Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/6.3.2
6.3.2 Renten en kosten reële bedrijfsovernemingsschulden
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450592:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Deze regeling is uitgebreid in de literatuur besproken. Ik verwijs naar W. Brink, Fiscale aspecten van bedrijfsopvolgingen vanaf 1 januari 1997, MBB juli/augustus, 1997, blz. 225 e.v.; R.H. de Vries, De aftrekbaarheid van financieringsrente bij bedrijfsovername, WFR 1997/6266, blz. 1537 e.v. en M.A. Wiebes, Consumptieve rente en fictieve inkomsten, Fed Fiscale Actualiteiten, nr. 31, blz. 16-17, Fed, Deventer, 1997.
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de regeling van de zgn. bedrijfsovernemingsrenten zou kunnen worden gebruikt voor de financiering van soortaandelen die uitsluitend delen in de resultaten van bepaalde beleggingen in de vennootschap.
In deze zin de toelichting op de (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 8, blz. 13 alsmede de memorie van antwoord Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62b, blz. 5-6.
Antwoorden staatssecretaris van Financiën van 16 juli 1997 op vragen van het Tweede-Kamerlid B.M. de Vries, nr. DB97/2159U, V-N 1997, blz. 2837.
Blijkens genoemd antwoord op de vragen van het Tweede-Kamerlid B.M. de Vries kunnen concrete gevallen waarin de bedrijfsovername via een persoonlijke houdstervennootschap en het aangaan van een financieringsschuld in privé niet is ingegeven door fiscale overwegingen, aan de staatssecretaris van Financiën worden voorgelegd. Er zullen dan nadere voorwaarden worden gesteld, zoals het voorkomen dat binnen de persoonlijke houdstervennootschap een 'spaarpot' ontstaat zonder dat de schuld in privé wordt afgelost. In elk geval wordt niet als reële situatie beschouwd de gevallen waarin een belastingplichtige alle aandelen verwerft van een vennootschap dan wel waarin een aantal belastingplichtigen tezamen alle aandelen verwerven. In dergelijke gevallen kan naar het oordeel van de staatssecretaris van Financiën de financiering zonder fiscale belemmeringen in de (gezamenlijke) houdstervennootschap plaatsvinden. In het Besluit van 16 april 1998, nr. DB98/10M, BNB 1998/224 heeft de staatssecretaris van Financiën deze voorwaarden nader uitgewerkt.
De tweede categorie renten van schulden - renten van reële bedrijfsovernemingsschulden, incl. de kosten van geldleningen - is eveneens onder druk van de Tweede Kamer opgenomen om te voorkomen dat dergelijke renten van schulden nog slechts tegen het proportionele tarief van 25% in aanmerking zouden kunnen worden genomen. De mogelijkheid van renteaftrek tegen het tabeltarief is gehandhaafd voor gevallen, waarin sprake is van reële bedrijfs-overnemingen. Blijkens art. 3d Uitv.reg. IB is hiervan sprake, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:1
de vennootschap drijft (on)middellijk een materiële onderneming in de zin van art. 6 Wet IB;
de aandelen of winstbewijzen delen (on)middellijk volwaardig in de resultaten van deze onderneming;2
de aankoop kan in zoverre niet worden gefinancierd uit voor directe belegging beschikbare middelen;
de bezittingen van de vennootschap bestaan voor zolang de financiering strekt niet in belangrijke mate (on)middellijk uit beleggingen;
de belastingplichtige heeft de aandelen of winstbewijzen niet (in)direct gekocht van zijn echtgenoot of van een lichaam waarin hij of zijn echtgenoot voor ten minste een derde gedeelte belang heeft dan wel van een lichaam waarin hij en zijn echtgenoot tezamen voor ten minste een derde gedeelte belang hebben. Dit geldt weer niet in geval van verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap.
Bovenstaande regeling is voorts van toepassing in de situatie dat één of meer andere aandeelhouders in een vennootschap met een materiële onderneming worden uitgekocht alsmede de situatie waarin een natuurlijk persoon zich door het nemen van nieuwe aandelen in die vennootschap moet 'inkopen' in een bestaande vennootschap met een materiële onderneming.3
Blijkens antwoorden van de staatssecretaris van Financiën op vragen van het VVD-kamerlid B.M. de Vries d.d.16 juli 1997 is de staatssecretaris van Financiën van oordeel dat de regeling inzake de zgn. bedrijfsovernemingsrenten van (art. 20b, derde lid j°) art. 3d Uitv.reg. IB niet van toepassing is in de situatie waarin de aanmerkelijkbelanghouder met het oog op een bedrijfsovername in privé een geldlening aangaat, dit bedrag vervolgens als eigen vermogen ter beschikking stelt van een (nieuw opgerichte) holdingvennootschap die hiermee de aandelen in de vennootschap overneemt. In een dergelijke situatie waarin een houdstervennootschap als bedrijfsovernemer optreedt, ligt het naar het oordeel van de staatssecretaris voor de hand dat de financiering dan ook in de houdstervennootschap tot uitdrukking komt. Zodoende wordt zijns inziens een juiste allocatie van kosten, lasten en voordelen bereikt.4 Wordt in een dergelijke situatie de financieringsschuld ter zake van de bedrijfsovername toch in privé aangegaan, dan zal dit volgens de staatssecretaris van Financiën in veel gevallen in belangrijke mate zijn ingegeven door fiscale motieven.5