Rb. Arnhem, 20-01-2010, nr. 05/900067-09
ECLI:NL:RBARN:2010:BM0713
- Instantie
Rechtbank Arnhem
- Datum
20-01-2010
- Magistraten
Mrs. H.P.M. Kester-Bik, M.A.E. Somsen, J.M. Klep
- Zaaknummer
05/900067-09
- LJN
BM0713
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBARN:2010:BM0713, Uitspraak, Rechtbank Arnhem, 20‑01‑2010
Uitspraak 20‑01‑2010
Mrs. H.P.M. Kester-Bik, M.A.E. Somsen, J.M. Klep
Partij(en)
Tegenspraak
In de zaak van
de officier van justitie in het arrondissement Arnhem
tegen
naam: [verdachte],
geboren op: [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],
adres: [adres],
plaats: [postcode] [woonplaats].
Raadsman: mr. S. Goedvriend, advocaat te Nijmegen.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
- 1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2005 tot en met 9 juni 2009 te Amsterdam en/of te Nijmegen en/of elders in Nederland, althans in Nederland, (telkens) een ander, [slachtoffer] met een van de onder lid 1 sub 1 artikel 273f (voor 1 september 2006 genoemd 273a) Wetboek van strafrecht genoemde middelen (te weten misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (het werken en/of het meer werken in de prostitutie)
Dan wel onder een of meer van de onder lid 1 sub 1 van voornoemd(e) artikel(en) genoemde omstandigheden enige handeling (te weten misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie) heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (werken in de prostitutie),
waarbij de misleiding van die [slachtoffer] door verdachte hieruit heeft bestaan
- —
dat verdachte zich bij die [slachtoffer] heeft voorgedaan als vriend en/of partner en/of toekomstig echtgenoot en/of die [slachtoffer] de indruk heeft gegeven dat er sprake was van een normale/gelijkwaardige relatie en/of dit, terwijl verdachte met meerdere andere vrouwen uitging en/of afspraken maakte en/of seks had met andere vrouwen en/of er in werkelijkheid geen sprake was van een gelijkwaardige relatie/verhouding en/of
- —
dat verdachte die [slachtoffer] telkens heeft voorgehouden dat de schuld die hij, verdachte, bij de bank had, maar niet kleiner werd en die afgelost moest worden en/of zulks terwijl verdachte het op verdachtes bankrekening gestorte geld afkomstig van die [slachtoffer] alleen of grotendeels benutte voor de aanschaf van luxe/dure goederen en/of om zijn eigen uitgaansleven te bekostigen en/of niet, (zoals de afspraak blijkbaar was) ter aflossing van die schuld werd benut en/of waardoor die [slachtoffer] dus genoodzaakt was/zich genoodzaakt voelde nog harder/meer uren te werken en/of voor nog meer inkomsten uit de prostitutie te zorgen en/of
- —
dat verdachte die [slachtoffer] de indruk heeft gegeven dat het geld dat zij met haar prostitutie verdiende door hem, verdachte, werd gebruikt voor betaling van vaste lasten en/of dit geld werd gespaard
en/of
waarbij het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht over en/of het misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer] door verdachte hieruit heeft bestaan
- —
dat die [slachtoffer] bang was dat haar werkzaamheden in de prostitutie bekend zouden worden gemaakt door verdachte bij haar ouders en/of familie en/of
- —
dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] een verleden heeft van (eerder) door geweld en/of bedreiging met geweld in de prostitutie te zijn gebracht door een ander dan verdachte en/of verdachte die [slachtoffer] de indruk verschafte en/of het gevoel gaf dat hij haar tegen die ander beschermde en/of
- —
verdachte misbruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer], door wat ze eerder heeft meegemaakt, een scheef beeld heeft/had van wat een normale gelijkewaardige relatie is/was en/of die [slachtoffer] daarom bereid was alles voor verdachte te doen teneinde de relatie goed en/of in stand te houden en/of het haar taak vond voldoende inkomsten uit prostitutie te genereren teneinde verdachte te pleasen/tevreden te houden
- —
verdachte geheel of grotendeels de inkomsten uit de prostitutie van die [slachtoffer] op zijn, verdachtes bankrekening heeft gestort waarvoor die [slachtoffer] geen machtiging had en/of waarover zij geen overzicht had en/of waarvan zij de uitgaven niet kon controlen en/of daardoor die [slachtoffer] niet zelf de beschikking had over haar inkomsten uit prostitutie
- —
dat verdachte misbuik heeft gemaakt van de gevoelens van die [slachtoffer] t.a.v. hem, verdachte
en/of
waarbij het door verdachte dwingen en/of bewegen die [slachtoffer] zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (het werken en/of meer werken in de prostitutie) en/of waarbij het door verdachte verrichten van enige handeling waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (het werken of meer werken in de prostitutie) hieruit heeft bestaan
- —
dat verdachte die [slachtoffer] heeft misleid zoals hierboven omschreven en/of misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie zoals hierboven is omschreven en/of
- —
dat verdachte telkens/stelselmatig die [slachtoffer] vertelde dat haar inkomsten uit prostitutie niet voldoende waren en/of minder werden en/of de schuld die verdachte had maar niet werd afgelost en/of verdachte die [slachtoffer] telkens/stelselmatig vroeg om (meer) geld en/of (luxe) goederen en/of verdachte op die manier die [slachtoffer] de indruk gaf dat hun relatie met elkaar doordat die [slachtoffer] voor te weinig inkomsten zorgde, onder spanning stond of kwam te staan, in elk geval verdachte de druk op die [slachtoffer] opvoerde om naar verdachtes tevredenheid voor voldoende inkomsten te zorgen en/of verdachte die [slachtoffer] op die manier een schuldgevoel aanpraatte (dit terwijl verdachte zelf grote geldbedragen uitgaf aan luxe goederen en/of zijn uitgaansleven);
273 f lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van strafrecht
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2005 tot en met 9 juni 2009 te Amsterdam en/of te Nijmegen en/of elders in Nederland, althans in Nederland, (telkens), een ander [slachtoffer] met een van de onder lid 1 sub 1 van artikel 273f (voor 1 september 2006 artikel 273 a genoemd) wetboek van strafrecht genoemde middelen (te weten misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie) heeft gedwongen dan wel bewogen hem verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handeling(en) van [slachtoffer] met een derde,
waarbij de misleiding van die [slachtoffer] door verdachte hieruit heeft bestaan
- —
dat verdachte zich bij die [slachtoffer] heeft voorgedaan als vriend en/of partner en/of toekomstig echtgenoot en/of die [slachtoffer] de indruk heeft gegeven dat er sprake was van een normale/gelijkwaardige relatie en/of dit, terwijl verdachte met meerdere andere vrouwen uitging en/of afspraken maakte en/of seks had met andere vrouwen en/of er in werkelijkheid geen sprake was van een gelijkwaardige relatie/verhouding en/of
- —
dat verdachte die [slachtoffer] telkens heeft voorgehouden dat de schuld die hij, verdachte, bij de bank had, maar niet kleiner werd en die afgelost moest worden ((zulks terwijl verdachte het op verdachtes bankrekening gestorte geld afkomstig van die [slachtoffer] alleen of grotendeels benutte voor de aanschaf van luxe/dure goederen en/of om zijn eigen uitgaansleven te bekostigen en/of niet, (zoals de afspraak blijkbaar was) ter aflossing van die schuld werd benut en/of waardoor die [slachtoffer] dus genoodzaak was/zich genoodzaakt voelde nog harder/meer uren te werken en/of voor nog meer inkomsten uit de prostitutie te zorgen)) en/of
- —
dat verdachte die [slachtoffer] de indruk heeft gegeven dat het geld dat zij met haar prostitutie verdiende door hem, verdachte, werd gebruikt voor betaling van vaste lasten en/of dit geld werd gespaard
en/of
waarbij het misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht over en/of het misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer] door verdachte hieruit heeft bestaan
- —
dat die [slachtoffer] bang was dat haar werkzaamheden in de prostitutie bekend zouden worden gemaakt door verdachte bij haar ouders en/of familie en/of
- —
dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer] een verleden heeft van (eerder) door geweld en/of bedreiging met geweld in de prostitutie te zijn gebracht door een ander dan verdachte en/of verdachte die [slachtoffer] de indruk verschafte en/of het gevoel gaf dat hij haar tegen die ander beschermde en/of
- —
verdachte misbruikt heeft gemaakt van het feit dat die [slachtoffer], door wat ze eerder heeft meegemaakt, een scheef beeld heeft/had van wat een normale gelijkewaardige relatie is/was en/of die [slachtoffer] daarom bereid was alles voor verdachte te doen teneinde de relatie goed en/of in stand te houden en/of het haar taak vond voldoende inkomsten uit prostitutie te genereren teneinde verdachte te pleasen/tevreden te houden
- —
verdachte geheel of grotendeels de inkomsten uit de prostitutie van die [slachtoffer] op zijn, verdachtes bankrekening heeft gestort waarvoor die [slachtoffer] geen machtiging had en/of waarover zij geen overzicht had en/of waarvan zij de uitgaven niet kon controlen en/of daardoor die [slachtoffer] niet zelf de beschikking had over haar inkomsten uit prostitutie
- —
dat verdachte misbuik heeft gemaakt van de gevoelens van die [slachtoffer] t.a.v. hem, verdachte
en/of
waarbij het dwingen dan wel bewegen hem verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handeling(en) van [slachtoffer] met een derde, hieruit heeft bestaan
- —
dat verdachte die [slachtoffer] heeft misleid zoals hierboven omschreven en/of misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare positie zoals hierboven is omschreven en/of
- —
dat verdachte telkens/stelselmatig die [slachtoffer] vertelde dat haar inkomsten uit prostitutie niet voldoende waren en/of minder werden en/of de schuld die verdachte had maar niet werd afgelost en/of verdachte die [slachtoffer] telkens/stelselmatig vroeg om (meer) geld en/of (luxe) goederen en/of verdachte op die manier die [slachtoffer] de indruk gaf dat hun relatie met elkaar doordat die [slachtoffer] voor te weinig inkomsten zorgde, onder spanning stond of kwam te staan, in elk geval verdachte de druk op die [slachtoffer] opvoerde om naar verdachtes tevredenheid voor voldoende inkomsten te zorgen en/of verdachte die [slachtoffer] op die manier een schuldgevoel aanpraatte;
meer subsidiair:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2005 tot en met 9 juni 2009 te Amsterdam en/of te Nijmegen en/of elders in Nederland, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting (het werken van een groot aantal uren in de prostitutie) van een ander, genaamd [slachtoffer],
- —
immers heeft verdachte geheel of grotendeels geleefd van de inkomsten die [slachtoffer] had uit de prostitutie welke [slachtoffer] hard werkte in de prostitutie en/of veel uren per week in de prostitutie werkte en/of heeft verdachte van die prostitutieinkomsten van die [slachtoffer] een groot aantal (luxe) goederen heeft gekocht en/of aangeschaft en/of verdachte, zich, diensten verschaft betaald van dat geld en/of zich de inkomsten die [slachtoffer] had uit de prostitutiewerkzaamheden geheel of grotendeels toegeëigend of ten eigen nutte besteed;
- 2.
Hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van de maand januari 2005 tot en met 9 juni 2009 te Amsterdam en/of te Nijmegen en/of elders in Nederland, althans in Nederland, een aantal voorwerpen te weten
- —
een aantal geldbedragen (afkomstig van [slachtoffer], verdiend door die [slachtoffer] in de prostitutie) en/of
- —
een auto (BMW [01-AA-BB]/geheel of grotendeels gekocht van geld door [slachtoffer] verdiend in de prostitutie) en/of
- —
een of meer andere goederen t.w. 3, althans een aantal (dure) horloges en/of een grote hoeveelheid dure (merk)kleding en/of (merk) jassen en/of dure (merk) schoenen en/of een aantal sieraden )) en/of een of meer andere goederen en/of geldbedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een aantal voorwerpen, te weten
- —
een aantal geldbedragen (afkomstig van [slachtoffer], verdiend door die [slachtoffer] in de prostitutie) en/of
- —
een auto (BMW [01-AA-BB]/geheel of grotendeels gekocht van geld door [slachtoffer] verdiend in de prostitutie) en/of
- —
een of meer andere goederen t.w. 3, althans een aantal (dure) horloges en/of een grote hoeveelheid dure (merk)kleding en/of (merk) jassen en/of dure (merk) schoenen en/of een aantal sieraden )) en/of een of meer andere goederen en/of geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is op 6 januari 2010 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr S. Goedvriend, advocaat te Nijmegen.
De officier van justitie, mr. A. van Veen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.
Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.
3. De beslissing inzake het bewijs
Vrijspraak feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en feit 2
Ten aanzien van feit 1, primair, subsidiair en meer subsidiair:
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging:
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.
Hij heeft zich onder verwijzing naar het arrest van de Hoge raad van 27 oktober 2009, LJN: BI7099 op het standpunt gesteld — kort samengevat — dat, ondanks de stelling van het slachtoffer dat zij vrijwillig in de prostitutie heeft gewerkt en geen slachtoffer is, haar eigen ervaring en gevoel niet doorslaggevend zijn voor de vraag of hier sprake is geweest van uitbuiting. Bezien dient te worden of het naar in onze samenleving geldende maatstaven normaal en aanvaardbaar is wat hier is gebeurd, of dat er volgens die maatstaven sprake is geweest van het profiteren en uitbuiten van een medemens door verdachte, aldus de officier van justitie.
Naar het oordeel van de officier staat vast dat het slachtoffer, [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) in de periode van juni 2006 tot aan de aanhouding van verdachte op 9 juni 2009 in de prostitutie heeft gewerkt, dat zij eerder slachtoffer is geweest van een ‘loverboy’, dat zij in tegenstelling tot verdachte geen eigen sociaal leven had, dat zij zeven dagen per week werkte en dat het geld dat zij verdiende grotendeels opging aan luxe goederen voor verdachte. Naar het oordeel van de officier van justitie is deze situatie niet normaal en aanvaardbaar gezien in het licht van de in onze samenleving geldende maatstaven en is er sprake geweest van uitbuiting.
De officier van justitie onderbouwt zijn standpunt als volgt.
Uit de telefoontaps blijkt dat verdachte [slachtoffer] heeft misleid, door zich manipulatief te gedragen en in te spelen op haar gevoelens, onder andere door de indruk te wekken unieke gevoelens jegens haar te hebben, terwijl hij tegelijkertijd afspraken en seksuele relaties had met andere vrouwen. Verdachte heeft [slachtoffer] ook op financieel terrein misleid, door te zeggen niet te weten waarom ze steeds rood stonden, maar ondertussen veel geld uit te geven. Bovendien heeft hij steeds gezegd dat zij een schuld van EUR 20.000,00 bij de bank hadden, die moest worden afgelost, terwijl deze schuld door zijn toedoen niet afnam.
Verdachte heeft, hoewel [slachtoffer] blijkens een telefoontap van 23 maart 2009 heeft aangegeven dat zij het zat was om 7 dagen per week te werken, haar niet de ruimte gegeven om minder te gaan werken maar impliciet aangegeven dat zij eigenlijk nog intensiever zou moeten werken. Uit het telefoongesprek van 23 maart 2009, in het bijzonder uit de woorden ‘mag ik het eerlijk zeggen, zonder dat je weer boos wordt’ en uit een gesprek van 24 maart 2009 ‘mag ik van de week een nieuwe spijkerbroek kopen’ blijkt dat [slachtoffer] angst had om de situatie aan de kaak te stellen en toestemming vroeg om van haar eigen verdiende geld een spijkerbroek te komen. Verdachte heeft haar blijkbaar onder controle gehouden en heeft ervoor gezorgd dat [slachtoffer] haar werkzaamheden in de prostitutie heeft voortgezet.
De officier van justitie komt op grond van deze feiten en omstandigheden tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat er sprake is geweest van uitbuiting, zoals primair tenlastegelegd onder feit 1.
Ten aanzien van de tenlastegelegde periode heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een periode van juni 2006 tot juni 2009 bewezen kan worden, hoewel de telefoontaps zien op de periode van februari 2009 tot juni 2009. Aan de hand van deze taps kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] ook vóór februari 2009 in de prostitutie werkte en al gedurende drie jaar een relatie had met verdachte. Gedurende de gehele periode is er een geldstroom geweest van [slachtoffer] naar verdachte, heeft [slachtoffer] geen vakantie gehad en heeft verdachte een dure BMW gekocht.
Naar het oordeel van de officier kan niet bewezen worden dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer], eruit bestaande dat [slachtoffer] bang was dat haar werkzaamheden in de prostitutie door verdachte bekend gemaakt zouden worden aan haar ouders.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich zou hebben schuldig gemaakt aan uitbuiting dan wel mensenhandel. Verdachte dient te worden vrijgesproken.
[slachtoffer] is naar eigen keuze, vrijwillig, werkzaam in de prostitutie. [slachtoffer] heeft eind 2005 aangifte gedaan van bedreiging, maar dat was niet jegens verdachte. Deze aangifte is echter waarschijnlijk wel de aanleiding geweest voor het onderhavige opsporingsonderzoek. [slachtoffer] heeft geen aangifte gedaan tegen verdachte. Zij heeft veelvuldig aan het openbaar ministerie kenbaar gemaakt dat zij ten aanzien van haar partner en verdachte in deze zaak, geen slachtoffer is van misleiding, misbruik of uitbuiting.
Verdachte en [slachtoffer] hebben een duurzame relatie met elkaar en er is sprake van dwang noch uitbuiting. Artikel 273f Wetboek van het Strafrecht is gericht op de bescherming van labiele personen die hun wil niet meer kunnen bepalen. [slachtoffer] is niet labiel en is goed in staat haar eigen wil te bepalen.
Ten aanzien van feit 2:
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat indien uitbuiting bewezen is, er sprake is geweest van een delict waar verdachte veel profijt van heeft gehad. Uit financieel onderzoek is gebleken dat verdachte zelf niet genoeg verdiende om zijn uitgaven te bekostigen. De geldbedragen zoals uit de stortingsoverzichten blijken alsmede de auto (BMW) zijn dus verkregen middels de uitbuiting. Feit 2 is derhalve wettig en overtuigend bewezen, voor zover het gaat om het gestelde onder de eerste twee streepjes uit de opsomming.
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van feit 2. Immers, nu geen sprake is geweest van uitbuiting, kan evenmin worden bewezen dat verdachte hiervan heeft geprofiteerd. De auto, een Audi A6, heeft verdachte grotendeels bekostigd van door hem zelf gespaard geld. De BMW die verdachte later heeft gekocht met inruil van zijn vorige auto, was een gezamenlijke aanschaf van verdachte en [slachtoffer].
Beoordeling van de rechtbank van feit 1, primair, subsidiair en meer subsidiair:
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan uitbuiting van [slachtoffer], zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uitgangspunt van het Nederlandse beleid ter zake van exploitatie van prostitutie is dat met strafrechtelijke middelen moet worden opgetreden tegen vormen van exploitatie waarbij enigerlei dwang of misleiding wordt gebruikt, of waarbij misbruik wordt gemaakt van een afhankelijke situatie. Exploitatie van prostitutie van volwassen onafhankelijke personen die met die exploitatie uit vrije wil hebben ingestemd, is niet strafbaar.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009 (LJN: BI7099) volgt dat voor het aannemen van uitbuiting niet zelfstandig is vereist dat het initiatief van verdachte is uitgegaan en evenmin dat het slachtoffer door verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht. De omstandigheid dat het slachtoffer reeds in de prostitutie werkzaam was behoeft geen aanwijzing te zijn voor vrijwilligheid en het ontbreken van een uitbuitingssituatie. Evenwel bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden met het oog op de vraag of en wanneer sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dient allereerst vastgesteld te worden of er is gebleken van handelen door dwang, door een of meer feitelijkheden, door dreiging met een of meer feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht of misbruik te maken van een kwetsbare positie.
Derhalve dient in de onderhavige zaak eerst vastgesteld te worden of er sprake is van misleiding, dan wel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, noch van misbruik van een kwetsbare positie. Hiertoe overweegt de rechtbank dat op basis van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] ter zitting moet worden aangenomen dat verdachte en [slachtoffer] hun relatie hebben ingericht op de manier die zij beiden wensen. [slachtoffer] was ten tijde van het gebeurde bovendien al in de dertig en dus meerderjarig. Zij is ouder dan verdachte. Zij woont (nog steeds) samen met verdachte en zij hebben trouwplannen. Uit de verklaring van [slachtoffer] ter terechtzitting is de overtuiging verkregen dat zij zich bewust is van de aard van het prostitutiewerk en dat de omstandigheden waaronder zij dat werk verricht gelijk zijn aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué in Nederland pleegt te verkeren. Ook is niet gebleken van een kwetsbare positie waarin [slachtoffer] zou verkeren. Er is niet gebleken van traumatische gebeurtenissen in het leven van [slachtoffer] die tot deze positie zouden hebben kunnen geleid en evenmin van zodanige sociale, psychische en/of financiële problematiek dat gesproken kan worden van een kwetsbaar persoon dan wel een kwetsbare positie. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat er ook een tapgesprek is waarbij verdachte aan [slachtoffer] toestemming vraagt om kleding te kopen. Dat verdachte en [slachtoffer] veelvuldig discussiëren over geld leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer] uitbuit, hoe ongewoon hun relatie, gezien de werkzaamheden van [slachtoffer], het verschil in inkomsten in samenhang met het bestedingspatroon van verdachte en het gedrag van verdachte ten aanzien van andere vrouwen, ook moge overkomen.
Evenmin is de rechtbank van oordeel dat sprake is van misleiding in die zin dat verdachte dusdanig verkeerde informatie aan [slachtoffer] heeft gegeven dat zij, indien de werkelijke omstandigheden bekend waren, er niet voor zou hebben gekozen om als prostituee te blijven werken. Niet is komen vast te staan dat verdachte loog over de ‘roodstand’ op de bankrekening dan wel de hoogte van de schulden en over zijn afspraken en/of relaties met andere vrouwen. [slachtoffer] heeft er blijk van gegeven de afspraken/relaties met andere vrouwen te kennen en heeft verklaard dat zich met de financiële zaken slechts beperkt bezighoudt, nu deze haar niet interesseren.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de inkomsten uit de werkzaamheden van [slachtoffer] grotendeels werden aangewend enkel ten behoeve van verdachte. Er heeft immers wel een inbeslagname plaatsgevonden en er is nader onderzoek verricht naar de in de gezamenlijke woning aangetroffen kleding, schoenen en luxe goederen van verdachte, doch dit is niet gebeurd naar de kleding, schoenen en/of luxe goederen van [slachtoffer]. [slachtoffer] en verdachte hebben beiden ter zitting verklaard dat een deel van de inkomsten van [slachtoffer] ook werd besteed aan luxe goederen ten behoeve van [slachtoffer]. Voorts acht de rechtbank op basis van de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] aannemelijk dat met de inkomsten van [slachtoffer] ook de gezamenlijke vaste lasten werden betaald.
De rechtbank overweegt ten slotte dat [slachtoffer] geen aangifte tegen verdachte heeft gedaan en steeds, ook ter terechtzitting, met grote stelligheid heeft verklaard dat haar prostitutiewerkzaamheden niet onvrijwillig waren en ook niet onder dwangcondities hebben plaatsgevonden.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.
Beoordeling van de rechtbank van feit 2
Nu niet is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan uitbuiting zoals onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd, kan evenmin worden bewezen dat verdachte profijt heeft gehad van deze uitbuiting.
Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van feit 2.
4. De beslissing
Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. H.P.M. Kester-Bik, als voorzitter,
mr. M.A.E. Somsen, rechter,
mr. J.M. Klep, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 januari 2010.