Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.D.1.3.2
III.D.1.3.2 Goederenrecht werd verbintenis uit de wet; de legitieme als 'een toestand', art. 6:1 BW (de eerste zwakke plek)
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407157:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nog niet zo lang geleden brak VINCENT SAGAERT in zijn oratie (20 mei 2005 Rechtsfaculteit te Leuven) nog een lans voor de nuancering van het klassieke onderscheid goederenrecht en verbintenissenrecht, Tijdschrift voor Privaatrecht (TPR), 2005-3, p. 983.
In art. 4:63 lid1 BW is immers de erfrechtelijke rechtsplicht vastgelegd: 'Onterven mag in beginsel niet.'
ASSER-HARTKAMP 4-1, De verbintenis in het algemeen, Deventer: Kluwer 2004, nr. 51.
Zie bijvoorbeeld over een casus onder het oude erfrecht, B.M.E.M. SCHOLS,Van de moordende onredelijke legitimaris die het erfdeel van oma niet waardig was, Nieuw Erfrecht,2002, nr. 5, p. 62.
Zie over de grote impact van redelijkheiden billijkheidin ons (huwelijks)vermogensrecht de civielrechtelijke bakens verzettende SCHOORDIJK, Een principieel en leerrijk arrest. Huwelijkse voorwaarden en daaraan contrair gedrag (HR 18 juni 2004), WPNR (2005) 6611. In het redactioneel van Ars Aequi 56 (2007) 3 met de voor zich sprekende titel 'Bij leven een instituut' werden enkele van zijn slogans opgenomen zoals 'Er staat niet wat er staat' en 'Goed nadenken loont' en werd voorts gewezen op het feit dat in de ogen van Schoordijk de artikelen 6:2 en 6:248 BW een beperkende werking hebben op de intellectuele creativiteit. Zie ook H.C.F. SCHOORDIJK, Redelijkheid en billijkheid aan de vooravond van een nieuw millennium. Naar een Nederlandse Common Law, oratie Amsterdam 1995 en zijn 'De privaatrechtelijke rechtscultuur van de twintigste eeuw in context', Mededelingen van de Afdeling Letterkunde KNAW, Nieuwe Reeks, Deel 66, nr. 2, p. 33 waar hij opmerkt over art. 6:2 BW: 'Taalkundig is deze wetsbepaling een monstrum.'
GW RUPKE,Wilsrechten, diss. Utrecht (1914) enW. SNIJDERS,Wilsrechten, in het algemeen en in het nieuwe erfrecht,WPNR (1999) 6365, 6366 en 6377.
KURT SCHELHAMMER, Erbrecht nach Anspruchsgrundlagen, Heidelberg: C.F. Muller Verlag 2004, p. 363.
HEINRICH NIEDER, Handbuch der Testamentsgestaltung, Munchen: C.H Beck 2000,p. 85.
MATTHIAS ROSLER, Erbrechtsberatung, Koln: Otto Schmidt Verlag 2001, p. 1304.
ASSER-HARTKAMP 4-1, De verbintenis in het algemeen, Deventer: Kluwer 2004,nr. 634.
Zie het voorbeeld van CAROLINE CAUFFMAN, De verbindende eenzijdige belofte (diss. Leuven 2004), Antwerpen/Oxford: Intersentia 2005, p. 810.
De nieuwe legitieme wordt in de praktijk als zware kost ervaren. De oude goederenrechtelijke regeling met zijn verwoestende krachten was zo vertrouwd. Het erfrecht was zo goedals dooden daarmee de testeervrijheidni-hil. Om maar niet de term 'erfrechtelijk nihilisme' te gebruiken. Waar weinig creativiteit mogelijk was, kon dit immers van de rechtsbeoefenaar ook niet worden verwacht.
De navolgende retorische vraag aan de bewindsman1 geeft de link van de onderhavige problematiek met het algemene vermogensrecht en de eerste verzwakking al duidelijk aan:
'Wil de minister in dit verband ingaan op de door Mellema-Kranenburg, dissertatie Leiden 1988, p. 16 e.v., hieromtrent gegeven beschouwingen, die onder andere - men vergelijke p. 19 - inhouden dat de legitimaris naar NBW is gedegradeerd van zakelijk gerechtigde tot concurrent schuldeiser en dat zijn positie alleen hierdoor al uitermate is verzwakt in vergelijking tot het huidige recht?'
(Curs. BS)
De spijker werdop zijn kop geslagen. Aan de basis van ons vermogensrecht staat het belangrijke onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht. Sterke rechten versus zwakke rechten met het faillissement als lakmoesproef is de klassieke benadering. En wat de legitieme betreft realiseren wij ons iedere dag weer opnieuw: de erfgenaam met zeggenschap uit het oude erfrecht van 1838, werd in 2003 slechts vorderingsgerechtigde tot een waarde. Op basis van de onderhavige goederenrechtelijke ruimte kan een echtgenote of buurvrouw, vriendof vijand, zoon of dochter, pleegkindof stiefkind, ondernemer of niet-ondernemer, het goede doel of zelfs een 'wildvreemde' (goederenrechtelijk) onaantastbaar tot enig erfgenaam benoemd worden. Een beroep op de verbintenisrechtelijke legitieme in de zin van art. 4:63 lid 1 BW, veelal ook nog niet eens (direct) opeisbaar, doet daar niets meer aan af. Met deze algemeen vermogensrechtelijke benadering is al heel veel gezegd en de eerste zwakke plek blootgelegd. Verder kan via de verwerping van het erfdeel met de mededeling dat men de legitieme portie wenst te ontvangen als bedoeld in art. 4:63 lid 3 BW (contantenverklaring) een 'ontevreden' erfgenaam tevens legitimaris zich ook zelf degraderen van goederenrech-telijke sferen (erfgenaamschap) naar verbintenisrechtelijke sferen (geldvordering). En daarnaast kan de situatie zich voordoen dat de legitimaris wel (voor een te klein breukdeel) erfgenaam is, doch in verbintenisrechtelijke zin een tekort op de legitieme aanvullend gaat vorderen. Een combinatie van goede-renrechtelijke aanspraken (erfgenaamschap) naast verbintenisrechtelijke aanspraken (als legitimaris), zo men wil.2
In het 'klassieke' rijtje van verbintenissen uit de wet zoals de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), zaakwaarneming (art. 6:198 BW) en onverschuldigde betaling (art.6:203 BW), kan nu, anders dan onder het oude erfrecht, ook de legitieme portie voor erflaters met afstammelingen als een verbintenis uit de wet gezien worden, waarmee erfrecht en algemeen vermogensrecht nog dichter tegen elkaar aan zijn komen te liggen. En wellicht kan de legitieme portie als het erfrechtelijke evenbeeld van een schadevergoedingsactie uit 'onrechtmatige daad'3 gezien worden, al is het maar ter bepaling van de gedachten. Ook Asser-Hartkamp4 ziet het ruim:
'Talrijk zijn de rechtsfeiten waaraan de wet het ontstaan van een verbintenis vastknoopt.'
en noemt vervolgens, onder verwijzing naar art. 4:80 BW, de 'legitieme'onder denoemer:
'[...] ''toestanden'' waaraan door wetsbepalingen verbintenissen worden vastgeknoopt.'
De legitieme is derhalve een 'toestand'. Een toestand, zo zou gezegd kunnen worden, die (na een beroep erop) kan ontstaan 'door te overlijden met achterlating van afstammelingen' en die met een soepel juridisch gemoed al tijdens het leven van de toekomstige erflater 'latent', oftewel 'voorwaardelijk', aanwezig is, waarover hierna meer.
In hoeverre naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een beroep op de legitieme portie in een gegeven casus5onaanvaardbaar is, is aan de rechter en zal de tijd derhalve leren, art. 6:2 BW. De redelijkheid en billijk-heidspelen immers niet alleen bij overeenkomsten, maar bij iedere verbintenis. Daarbij maak ik wat de legitieme betreft wel de kanttekening dat de wetgever in het erfrecht niet zelden bewust gekozen heeft voor 'hard en fast ru-les', waardoor de ruimte voor de toepassing der beginselen van redelijkheid en billijkheidmijns inziens beperkt(er) is. Uitgesloten is de toepassing hiermee vanzelfsprekendniet.6
Ik realiseer mij dat een legitieme portie in de heersende leer7 als een wils-recht bestempeldwordt. De verplichting, de 'verbintenis' ontstaat pas als er ook daadwerkelijk (na het overlijden) een beroep op wordt gedaan. De wetgever brengt dit in art. 4:80 BW tot uitdrukking met de woorden: 'die daarop aanspraak maakt.' Tot zover niets bijzonders. In het Duitse recht benadrukt men echter dat er in feite reeds voor het openvallen van de nalatenschap een 'Rechtsverhaltnis zwischen Pflichtteilsberechtigtem und künftigem Erblasser'8 bestaat. Een zeer interessante benadering. Deze rechtsverhouding wordt ook wel getypeerd als: 'ein abstraktes9Pflichtteilsrecht.' Men zou met deze gedachte in het achterhoofd in ons rechtsstelsel kunnen spreken van de legitieme als een 'voorwaardelzjke'verbintenis,die reeds tijdens het leven (latent) aanwezig is. Het is echter onzeker dat de toestand: 'met achterlating van afstammelingen' zich voordoet en het is onzeker dat het recht ook daadwerkelijk ingeroepen wordt. Een beroep erop kan vanzelfsprekend pas na het overlijden van de quasi-schuldenaar plaatsvinden. Doordat erflater (of zijn adviseur) zich echter terdege realiseert dat deze 'voorwaardelijke' verbintenis niet pas bij overlijden ontstaat, doch, zij het op de achtergrond, tijdens leven van erflater al 'sluimert', kan men zich alvast beraden over een (eventuele) tactische wijze van betaling van deze erfrechtelijke toekomstige 'schuld'. Voldoet men hem niet dan is er sprake van een soort 'onrechtmatige daad'. Of van 'erfrechtelijke' wanprestatie. De wetgever heeft een schadevergoedingsactie in gedachten in art. 4:63 e.v. BW. De Duitse collega's gaan nog een stap verder in het verbintenisrechtelijk denken over deze 'Pflicht' en nemen zelfs aan dat deze reeds tijdens het leven bestaande verbintenis door het overlij-den10 op de erfgenamen overgaat en daarmee een schuld van de erfgenamen wordt.Vergelijk ons art. 4:7 lid 1 letter g BW. Als wij deze bijzondere gedachte doortrekken naar ons recht, zou hiermee ook inzichtelijk kunnen worden gemaakt dat hetgeen de legitimaris als erfgenaam krachtens erfrecht ontvangt op grond van art. 4:71 BW in mindering dient te komen op de legitieme als latente 'schuldvan de erflater'. De erfgenaam (als schuldenaar) betaalt in feite de legitieme-schuld aan zichzelf (als schuldeiser/legitimaris). Een afstammeling kan immers twee hoedanigheden aannemen: erfgenaam en legitimaris.
Dit laatste doet zelfs een beetje denken aan het leerstuk vermenging, art. 6:161 BW. En als men toch met de juridische 'voetjes van de vloer' is, doet de imputatie van de legitieme met de verkrijging krachtens een legaat denken aan verrekening in de zin van art. 6:127 BW. Toch lijkt men aan de andere kant ook enigszins met beide juridische benen op de grond te zijn blijven staan met deze gedachten als ik bij Asser-Hartkamp11 lees dat vermenging meestal geschiedt 'door erfopvolging: de schuldenaar wordt erfgenaam van de schuldeiser of vice versa.' Zeer toepasselijk vind ik de term 'uitdoven'12 voor de onderhavige problematiek. De sluimerende legitieme-schuld dooft uit als de legitimaris de hoedanigheid van (enig) erfgenaam aanneemt.
Men zou vanuit een verbintenisrechtelijke invalshoek als 'denkmodel', gelardeerd met een vleugje Duits recht, drie fasen rondom de 'toestand' legitieme kunnen onderscheiden:
de fase voor het overlijden van de toekomstige erflater;
de fase na het openvallen van de nalatenschap;
de fase dat de legitieme portie daadwerkelijk ingeroepen is ('aanspraak' wordt gemaakt).
In fase c. is de toestand 'compleet' oftewel de verbintenis onvoorwaardelijk geworden. In fase a. beraadt aspirant-erflater zich over de te volgen strategie inzake de eventuele 'vrijwillige' voldoening van de schuld en in fase b. is de legitimaris aan zet, waarbij voor hem met name van belang is dat (verval)ter-mijnen beginnen te lopen.
Dat de legitieme reeds tijdens leven van erflater bij wijze van 'lopende rechtsverhouding' op de achtergrond aanwezig is, zou ook afgeleid kunnen worden uit het feit dat in art. 4:63 lid 1 BW de aandacht wordt gevestigd op een aanspraak 'in weerwil van giften [...] van de erflater.'
Het ontwaren van de ware aard van de legitieme is van groot belang bij het bepalen van de positie van de executeur in een erfrechtelijk stelsel, al is het maar als 'vermogensrechtelijk ezelsbruggetje'. Pas als men de 'eigenaardigheden' van het recht van de (belangrijkste) 'tegenstander' kent en daarmee diens zwakke plekken, kan men immers pas goed beslagen ten ijs komen. Het ontrafelen van de aard van de legitieme maakt het werken met en het denken over de nieuwe regeling een stuk eenvoudiger.