op of omstreeks 12 november 2014 te Guttecoven , in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, toen de aldaar dienstdoende politieambtena(a)r(en) [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Limburg, en/of [verbalisant 4] , brigadier van politie Eenheid Limburg, en/of [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Limburg, en/of [verbalisant 6] , agent van politie Eenheid Limburg, en/of [verbalisant 7] , brigadier van politie Eenheid Limburg, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den), teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich meermalen, althans eenmaal, met geweld heeft
verzet tegen bovengenoemde politieambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, door zich opzettelijk gewelddadig los te rukken en/of in een richting te bewegen tegengesteld aan de richting waarin voornoemde politieambtena(a)r(en) hem, verdachte, trachtte(n) te geleiden;
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑05‑2018
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 12 en 13.
Het proces-verbaal aanhouding, dossierpagina 17.
Verwezen wordt naar paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Regio Limburg Zuid, proces-verbaalnummer PL2440 2015152689, gesloten d.d. 19 augustus 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 21.
Het proces-verbaal aangifte, dossierpagina 3, onderaan de pagina en pagina 4 onder korte opmerking verbalisant.
Uitspraak 15‑05‑2018
Inhoudsindicatie
ronselen voor de gewapende strijd en deelname terroristische organisatie; artikel 205 en 140a Wetboek van Strafrecht
Partij(en)
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/721877-16
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 mei 2018
in de strafzaak tegen
[naam verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
gedetineerd in de P.I. Vught, Nieuw Vosseveld, te Vught.
De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.M. Seebregts, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 mei 2018. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
2. De tenlastelegging
De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat de verdachte geworven heeft voor de gewapende strijd van terreurorganisatie IS (of dat geprobeerd heeft) en dat hij lid van die organisatie is geweest.
3. De voorvragen
Aan de verdachte is onder feit 1 subsidiair ten laste gelegd dat hij geprobeerd heeft te werven voor de gewapende strijd overeenkomstig artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht. Bij de verfeitelijking zijn dezelfde aan de verdachte toe te rekenen uitspraken en handelingen opgenomen als bij het primair tenlastegelegde. De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de dagvaarding op dit punt nietig moet worden verklaard. Dit onderdeel levert namelijk een overbodige beschuldiging op omdat de rechtbank niet ziet hoe sprake zou kunnen zijn van poging in het kader van artikel 205 Sr, gelet op het navolgende.
Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie omtrent artikel 205 Sr volgt dat aan het begrip werven een zeer ruime uitleg mag worden gegeven. Het kan op allerlei manieren plaatsvinden en het kan gaan om een proces van beïnvloeding, zonder dat van belang is of dit tot enig resultaat heeft geleid. Het betreft dan “beïnvloeden, het ideologisch rijp maken” of “bespelen met behulp van communicatiemiddelen” of “benaderen teneinde te overreden”. Het delict van artikel 205 Sr is al voltooid “wanneer er zich een handeling heeft geopenbaard die ertoe strekt iemand tot aansluiting te bewegen.” Daarmee is er dus taalkundig maar ook inhoudelijk een groot raakvlak met de poging, waarbij vereist is dat “een voornemen zich heeft geopenbaard door een begin van uitvoering”. Omdat het delict van 205 Sr al zo snel voltooid kan zijn, ziet de rechtbank niet voor zich hoe iemand zich schuldig gemaakt kan hebben aan een poging tot werven voor de gewapende strijd.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte als lid van IS vier personen voor de strijd van die terreurorganisatie heeft geworven (feit 1 primair). Volgens de officier van justitie is de verdachte gedurende lange tijd actief bezig geweest jihadstrijders te ronselen. De officier van justitie baseert zijn standpunt op verklaringen van getuigen en op het bij de verdachte aangetroffen propagandamateriaal.
De officier van justitie heeft verder betoogd dat de verdachte trouw heeft gezworen aan de leider van IS, [IS leider] , waarmee hij zich heeft aangesloten bij IS. Dat is op zichzelf niet genoeg om de verdachte te veroordelen, maar omdat de verdachte daarnaast actief voor IS geronseld heeft, is hij strafbaar voor dit lidmaatschap op grond van artikel 140a in combinatie met artikel 140, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht (feit 2).
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdachte is zich na een zeer moeilijke periode in zijn leven gaan verdiepen in de strengere vormen van de islam. Ook had de verdachte, die immers uit Syrië kwam en als kind naar Nederland is gekomen, belangstelling voor de strijd in dat land en zodoende ook voor IS. Die belangstelling van de verdachte heeft hooguit van eind 2013 tot medio 2015 geduurd.
De verdachte betwist niet dat hij zich in die periode intensief met het onderwerp Syrië heeft beziggehouden. Hij erkent dat hij met anderen over de strijd in Syrië en over IS gesproken en gediscussieerd heeft en dat hij aan verschillende mensen videobeelden en ander materiaal heeft laten zien dat daarop betrekking had. Dat wil echter nog niet zeggen dat sprake is geweest van ronselen. Aan de juridische criteria daarvoor is niet voldaan. Zelfs als een verdachte de strijd van IS verheerlijkt en anderen aanmoedigt, wat volgens het dossier bij de verdachte het geval zou zijn geweest, maar door de raadsman en de verdachte wordt betwist, is dat nog geen strafbaar ronselen. De manier waarop de verdachte gebruik maakte van zijn recht op vrijheid van godsdienst, geweten en op vrije meningsuiting mag choqueren, kwetsen en verontrusten, strafbaar is het niet.
Evenmin is voldaan aan de strafrechtelijke criteria voor het aannemen van lidmaatschap van een terroristische organisatie.
Verder zijn de belastende verklaringen waarop de officier van justitie zich baseert, onbetrouwbaar. De kwade genius achter de beschuldigingen is één specifieke getuige, [naam getuige 1] , die een vendetta lijkt te voeren tegen de verdachte en wiens verdachtmakingen, hoewel nergens op gebaseerd, door anderen zijn overgenomen, aldus de raadsman.
4.3
Het oordeel van de rechtbank1.
4.3.1.
Inleiding
De verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan IS en dat hij voor de gewapende strijd van IS geworven heeft. Algemeen bekend is dat IS, afkorting van Islamitische Staat, een terreurorganisatie is. Juridisch kan IS worden aangemerkt als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht in combinatie met artikel 83a van dat wetboek. De leider was [IS leider] .2.De Nederlandse autoriteiten, de Koning, geven geen toestemming aan wie dan ook om deel te nemen aan (de strijd van) IS. Hierover is ter terechtzitting ook geen discussie geweest. De rechtbank volstaat voor het bewijs dan ook met een verwijzing naar de vindplaats in het dossier van het proces-verbaal van de politie waarin de achtergronden van IS en de juridische implicaties daarvan uitgebreid beschreven worden. Waar hierna over ISIS gesproken wordt, betreft dit (in de kern) dezelfde organisatie.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 1: het ronselen voor de strijd van IS, zij het met betrekking tot één specifieke persoon. Ten aanzien van andere personen is het bewijs te mager, wat ook al (voor een aantal van de in de dagvaarding genoemde personen) door de officier van justitie en (voor alle genoemde personen) door de raadsman naar voren is gebracht.
Verder vindt de rechtbank het bewijs tekortschieten om tot een veroordeling te komen wegens lidmaatschap van IS, wat tot een vrijspraak van feit 2 zal leiden.
Hierna zal de rechtbank de bewijsmiddelen weergeven. Tot slot zal zij haar oordeel nog nader motiveren.
4.3.2.
Het gedachtegoed van de verdachte
De verklaring van de verdachte daaromtrent
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als Syriër volgde wat er zich in dat land afspeelde. Vanaf de opstand tegen het bewind van president Assad werd het beeld gecreëerd dat het regime het volk onderdrukte en wreedheden beging. Daarvan werd de verdachte erg verdrietig en hij volgde de ontwikkelingen. Gaandeweg hoopte het verdriet zich op, omdat het erop leek dat niemand de Syrische bevolking te hulp schoot en het Syrische vrije leger zwakker werd. Het gaf de verdachte opluchting toen ISIS in beeld kwam, omdat hij het idee had dat er eindelijk wel iemand de bevolking te hulp schoot. De verdachte raakte enigszins aangetrokken tot de strijd, dat was in het jaar 2014. Na zijn afstuderen in dat jaar werd zijn aandacht intensiever. De verdachte vergaarde zelf informatie; hij geloofde niet alles wat de media over ISIS brachten en wilde het verhaal ook van de kant van ISIS bekijken. Ook verzamelde de verdachte veel materiaal over de islam en de uitleg ervan. De verdachte benaderde alles wat anderen beweerden kritisch en ging met anderen in discussie.
Naderhand kwam hij erachter dat ook ISIS, later als IS, wreedheden beging tegen onschuldige burgers en naarmate hij daar meer zekerheid over verkreeg, nam hij geleidelijk meer afstand van ISIS. Hij staat niet achter het plegen van aanslagen en heeft anderen niet aangemoedigd om te gaan strijden voor een terroristische organisatie. De verdachte ontkent verder dat hij gezegd zou hebben dat de leider van IS, [IS leider] , zijn leider was.
In 2015 had hij geen sympathie meer voor die organisatie; als hij in die tijd nog digitale magazines van IS gedownload heeft, wil dat niet zeggen dat hij die ook helemaal gelezen heeft of zich kon vinden in wat hij las. Als hij filmpjes van bijvoorbeeld onthoofdingen heeft laten zien aan personen, was dat sporadisch en niet gericht op beïnvloeding.
4.3.3.
De verklaring van de verdachte is echter niet het hele verhaal
De rechtbank constateert dat uit het dossier een ander beeld naar voren komt dan het beeld dat de verdachte van zichzelf schetst. De verdachte beperkte zich niet tot het bestuderen en bediscussiëren van standpunten, waaronder dat van terreurorganisatie IS, maar nam radicale ideeën van die terreurorganisatie over. Onlosmakelijk onderdeel van de ideologie van IS is dat er gewapende strijd moet worden geleverd. Ook dat idee nam de verdachte over. Dat blijkt niet alleen uit de grote hoeveelheid materiaal die de verdachte verzameld had maar ook uit verklaringen. In elk geval één persoon heeft de verdachte concreet en bewijsbaar getracht te bewegen tot aansluiting bij IS en die strijd.
Aangetroffen materiaal in de auto van de verdachte
Bij zijn aanhouding op 21 juni 2017 werd bij de verdachte een USB-stick in beslag genomen met daarop meer dan 800 IS-gerelateerde afbeeldingen, afkomstig uit het tijdschrift Dabiq van IS. Op de afbeeldingen zijn onder andere strijders te zien, personen die geliquideerd worden door beulen, afgehakte hoofden, personen die verbrand zijn, dode strijders, dode militairen en personen bij wie een mes op de keel wordt gezet door beulen.
Ook stonden er 32 jihadgerelateerde video’s op. In deze video’s wordt onder andere gesproken over het aanbidden van het Kalifaat, het aanbevelen van de jihad, de verplichting om deel te nemen aan de jihad, het oproepen tot migratie naar Islamitische Staat en ander propagandistisch materiaal.3.Op de laptop die ook in beslag genomen werd, stonden pdf-bestanden van het online-tijdschrift Dabiq van IS. Ook dat betreft propagandamateriaal. Het betreft 9 tijdschriften, gepubliceerd van juni 2014 tot en met mei 2015. Ook stonden er diverse videobestanden op met onder andere beelden van executies, IS-vlaggen en andere jihadistische beelden, alsmede (radicale) toespraken en interviews over de jihad.4.Verder werd er nog een cd aangetroffen met liederen ter verheerlijking van de jihad en zelfmoordaanslagen.5.
De verklaring van imam [naam imam]
De imam van de moskee in [plaats] , [naam imam] , heeft verklaard dat het bestuur van de moskee hem wees op de verdachte als een man met radicale ideeën en die jongeren zou aanspreken over de strijd in Syrië en hen probeerde te beïnvloeden daaraan deel te nemen.
[naam imam] heeft geprobeerd de verdachte aan te spreken vanuit zijn corrigerende functie om hem op andere gedachten te brengen en binnen de gemeenschap te houden. [naam imam] probeerde de verdachte te overtuigen met uitspraken van geleerden die de handelingen van IS ten stelligste afkeurden, maar de verdachte was zeer vastbesloten en verklaarde dat [naam leider] zijn leider en geleerde was en dat IS zijn staat was. Omdat de verdachte geen afstand wilde nemen van zijn radicale ideeën is hem de toegang tot de moskee ontzegd, aldus de getuige.6.
De verklaring van [naam getuige 1]
, woordvoerder van de moskee [naam moskee] in [plaats] , heeft verklaard dat de verdachte een soort verbod heeft gekregen: de verdachte was nog wel welkom om te bidden, maar mocht zich verder niet ophouden in de moskee, vanwege zijn radicale ideeën. Over de verdachte heeft hij het volgende verklaard.
Volgens [naam getuige 1] werd hij in de periode juli-november 2013 door de verdachte aangespoord om filmpjes te zoeken van het geweld dat door Assad werd begaan en [naam getuige 1] kreeg van de verdachte te horen dat ISIS (later IS) de groep was die mogelijk voor het juiste streed. [naam getuige 1] zag vele gewelddadige filmpjes waarin mensen op gruwelijke wijze gedood en gemarteld werden. De verdachte zei toen dat zij (de rechtbank leest: verdachte en [naam getuige 1]) in zonde verkeerden, omdat zij in een niet-islamitisch land leefden en toestonden dat geloofsgenoten werden vermoord, verkracht en gemarteld. De verdachte zei toen dat zij moesten emigreren naar de strijd in Syrië en dat zij zich moesten aansluiten bij de milities die tegen het regime van Assad streden. De imam raadde dat af, maar de verdachte was van mening dat deze imam niet naar zijn geloof handelde omtrent de strijd in Syrië.
Door de verdachte werd [naam getuige 1] in contact gebracht met de ideeën van geleerden die de strijd in Syrië verheerlijkten. De verdachte vertelde herhaaldelijk over het vele onrecht en spoorde [naam getuige 1] aan te zoeken op YouTube naar filmpjes over dit onrecht. [naam getuige 1] ging twijfelen aan de imam. De verdachte stelde zelfs dat de zorg van [naam getuige 1] voor diens moeder ondergeschikt was aan het uitreizen voor de jihad en het strijden in Syrië. Ook zijn studie zou [naam getuige 1] moeten laten vallen. Door de verdachte werd gezegd dat hij wel iemand kende die [naam getuige 1] zou kunnen helpen met het uitreizen naar Syrië; de verdachte zelf zou ook helpen. Dat was in de periode oktober 2013-maart 2014.
Later, in 2014 toen IS het kalifaat uitriep, zei de verdachte ook dat zij zich moesten aansluiten bij IS (de rechtbank: het kalifaat werd uitgeroepen op 29 juni 2014). De verdachte zei een keer dat zij en nog een paar andere jongeren een goedkoop autootje moesten halen en kijken hoever ze zouden komen richting Syrië. De verdachte zou hem naar een soort ophaalpunt kunnen brengen, van waaruit mensen naar Syrië gebracht werden. In de herfst/winter 2014 heeft de verdachte tegen [naam getuige 1] gezegd dat hij naar een moskee in Neeroeteren moest gaan om lessen te volgen over het geloof teneinde meer kennis op te doen over Syrië en het uitreizen daarheen. Aldaar kreeg [naam getuige 1] te horen van bewijzen vanuit de islam waaruit zou blijken dat het mogelijk wel was toegestaan om zelfmoordaanslagen te plegen.
De verdachte heeft tegen [naam getuige 1] gezegd dat [naam leider] zijn leider was en dat hij te allen tijde gehoorzaamd moest worden. Concreet over welke hulp de verdachte zou bieden werd hij niet, maar de verdachte deed algemene uitspraken, zoals “We komen er wel” en “God maakt alles makkelijk.” Volgens de verdachte kregen diegenen die uitreizen en deelnemen aan de strijd de hoogste plaats in het paradijs, tevredenheid van God. Ook zouden daar wereldse beloningen tegenover staan als ze in Syrië zouden gaan strijden.
De verdachte heeft tegen [naam getuige 1] gezegd dat met de aanslagen in Parijs op Charlie Hebdo de eer van de profeet Mohammed verdedigd was en dat het vergoten bloed in Syrië hier met bloed vergolden mocht worden.7.
[naam getuige 1] heeft verder verklaard dat het gedachtegoed van de verdachte bestond uit het ongelovig verklaren van moslimleiders die anders dachten, het hebben van pro-ISIS sympathieën, het goedpraten van uitreizen naar Syrië, [naam leider] als de leider aanduiden en de daden van IS goedpraten met islamitische bewijzen. Volgens [naam getuige 1] probeerde de verdachte ook anderen te inspireren om naar Syrië te gaan en deel te nemen aan de strijd.8.
[naam getuige 1] heeft aan deze verklaringen later, op 29 juni 2017, nog meer toegevoegd. Zo heeft hij verklaard dat de verdachte hem het Dabiq-magazine heeft laten zien en filmpjes van pro- Isispredikers. De verdachte is ook bij [naam getuige 1] thuis geweest en heeft op de laptop van [naam getuige 1] filmpjes opgezocht: één van deze filmpjes betrof een officier van Isis, [naam officier] en die film ging over een pro-ISIS preek. Ook hebben ze samen filmpjes gezien waarin mensen werden vermoord. De verdachte wilde goedpraten wat hij zag; hij praatte vaak het gedrag van ISIS en hun misdaden goed.9.
4.3.4.
Overwegingen en conclusies ten aanzien van het bewijs en de juridische waardering daarvan
Feit 1
De rechtbank trekt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen de conclusie dat de verdachte [naam getuige 1] heeft geworven voor de jihad in Syrië. De verdachte hing de ideologie van IS aan en heeft op [naam getuige 1] ingepraat, door bij herhaling zijn gedachtegoed prijs te geven, te verdedigen en kracht bij te zetten met propagandamateriaal, inhoudende dat IS en de jihad in Syrië goed waren en de oproep tot de strijd gevolgd moest worden. Aan [naam getuige 1] liet hij bij herhaling materiaal zien om hem te overtuigen. De verdachte heeft [naam getuige 1] dus, om de officier van justitie te citeren, gevraagd mee te gaan naar Syrië en aangespoord om te gaan vechten voor IS. Dat een en ander geen concrete gevolgen heeft gehad, omdat [naam getuige 1] geen gevolg heeft gegeven aan de beïnvloeding, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg.
Naar het oordeel van de rechtbank is het dus niet gebleven bij het geven van uiting aan een schokkend en verontrustend gedachtegoed, zoals de raadsman heeft betoogd, maar is de verdachte met zijn radicale overtuiging een ander - [naam getuige 1] - door middel van een geleidelijk proces van beïnvloeding aan gaan zetten om over te gaan tot het in de praktijk brengen van dat gedachtegoed door zelf te gaan strijden in Syrië. Er is voldaan aan de juridische criteria: er is geworven door de verdachte met het oog op daadwerkelijke deelname aan de strijd van IS.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de getuige [naam getuige 1] overweegt de rechtbank als volgt. Duidelijk is geworden dat de getuige [naam getuige 1] zeer belastend over de verdachte heeft verklaard en dat hij naar voren komt uit verklaringen als iemand die behoorlijk op de verdachte gebeten was. Zijn verklaring is echter gedetailleerd en coherent. Ook kan niet worden gezegd dat [naam getuige 1] de verdachte blindelings beschuldigt, want hoewel [naam getuige 1] tegenover de politie heeft verklaard dat hij denkt dat de verdachte ook andere jongeren heeft willen beïnvloeden, heeft hij steeds gezegd dat hij dat niet zelf heeft gezien of gehoord. De verklaring van [naam getuige 1] vindt bovendien bevestiging in de verklaring van de getuige [naam imam] . Die verklaring heeft eveneens betrekking op het propageren van de verdachte van zijn radicale gedachtegoed. De getuige [naam imam] heeft, net als [naam getuige 1] , de verdachte van zijn ideeën willen afhelpen, zonder dat dit lukte. De stelling dat de imam slechts [naam getuige 1] napraat, heeft de verdediging niet concreet onderbouwd. Dat de getuige [naam imam] kennelijk met het bestuur van de moskee in [plaats] overleg heeft gehad voorafgaand aan het afleggen van een verklaring tegenover de politie, bevestigt nog niet dat deze getuige slechts een gerucht overbrengt van één van die bestuursleden ( [naam getuige 1] ).
Uit de verklaring volgt duidelijk dat [naam imam] zelf heeft waargenomen dat de verdachte de radicale ideeën die hij ook aan [naam getuige 1] heeft geopenbaard tot de zijne had gemaakt en daarvan beslist geen afstand wilde nemen.
Voor zover de officier van justitie bewezen acht dat nog drie personen ( [B.] , [D.] en [naam getuige] ) geronseld zijn voor de jihad overweegt de rechtbank dat uit hun verklaringen wel kan worden opgemaakt welke radicale ideeën de verdachte had en dat hij deze onder hun aandacht bracht, maar dat niet gezegd kan worden dat hij hen concreet overhaalde tot deelname aan de gewapende strijd. Dit leidt tot partiële vrijspraak.
Feit 2
De rechtbank gaat niet zover dat zij de verdachte aanmerkt als lid van IS (feit 2). In het dossier is geen bewijs te vinden dat de verdachte de eed van trouw aan IS en de leider [IS leider] heeft afgelegd en zo feitelijk lid is geworden van IS. Dat zou hooguit afgeleid kunnen worden uit het gegeven dat de verdachte volhield dat [IS leider] zijn leider was en IS zijn staat, maar dat is bewijsrechtelijk niet genoeg om van deelname aan die organisatie te kunnen spreken. Dit bewijstekort kan niet gecompenseerd worden met behulp van het bewezenverklaarde ronselen. De Hoge Raad is duidelijk op dit punt in het arrest van 14 maart 2017: aan de juridische vereisten moet cumulatief voldaan worden. Een verdachte moet bewijsbaar deelnemer zijn én een gedraging hebben verricht ter verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, zoals het werven van personen voor de organisatie.10.Van feit 2 zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair
in de periode van 1 juni 2013 tot en 1 juli 2014 in de gemeente [plaats] zonder toestemming van de Koning een ander heeft geworven voor de gewapende strijd, immers heeft hij, verdachte, meermalen opzettelijk [naam getuige 1] gezegd dat ISIS de groep was die mogelijk voor het juiste streed en gezegd dat zij weg moesten, emigreren naar de strijd in Syrië en aansluiten bij de milities die tegen het regime van Assad streden en gezegd dat ze een goedkoop autootje moesten halen en kijken hoever ze zouden komen richting Syrië en gezegd dat [naam leider] zijn, verdachtes, leider was en dat hij te allen tijde gehoorzaamd moest worden en gezegd dat hij, verdachte, hulp zou aanbieden als hij wilde uitreizen naar Syrië en gezegd: "We komen er wel" en "God maakt alles makkelijk" en gezegd dat degenen die uitreizen en deelnemen aan de strijd de hoogste plaats krijgen in het paradijs, tevredenheid van God, en aan [naam getuige 1] beeldmateriaal heeft laten zien, te weten (een) video-opname(n) en/of een of meer foto’s en/of (een) magazine(s), waarop of waarin onthoofdingen en/of strijders van IS(IS), althans jihadstrijders en/of pro-IS-predikers en/of beelden van geweld tegen burgers door het regime van Assad in Syrië en/of ander (IS) propagandamateriaal te zien waren/was, en [naam getuige 1] heeft gewezen op de vindplaats van dergelijk beeldmateriaal en/of dergelijk beeldmateriaal voor hem online heeft opgezocht, terwijl de gewapende strijd waarvoor werd geworven het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 primair
zonder toestemming van de Koning iemand voor gewapende strijd werven, terwijl de gewapende strijd waarvoor wordt geworven, het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De straf en/of de maatregel
7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht een gevangenisstraf gevorderd van 5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De officier van justitie neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij al vele jaren volhardt in zijn lof voor IS en IS blijft steunen door mensen te ronselen. De verdachte heeft actief geronseld in vier gevallen en meerdere personen benaderd met dat doel. De officier van justitie gelooft de verdachte niet als hij zegt dat de liefde voor IS inmiddels bekoeld is. Dit op basis van het gegeven dat hij in 2016 nog bestanden met ronselmateriaal van IS op zijn laptop heeft gezet.
De verdachte geeft ook geen inzicht in hoe die bekoeling tot stand zou zijn gekomen en het zou dodelijk naïef zijn om hem te geloven. De verdachte gaat zijn leven niet beteren. Bij de ernst van de feiten past niets anders dan een lange gevangenisstraf.
De officier van justitie ziet geen reden een deel van de straf in voorwaardelijke vorm te eisen om eventueel reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te kunnen leggen. Gelet op de opstelling van de verdachte zou dat weinig zin hebben, aldus de officier van justitie.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Het onvoorwaardelijke deel zou de duur van het voorarrest niet mogen overschrijden. Aan het voorwaardelijk op te leggen deel kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden, met uitzondering van de door de reclassering voorgestelde digitale controle.
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte inmiddels afstand heeft genomen van het gedachtegoed van IS en de omslag in zijn denken ook voldoende heeft toegelicht. Als het openbaar ministerie stelt dat dit anders is en daarom een zeer lange gevangenisstraf wil vorderen, moet daarvoor bewijs worden geleverd. Het enkele overzetten van oudere bestanden op een nieuwe laptop in 2016 bewijst niet dat de verdachte op dat moment nog in de inhoud van dat materiaal was geïnteresseerd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een feit dat strafbaar is gesteld met het doel de samenleving te beschermen tegen terrorisme. De verdachte heeft zich in de bewezenverklaarde periode een fanatiek aanhanger van de ideologie van IS getoond, gelet op het vele materiaal dat hij in bezit had en de verklaringen die door meerdere personen zijn afgelegd. Het hebben van dit soort radicale ideeën op zichzelf is in onze rechtstaat niet strafbaar. Het ronselen voor gewapende strijd op basis daarvan is dat wél.
Werven voor IS betekent werven voor een organisatie die op grote en grove schaal mensenrechten schendt en terreuraanslagen pleegt. Het betreft een misdrijf tegen het openbaar gezag. Nederland heeft werven voor terreurorganisaties strafbaar gesteld in het kader van de internationale aanpak van terrorisme. Terrorisme vormt een grote bedreiging voor de rechtstaat en de veiligheid en stabiliteit van samenlevingen en vooral van burgers. In die zin betreft het werven voor de strijd van IS in Syrië dus ook een misdrijf tegen de Nederlandse samenleving. IS beperkt zich immers nadrukkelijk niet tot de strijd in Syrië, maar staat ook voor het plegen van gruwelijke aanslagen tegen willekeurige, weerloze burgers van Europa en andere continenten. Een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming volstaat daarom in beginsel niet voor het overtreden van deze strafbepaling. Het gegeven dat de wetgever de strafwaardigheid van het onderhavige feit heeft vergroot door het maximum te verhogen van één jaar naar vier jaren moet bovendien ook tot uitdrukking komen in de op te leggen straf.
Voor zover het feit voortkwam uit de pijn en de onmacht die de verdachte als geboren Syriër ervoer, kan dat wel enigszins als verzachtend worden meegewogen, maar dat leidt niet tot strafvermindering. De rechtbank beschouwt de verdachte op dit moment, voor zover zij oordelen kan op basis van dit dossier, niet als een bijzonder gevaarlijke terrorist. Daar staat tegenover dat de rechtbank het zorgelijk vindt dat de verdachte ter terechtzitting wel afstand genomen heeft van IS, maar anderzijds ook voortdurend anderen, onder wie [naam getuige 1] en [naam imam] , voor leugenaars heeft uitgemaakt en zijn denken en handelen gebagatelliseerd heeft. Het is al met al onmogelijk te peilen in hoeverre de verdachte daadwerkelijk afstand heeft genomen van zijn radicale ideeën en of hij op enige manier een gevaar vormt voor de samenleving. Bij de strafmaat kan dit dus op dit moment geen rol spelen. Dodelijk naïef of niet, de rechtbank zal de straf opleggen die zij recht vindt doen aan de ernst van het feit en daarmee volstaan. Zij zal dus geen extra straf opleggen om de verdachte voor de zekerheid maar wat langer uit de maatschappij te houden.
Ook ziet zij geen reden de reclassering te volgen in het advies om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met allerlei bijzondere voorwaarden, zoals een controle op de gegevensdragers van de verdachte, het verbod om in de buurt van bepaalde moskeeën te komen en het verplicht spreken met een deskundige op het gebied van transculturele problematiek/religie. De geformuleerde voorwaarden zouden aan de verdachte zeer ingrijpende beperkingen opleggen in geloof en denken. Dat past niet in de Nederlandse rechtstaat. De inschatting van het gevaar dat aan de verdachte kleeft zal niet aan de reclassering overgelaten moeten worden, maar aan de instanties die de rechtstaat in het kader van terrorismebestrijding daarvoor heeft opgericht en die daarnaar kunnen handelen.
De rechtbank beschouwt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden passend bij de ernst van het feit. Daarvan moet het voorarrest van de verdachte worden afgetrokken. Verder is het zo dat hij zich bevindt in het strenge regime van de terrorisme-afdeling in de P.I. Vught. Dit detentieregime is aanzienlijk zwaarder dan het regime dat andere preventief gehechte verdachten moeten ondergaan. De rechtbank zal om dit te compenseren een deel van 4 maanden in voorwaardelijke vorm opleggen, met een proeftijd van 2 jaren.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 205 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De voorlopige hechtenis
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat, als al straf zou worden opgelegd, deze straf de duur van het voorarrest niet te boven mag gaan. Artikel 67 a, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt in dat geval dat de verdachte op vrije voeten moet komen.
De rechtbank komt echter tot de oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Deze straf is echter niet zodanig dat de verdachte nog veel langer gedetineerd zal moeten blijven. De rechtbank zal bepalen dat de voorlopige hechtenis eindigt op het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf overeenkomstig artikel 72, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.
10. De beslissing
De rechtbank:
Voorvragen
- verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit;
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- -
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- -
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- -
verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
- -
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
- -
veroordeelt de verdachte voor feit 1 primair tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- -
bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit;
- -
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- -
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, mr. P.H.M. Kuster en mr. R. Verkijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2018.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is -na wijziging- ten laste gelegd dat
1.
hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juni 2017 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder toestemming van de Koning een of meer anderen heeft geworven voor de gewapende strijd,
immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk
- [naam getuige 1] en/of [naam getuige 2] en/of [naam getuige 3] en/of [naam getuige 4] en/of [naam getuige 5] en/of [naam getuige] en/of [naam getuige 6] en/of een of meer ander(en) gezegd dat ISIS de groep was die mogelijk voor het juiste streed en/of gezegd dat zij weg moesten, emigreren naar de strijd in Syrië en aansluiten bij de milities die tegen het regime van Assad streden en/of gezegd dat ze een goedkoop autootje moesten halen en kijken hoever ze zouden komen richting Syrië en/of gezegd dat [naam leider] zijn, verdachtes, leider was en dat hij te allen tijde gehoorzaamd moest worden en/of gezegd dat hij, verdachte, hulp zou aanbieden als zij of anderen wilde(n) uitreizen naar Syrië en/of gezegd: "We komen er
wel" en/of "God maakt alles makkelijk" en/of gezegd dat degenen die uitreizen en deelnemen aan de strijd de hoogste plaats krijgen in het paradijs, tevredenheid van God en/of dat de beloning zo groot was (in het hiernamaals en als er over je gesproken werd) en/of gezegd dat hij, verdachte, het goedkeurde dat die jongen in Maastricht zich had opgeblazen en/of gezegd dat hij, verdachte, een aanslag in Nederland zou plegen als zijn reis niet lukte, en/of dat IS vocht voor de zuiverheid van de moslims, en/of dat hij, verdachte, zou gaan als hij werd opgeroepen voor de jihad en/of dat hij, verdachte, niet kon vechten maar wel andere dingen kon en/of dat in Syrië onschuldige mensen werden afgeslacht en dat zij als moslims daar iets aan moesten doen, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of
-aan [naam getuige 1] en/of [naam getuige 2] en/of [naam getuige 3] en/of [naam getuige 4] en/of [naam getuige 5] en/of [naam getuige] en/of [naam getuige 6] en/of een of meer ander(en) beeldmateriaal heeft laten zien, te weten (een) video-opname(n) en/of een of meer foto’s en/of (een) magazine(s), waarop of waarin onthoofdingen en/of strijders van IS(IS), althans jihadstrijders en/of pro-IS-predikers en/of beelden van geweld tegen burgers door het regime van Assad in Syrië en/of ander (IS) propagandamateriaal te zien waren/was, en/of [naam getuige 1] heeft gewezen op de vindplaats van dergelijk beeldmateriaal en/of dergelijk beeldmateriaal voor hem online heeft opgezocht, terwijl de gewapende strijd waarvoor werd geworven het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juni 2017 in de gemeente [plaats] en/of de gemeente Kerkrade en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om zonder toestemming van de Koning een of meer anderen te werven voor de gewapende strijd, inhoudende het plegen van (een) terroristisch(e) misdrijf/misdrijven (als bedoeld in art. 83 Wetboek van Strafrecht) met voornoemd oogmerk, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk
- [naam getuige 1] en/of [naam getuige 2] en/of [naam getuige 3] en/of [naam getuige 4] en/of [naam getuige 5] en/of [naam getuige] en/of [naam getuige 6] en/of een of meer ander(en) gezegd dat ISIS de groep was die mogelijk voor het juiste streed en/of gezegd dat zij weg moesten, emigreren naar de strijd in Syrië en aansluiten bij de milities die tegen het regime van Assad streden en/of gezegd dat ze een goedkoop autootje moesten halen en kijken hoever ze zouden komen richting Syrië en/of gezegd dat [naam leider] zijn, verdachtes, leider was en dat hij te allen tijde
gehoorzaamd moest worden en/of gezegd dat hij, verdachte, hulp zou aanbieden als zij of anderen wilde(n) uitreizen naar Syrië en/of gezegd: "We komen er wel" en/of "God maakt alles makkelijk" en/of gezegd dat degenen die uitreizen en deelnemen aan de strijd de hoogste plaats krijgen in het paradijs, tevredenheid van God en/of dat de beloning zo groot was (in het hiernamaals en als er over je gesproken werd) en/of gezegd dat hij, verdachte, het goedkeurde dat die jongen in Maastricht zich had opgeblazen en/of gezegd dat hij, verdachte, een aanslag in Nederland zou plegen als zijn reis niet lukte, en/of dat IS vocht voor de zuiverheid van de moslims, en/of dat hij, verdachte, zou gaan als hij werd opgeroepen voor de jihad en/of dat hij, verdachte, niet kon vechten maar wel andere dingen kon en/of dat in Syrië onschuldige mensen werden afgeslacht en dat zij als moslims daar iets aan moesten doen, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of aan [naam getuige 1] en/of [naam getuige 2] en/of [naam getuige 3] en/of [naam getuige 4] en/of [naam getuige 5] en/of [naam getuige] en/of [naam getuige 6] en/of een of meer ander(en) beeldmateriaal heeft laten zien, te weten (een) video-opname(n) en/of een of meer foto’s en/of (een) magazine(s), waarop of waarin onthoofdingen en/of strijders van IS(IS), althans jihadstrijders en/of pro-IS-predikers en/of beelden van geweld tegen burgers door het regime van Assad in Syrië en/of ander (IS) propagandamateriaal te zien waren/was, en/of [naam getuige 1] heeft gewezen op de vindplaats van dergelijk beeldmateriaal en/of dergelijk beeldmateriaal voor hem online heeft opgezocht, zijnde de uitvoering van voornoemd voorgenomen misdrijf niet voltooid;
2.
hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 juni 2017 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Limburg en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan (een) organisatie(s), te weten de terroristische organisatie(s) IS en/of ISIS en/of Islamic State of Iraq en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Al-Qaida dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende jihadistische strijdgroep, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 Wetboek van Strafrecht, te weten (onder meer)
-het opzettelijk (samenspannen tot) brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (art.157 Wetboek van Strafrecht) (te) begaan met een terroristisch oogmerk (art.176a en/of 176b Wetboek van Strafrecht) (art. 83a Wetboek van Strafrecht) en/of
-samenspanning tot moord (art.289/289a Wetboek van Strafrecht) en/of doodslag (te) begaan/gepleegd met een terroristisch oogmerk als bedoeld in (art. 288a Wetboek van Strafrecht)(art. 83a Wetboek van Strafrecht) en/of
-het opzettelijk voorbereiden en/of bevorderen van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven,
bestaande dat deelnemen (onder andere) uit:
-het werven van een of meer perso(o)n(en) ten behoeve van voornoemde organisatie(s) en/of
-het benaderen en/of vragen van een of meer perso(o)n(en) ten behoeve van het uitreizen naar Syrië/strijdgebied.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03/721877-16
Proces-verbaal van de openbare zitting van 15 mei 2018 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
gedetineerd in de P.I. Vught, Nieuw Vosseveld, te Vught.
Raadsman is A.M. Seebregts, advocaat, kantoorhoudende te Rotterdam.
Tegenwoordig:
mr. , rechter,
mr. , officier van justitie,
, griffier.
De rechter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zittingzaal aanwezig. Ter terechtzitting van 1 mei 2018 heeft hij afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.
De rechter spreekt het vonnis uit.
Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑05‑2018
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg Team CTER, proces-verbaalnummer LBRAB16007, gesloten d.d. 3 november 2017, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1155.
Het proces-verbaal organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven: de Islamitische Staat, dossierpagina 259 tot en met 276 met bijlagen, dossierpagina 277 ev.
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 124, het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 137 tot en met 141 en het proces-verbaal bevindingen onderzoek DABIQ magazines, dossierpagina 509.
Het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 142.
Het proces-verbaal, dossierpagina 239 en 240.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 234 tot en met 237.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 244.
Het proces verbaal van verhoor getuige, dossierpagina 405 en 406.
Het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2017, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2017:413.