Rb. Den Haag, 21-01-2021, nr. NL21.273
ECLI:NL:RBDHA:2021:11721
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
21-01-2021
- Zaaknummer
NL21.273
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:11721, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 21‑01‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 21‑01‑2021
Inhoudsindicatie
Bewaring, art. 59a Vw, zicht op overdracht, ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.273
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Stap), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek-de Graaf).
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Stamatiou. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Gambiaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1992.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en
______________________
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
nationaliteit;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd, niet heeft betwist.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op overdracht aan Italië is. Eiser is na de laatste overdracht aan Italië op 12 maart 2019 namelijk na een week weer naar Nederland teruggekeerd en is daarom al meer dan 18 maanden ondergedoken in Nederland. Om deze reden zal een nieuw claimverzoek door de Italiaanse autoriteiten afgewezen worden en zal een nieuwe asielaanvraag van eiser in Nederland in behandeling moeten worden genomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat het zicht op overdracht niet ontbreekt. Op 8 januari 2021 heeft verweerder een claimverzoek aan de Italiaanse autoriteiten verzonden. De termijn om op dit claimverzoek te reageren is nog niet verstreken, waardoor er nog steeds een claimakkoord tot stand kan komen. Bovendien kan eiser niet aantonen wanneer hij opnieuw Nederland is ingereisd, waardoor ook niet vastgesteld kan worden hoe lang hij al in Nederland is. De enkele stelling van eiser dat hij een week na de vorige overdracht aan Italië weer naar Nederland is teruggekeerd is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep ongegrond;
- -
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff-Vos, griffier.
______________________
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 januari 2021
Mr. C. Karman
Rechter
Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.