Hof Leeuwarden, 24-11-2004, nr. WAHV 04-01138
ECLI:NL:GHLEE:2004:AS7587
- Instantie
Hof Leeuwarden
- Datum
24-11-2004
- Zaaknummer
WAHV 04-01138
- LJN
AS7587
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHLEE:2004:AS7587, Uitspraak, Hof Leeuwarden, 24‑11‑2004; (Hoger beroep)
- Wetingang
art. 11 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Uitspraak 24‑11‑2004
Inhoudsindicatie
Art. 11 WAHV; zekerheidstelling; In hoger beroep beroep op financiële draagkracht; Geen rechtsregel schrijft voor dat de kantonrechter ambtshalve, met de eventuele, althans door de betrokkene veronderstelde persoonlijke kennis uit andere soortgelijke zaken van de betrokkene, dient over te gaan tot het beoordelen van betrokkenes draagkracht.
Partij(en)
WAHV 04/01138
24 november 2004
CJIB 99067952606
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch
van 11 augustus 2004
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1.
In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
3.2.
De betrokkene beroept zich in hoger beroep op zijn financiële omstandigheden, die zekerheidstelling voor de betaling van de opgelegde sanctie zouden verhinderen, en heeft hiertoe bescheiden in het geding gebracht. Betrokkenes recht op toegang tot de rechter zou door de verlangde zekerheidstelling zijn belemmerd, hetgeen in strijd is met art. 6 EVRM. De kantonrechter was van betrokkenes financiële situatie op de hoogte, aangezien de betrokkene reeds in verschillende andere zaken, aanhangig bij de kantonrechter, daaromtrent bescheiden had overgelegd. De kantonrechter diende overigens ook alle van de betrokkene verlangde zekerheidstellingen in de beoordeling van betrokkenes draagkracht te betrekken. Naar de mening van de betrokkene is de kantonrechter ten onrechte niet ingegaan op betrokkens verminderde draagkracht.
3.3.
Vooropgesteld moet worden dat zekerheidstelling als bedoeld in art. 11 WAHV niet in de weg staat aan toegang tot de rechter. Immers, indien de betrokkene binnen de geldende termijn met redenen omkleed aanvoert dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag, zal de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid moeten stellen op een openbare terechtzitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde gegrond dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen (zie de Hoge Raad in zijn arrest van 31 januari 1995, NJ 1995, 598, op welk arrest de betrokkene zich overigens ook beroept).
3.4.
De officier van justitie heeft bij brieven van 1 mei 2004 en 2 juni 2004 op de voorgeschreven wijze de betrokkene mededeling gedaan van de plicht om zekerheid te stellen en de betrokkene in de gelegenheid gesteld het verzuim, dat geen zekerheid was gesteld, te herstellen. De betrokkene, die ook voordien in de procedure niet had gesproken over zijn geringe financiële draagkracht, heeft echter niet (binnen de gestelde termijn) gereageerd op deze brieven. Dit mag echter wel, ook van een niet professionele procespartij als de betrokkene, verlangd worden in het geval de betrokkene van mening is dat hij niet in staat is zekerheid te stellen. Dit geldt ook in het geval dat de betrokkene reeds in andere zaken, afzonderlijk van de betreffende zaak bij de kantonrechter aangebracht, heeft gesteld niet in staat te zijn de (volledige) zekerheidstelling te voldoen. Geen rechtsregel schrijft immers voor dat de kantonrechter ambtshalve, met de eventuele, althans door de betrokkene veronderstelde persoonlijke kennis uit andere gelijksoortige zaken van de betrokkene, dient over te gaan tot het beoordelen van betrokkenes draagkracht op de wijze als hiervoor onder 3.3. overwogen, nog daargelaten dat die draagkracht zich ondertussen in positieve zin kan hebben ontwikkeld.
3.5.
Weliswaar dient het hoger beroep er (tevens) toe om partijen in de gelegenheid te stellen hun eigen verzuimen te herstellen, maar wanneer zonder meer niet is voldaan aan de (financiële) voorwaarde waaronder de zaak aan de rechter in eerste aanleg kan worden voorgelegd is het - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden - in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat alsnog pas in appèl wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht.
3.6.
Aangezien de betrokkene de verlangde zekerheid niet tijdig heeft gesteld en niet blijkt dat hij in beroep feiten of omstandigheden omtrent zijn draagkracht heeft aangevoerd, heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat de betrokkene niet in zijn beroep kan worden ontvangen.
3.7.
De beslissing waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
3.8.
Aangezien de betrokkene in de aanhef van het hoger beroepschrift stelt ook een klacht in te dienen, kennelijk omtrent de wijze waarop de beslissing van de kantonrechter tot stand is gekomen, zal het hof het beroepschrift d.d. 11 september 2004 ter verdere behandeling zenden naar de griffier van de rechtbank te 's-Hertogenbosch.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
zendt het beroepschrift van de betrokkene van 11 september 2004 door naar de griffier van de rechtbank te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling als hiervoor vermeld.
Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.