Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.4.2.3
7.2.4.2.3 Kritiek op het naast elkaar bestaan en gebruik van specifieke renteaftrekbeperkingen
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395949:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook bijvoorbeeld: J. van Strien, De (vrijwel ondoorgrondelijke) samenloop van renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, TFO 2013/128.3.
In gelijke zin Vergelijk F.J. Elsweier/J.A.G. van der Geld, Renteaftrekbeperkingen in de Nederlandse vennootschapsbelasting: tijd voor sanering!, TFO 2012/120.1.
Ik merk op dat onder andere Kemmeren er nog een andere zienswijze op na houdt en aangeeft dat niet zozeer de renteaftrek het probleem is in de vennootschapsbelasting, maar het niet-belasten in de oorsprongstaat van de rente. Zie E.C.C.M. Kemmeren, BEPS en renteaftrek en andere financiële betalingen: de verkeerde route, WFR 2015/1107. Daarnaast pleiten Vleggeert en Vording voor een bronbelasting die van toepassing is op alle rente- en royaltybetalingen door alle vennootschapsbelastingplichtigen (en dus niet alleen door brievenbusmaatschappijen zoals voorgesteld in het regeerakkoord 2017) aan alle met hen verbonden vennootschappen (ongeacht of deze in een laagbelastend land zijn gevestigd). J. Vleggeert/ H. Vording, Naar een bronbelasting op rente en royalty’s: een stap verder dan het regeerakkoord, WFR 2018/3.
Naast kritiek op de afzonderlijke renteaftrekbeperkende regelingen, wordt ook het naast elkaar bestaan van al de afzonderlijke renteaftrekbeperkende regelingen in de vennootschapsbelasting als onwenselijk ervaren.1 De regelingen sluiten deels slecht op elkaar aan en overlappen soms ook. Het leidt tot een onoverzichtelijk geheel. Voor de lange termijn is de fundamentele keuze voor een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen wenselijk.2 Op de korte termijn is zo’n oplossing volgens mij slecht voor het vestigingsklimaat (bij eenzijdige behandeling door Nederland van rente als dividend) dan wel budgettair problematisch (bij invoering van een aftrek primair rendement). Als voor de korte en middellange termijn de verschillende fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen als uitgangspunt wordt genomen, is een sanering van de renteaftrekbeperkende regelingen dringend geboden. Daarbij zijn grofweg twee oplossingsrichtingen denkbaar.3 Enerzijds kan gekozen worden voor een globale beperking van de renteaftrek, zoals die bijvoorbeeld was opgenomen in de thincapregeling van art. 10d Wet VPB 1969 en waarvan de (Duitse) earningstrippingregeling ook een exponent is. Anderzijds kan men kiezen voor specifieke renteaftrekbeperkende regelingen voor die gevallen waarin men ongebreidelde renteaftrek ongewenst vindt. Beide opties hebben hun voor- en nadelen, waarbij voor de globale optie de relatieve eenvoud pleit maar voor de specifieke optie de mogelijkheid om preciezer te bepalen wat men misbruik dan wel ongewenste renteaftrek vindt. Het is gewenst dat de wetgever dan ook duidelijk maakt en motiveert welke renteaftrek hij precies ongewenst vindt. Duidelijk lijkt me dat in elk geval juridisch gehussel zonder (veel) feitelijke verandering ongewenst is, met name als daarbij aftrekbare groepsrente wordt gecreëerd. Dan komen we op het terrein waar eigenlijk geen wettelijke bepalingen nodig zijn, omdat de rechter dit soort constructies met fraus legis kan aanpakken (al of niet met wat bijsturing van de wetgever omtrent wat precies zijn bedoelingen zijn). De zaak wordt veel onduidelijker als de betreffende rechtshandelingen wel realiteitsgehalte hebben (er verandert wezenlijk iets) en/of het extern verschuldigde rente betreft. Daar laveert de wetgever volgens mij tussen enerzijds het gegeven dat hij rente ten principale aftrekbaar heeft verklaard in de vennootschapsbelasting, maar anderzijds blijkbaar soms die aftrek onacceptabel vindt. Uit het rijtje renteaftrekbeperkende regelingen is niet goed te destilleren waartegen de wetgever nu precies bezwaar heeft. Het is niet slechts groepsrente (want externe rente wordt ook getroffen door art. 13l en 15ad Wet VPB 1969), het zijn ook niet slechts rechtshandelingen waarbij in de feitelijke verhoudingen te weinig veranderen (want in artikel 10a Wet VPB 1969 staat sinds 2007 ook de externe overname opgesomd en voor art. 15ad Wet VPB 1969 is het realiteitsgehalte van de rechtshandelingen niet van belang). Daar boven op komt nog dat de rente op grond van art. 13l Wet VPB 1969 tot een bedrag van € 750.000 vrij aftrekbaar is en op grond van art. 15ad Wet VPB 1969 tot een bedrag van € 1.000.000. Het lijkt er erg op dat de wetgever enerzijds rente niet ten principale van elke aftrek wil uitsluiten maar anderzijds ook niet wil accepteren dat er soms grote bedragen aan rente worden afgetrokken. Dat is mijns inziens een inconsequente houding die het ook erg slecht voorspelbaar maakt waartegen de wetgever nu precies bezwaar heeft. Naar mijn mening dient de wetgever te kiezen. Hij schaft of het fiscale onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen af c.q. hij vermindert de fiscale relevantie van dat onderscheid aanzienlijk of hij accepteert de verschillende fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen en reageert niet elke keer als er in de pers of anderszins melding wordt gemaakt van forse renteaftrek met weer een specifieke beperkende maatregel tegen renteaftrek. Gevraagd wordt dus een consistente visie van de wetgever op wat hij terechte en wat hij onterechte renteaftrek vindt.
Op hoofdlijnen ben ik dus van mening dat de wetgever de wettelijke invulling beter in overeenstemming dient te brengen met de ratio van de renteaftrekbeperking en dat er op dit moment in mindere mate voldaan is aan de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader. Dit leidt er mijns inziens ook toe dat er in mindere mate wordt voldaan aan de fiscaal-juridische toets. Het eventueel definitief uitsluiten van rentekosten betekent namelijk dat er meer wordt belast dan de totale winst, waarmee een inbreuk wordt gemaakt op het draagkrachtsbeginsel (als uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel).