Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/1.2.2
1.2.2 Interne, rechtstreekse, verticale c.q. horizontale werking van het EVRM
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS303692:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het stelsel van de Grondwet is te kwalificeren als een monistisch stelsel, dat in tegenstelling staat tot het dualistische stelsel waarbij het supranationale recht - wil het interne werking hebben eerst in nationaal recht omgezet ('getransformeerd') moet zijn. Zie ook Koopmans (2002), hoofdstuk VIII (Nederland en het internationale recht), p. 80-88.
Zie over 'Een ieder verbindende bepalingen van verdragen', J.W.A. Fleuren, diss. Nijmegen, Den Haag 2004.
Van Dijk en Van Hoof (1990), p. 13. Ten aanzien van het EHRM worden de bepalingen door de Nederlandse rechter rechtstreeks toegepast, zulks met uitzondering van art. 13 EVRM; daarbij gaat de rechter ervan uit dat het daarin besloten liggende recht geëffectueerd moet worden door de wetgever, waarbij het niet aangaat dat de rechter zelf rechtsmiddelen in het leven roept, in het geval er geen daadwerkelijk rechtsmiddel bestaat; vgl. Koopmans, a.w., p. 82.
A-G Biegman-Hartogh concludeerde reeds voor HR 30 november 1984, NJ 1985, 376, § 11, onder verwijzing naar jurisprudentie dat de vraag of art. 6 EVRM directe werking heeft, 'thans met een gerust hart bevestigend kan worden beantwoord'.
Alkema (1985), p. 30 en 35.
Snijders (1994), p. 30.
De nationale jurisprudentie wijst ook in deze richting. Alkema (1978), p. 34, maakt gewag van enkele uitspraken waarin derdenwerking met betrekking tot art. 6 EVRM door de Nederlandse rechter is afgewezen. In HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 (EAA), overweegt ons hoogste rechtscollege: 'Artikel 6, eerste lid legt een verplichting op de verdragsstaten. Deze verplichting geldt wel tegenover elk van degenen wier burgerlijke rechten en verplichtingen inzet zijn van een burgerlijk geding of een daarmede op een lijn te stellen procedure als de onderhavige maar laat hun onderlinge rechtsverhouding onberoerd. Op de vraag hoe hun rechtsstrijd moet worden beslist, heeft de bepaling dan ook geen invloed.'
Verhey (1992), p. 126-128.
Kuijer (2004), p. 55-56, zou in dit verband spreken van een 'indirect horizontal effect'. Ik ga hier voorbij aan het ter NJ V-vergadering 1995 geformuleerde vraagpunt of het aanbeveling zou verdienen de horizontale werking van grondrechten grondwettelijk te regelen. In Koopmans' Compendium, a.w., p. 309-311, wordt onder verwijzing naar de memorie van toelichting op de Grondwet gesteld dat de vraag niet zozeer is of een grondrecht horizontale werking heeft, maar in hoeverre.
De betekenis van art. 6 EVRM zou beduidend minder zijn indien het slechts een vrijblijvende aanzet aan lidstaten zou zijn de rechtsbedeling volgens een aantal essentiële ('minimum'-) waarborgen gestalte te geven. Het Europees Verdrag heeft in de nationale, Nederlandse rechtsorde echter een zodanige werking dat er sprake is van meer dan dat.
Door het mechanisme van de art. 92-95 Gw (in het bijzonder de art. 93 en 94 Gw) komt aan het EVRM namelijk interne werking toe: het EVRM heeft rechtswerking binnen de Nederlandse rechtsorde, en wel bij voorrang; daarmee strijdig nationaal recht vindt geen toepassing.1 Voor zover het EVRM ook bepalingen bevat 'die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden' (art. 93 Gw) werkt het EVRM ook rechtstreeks, hetgeen wil zeggen dat ook private personen (en niet slechts de overheid) daaraan gebonden zijn en zich rechtstreeks op die bepalingen kunnen beroepen.2 De rechter dient aldus voor iedere bepaling van het EVRM afzonderlijk na te gaan 'of deze zich voor rechtstreekse toepassing leent - "self-executing" is -, zodat particulieren zich voor de nationale rechter rechtstreeks op een dergelijke bepaling kunnen beroepen. Het "selfexecuting" karakter van een internationaalrechtelijke bepaling kan in het algemeen worden aangenomen, wanneer de inhoud van een dergelijke bepaling in een concreet geval kan worden toegepast zonder dat daarvoor aanvullende maatregelen van de kant van de nationale overheid vereist zijn.'3
De rechtstreekse werking van art. 6 EVRM wordt in de rechtspraak aanvaard.4 Ook de arresten van het EHRM welke te beschouwen zijn als vormen van authentieke verdragsuitleg, hebben rechtstreekse werking, en wel vanaf het moment dat ze gewezen zijn.5 De verhouding van de nationale jurisprudentie ten opzichte van de Straatsburgse kenschetst Alkema als die tussen de lagere Nederlandse rechter en de Hoge Raad: afwijking is rechtens toegestaan, maar niet prudent, want zij noopt de burger zijn gelijk in Straatsburg te halen. In gelijke zin constateert Snijders de toenemende betekenis van supranationale rechtscolleges, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Letterlijk stelt hij: 'Naar gelang hun rechtspraak voor onder meer de Nederlandse rechtspraktijk toeneemt, komt de Hoge Raad steeds meer te verkeren in de positie van de lagere rechter. Zo heeft hij zich in het licht van de EHRM jurisprudentie al genoopt geacht tot heroverweging.'6
Particulieren komt dus een rechtstreeks beroep toe op art. 6 EVRM en de daar omheen gevormde Straatsburgse jurisprudentie. Het artikel roept echter slechts waarborgen in het leven voor de particulier jegens de overheid. Het kan mitsdien slechts ingeroepen worden tegen de verdragsstaten; art. 6 EVRM heeft met andere woorden verticale werking. Vraag is of art. 6 EVRM daarnaast ook horizontale of derdenwerking heeft, dat wil zeggen ook ingeroepen kan worden tegen een mogelijke wederpartij.
Hoewel het EVRM derdenwerking niet expliciet uitsluit, doch anderzijds deze werking niet dwingend uit het verdrag voortvloeit, mag vooralsnog worden aangenomen dat art. 6 EVRM geen horizontale werking heeft. De veelal niet-gepubliceerde uitspraken van de Europese Commissie waarbij klachten tegen individuen niet-ontvankelijk werden verklaard, omdat die klachten niet tegen een verdragsstaat waren gericht, duidt reeds op dit ontbreken van horizontale werking.7 Verhey8 heeft in zijn dissertatie verdedigd dat art. 6 EVRM, nu het zich wat onderwerp en formulering betreft in het bijzonder tot de rechter richt, de rechter rechtstreeks bindt en - ik vertaal vrij - op hem de verantwoordelijkheid legt de processuele waarborgen te garanderen en door partijen te laten naleven, ook al zou zulks uiteindelijk gevolgen kunnen hebben voor hun onderlinge rechtsverhouding. Verheij verwijst hier in het bijzonder naar de Straatsburgse jurisprudentie met betrekking tot de rechterlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van de inachtneming van de redelijke termijn in de civiele procedure, doch evenzeer zou men zich zulks kunnen voorstellen met betrekking tot bijvoorbeeld de openbaarmaking van (bewijs)gegevens van de ene partij ten opzichte van de andere in het kader van een eerlijke berechting. Horizontale werking van de in art. 6 EVRM neergelegde waarborgen zou dan geëffectueerd worden via de band van de rechter.9