CRM, 26-01-2016, nr. 2016-7
ECLI:NL:XX:2016:4
- Instantie
College voor de Rechten van de Mens
- Datum
26-01-2016
- Magistraten
Mr. C.A. Goudsmit
- Zaaknummer
2016-7
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:XX:2016:4, Uitspraak, College voor de Rechten van de Mens, 26‑01‑2016
Uitspraak 26‑01‑2016
Mr. C.A. Goudsmit
Partij(en)
Oordeel in de zaak van
[…]
wonende te […], verzoeker
tegen
Tata Steel IJmuiden B.V.
gevestigd te IJmuiden, verweerster
1. Procesverloop
1.1
Bij verzoekschrift van 20 augustus 2015, dat op 21 augustus 2015 is ontvangen, heeft verzoeker het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hem verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden door hem het moskeebezoek op vrijdagen te weigeren.
1.2
Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
- —
aanvullend verzoekschrift van verzoeker van 31 augustus 2015;
- —
verweerschrift van verweerster van 26 oktober 2015;
- —
brief van verzoeker van 2 december 2015.
1.3
Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2015, waar partijen zijn verschenen. Verweerster werd vertegenwoordigd door […], manager Tata Steel Training Centre, die werd vergezeld door […], teamleider Procestechniek Opleidingen, en bijgestaan door […], jurist.
2. Feiten
2.1
Verzoeker is belijdend moslim. Hij uit deze geloofsovertuiging onder meer door vrijdags het gebed in de moskee bij te wonen.
2.2
Verzoeker is met ingang van 17 augustus 2015 bij verweerster gestart met de opleiding tot Allround Operator Procestechniek. Verzoeker is met verweerster een leer-arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van twee jaar. Verzoeker heeft daarnaast op 25 augustus 2015 een overeenkomst beroepspraktijkvorming gesloten met het ROC Nova College, hierna: het ROC.
2.3
Op 20 augustus 2015 heeft verzoeker met de teamleider Procestechniek Opleidingen, hierna: de teamleider, en de klassencoach een gesprek gevoerd over het moskeebezoek op vrijdagen. Vervolgens heeft verzoeker op 31 augustus 2015 de teamleider verteld dat hij stopt met zijn opleiding en dat hij ontslag neemt. Op 1 september 2015 heeft verzoeker ontslag genomen.
3. Beoordeling van het verzoek
3.1
Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoeker (verboden) onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden door hem het moskeebezoek op vrijdagen te weigeren.
Juridisch kader
3.2
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) bepaalt dat het maken van onderscheid op grond van godsdienst verboden is bij de arbeidsvoorwaarden. De Commissie Gelijke Behandeling, de voorganger van het College, heeft eerder geoordeeld dat moskeebezoek valt onder het begrip arbeidsvoorwaarden (zie Commissie gelijke behandeling (CGB), thans College, 1 juni 1999, 1999-49, overweging 4.2).
3.3
De AWGB verbiedt zowel direct als indirect onderscheid. In artikel 1, eerste lid, AWGB is bepaald dat sprake is van direct onderscheid op grond van godsdienst indien een persoon op grond van godsdienst op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. Van indirect onderscheid is sprake indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze, personen met een bepaalde godsdienst in vergelijking met andere personen bijzonder treft.
3.4
Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd. Het begrip omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging maar ook het zich er naar kunnen gedragen (vgl. Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39–40, Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met handelingsvrijheid, beoogt betrokkenen in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3). Hieruit volgt dat de AWGB tevens bescherming biedt aan gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging.
3.5
De voorganger van het College heeft eerder geoordeeld dat bezoek aan een moskee op vrijdagmiddag beschouwd kan worden als rechtstreekse uitdrukking van de islamitische geloofsovertuiging. Dat betekent dat verzoeker de bescherming kan inroepen van de AWGB (zie CGB, thans College, 6 juli 2010, 2010-102, overweging 3.7).
Onderscheid op grond van godsdienst?
3.6
Verzoeker is van mening dat verweerster jegens hem onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door hem het moskeebezoek op vrijdagen te weigeren. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Het vrijdagmiddaggebed is het belangrijkste gebed in de week en verzoeker is vanwege zijn islamitische geloofsovertuiging verplicht elke vrijdag dit gebed bij te wonen. Daarom heeft hij op 20 augustus 2015 de klassencoach en de teamleider gevraagd of hij elke vrijdagmiddag twee uur vrij kon krijgen. Omdat verweerster daartoe geen ruimte bood, stelde verzoeker voor om om de drie weken een uur vrij te nemen om de moskee te bezoeken. Ook op dit verzoek reageerde verweerster negatief. De teamleider gaf aan dat er in de eerste twintig weken van de opleiding geen mogelijkheden zijn om vrij te nemen. De teamleider stelde daarbij dat verzoeker de keuze had om of een alternatieve oplossing voor zijn religieuze verplichting te vinden of ontslag te nemen en een werkgever te vinden die wel ruimte bood om de moskee te bezoeken. Als verzoeker minder dan eenmaal in de drie weken naar het vrijdagmiddaggebed gaat, komt hij in strijd met zijn religieuze verplichtingen. Verzoeker baseert zich daarvoor op geschriften van korandeskundigen. Na de opleidingsperiode van twintig weken zou hij in ploegendienst gaan werken en nog een dag per week naar school gaan. Hij kan het dan zo plannen dat hij voor moskeebezoek op vrijdag geen vrij hoeft te nemen. Omdat verweerster hem geen ruimte bood om aan zijn religieuze verplichtingen te voldoen, voelde hij zich genoodzaakt om per 1 september 2015 zijn werkzaamheden en daarmee de opleiding stop te zetten.
3.7
Verweerster ontkent dat zij jegens verzoeker onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt. Hiertoe heeft zij het volgende aangevoerd. Verzoeker is bij verweerster gestart met de opleiding Allround Operator Procestechniek. Deze opleiding start vier keer per jaar. De opleiding bevat een combinatie van leren en werken en bestaat uit drie fasen. De eerste fase is een periode van twintig weken, waarin de leerling vijf dagen per week klassikaal onderwijs volgt. In deze fase krijgt de leerling een aantal leeropdrachten waarvoor hij moet slagen om door te kunnen gaan naar de volgende fase van de opleiding. Na afronding van de eerste fase gaat de leerling vier dagen per week stage lopen in een van de fabrieken van verweerster. Daarnaast blijft hij een dag per week onderwijs volgen. In de eerste fase kan geen vrij genomen worden. Leerlingen worden verwacht 100% aanwezig te zijn. Bij afwezigheid in deze eerste fase bestaat het risico dat de leerling achter gaat lopen en niet binnen twee jaar de opleiding afrondt. Dat wil verweerster voorkomen, nu deze opleiding een belangrijke investering in de medewerker is. Verweerster betaalt de opleiding en zorgt voor de benodigde leermiddelen en begeleiding. De leerling krijgt ook een goed salaris. Aan de leerlingen wordt tevens toegezegd dat zij na het behalen van hun diploma een baan bij verweerster krijgen. Op haar beurt vraagt verweerster dat de leerling zich maximaal inzet en de opleiding binnen twee jaar afrondt.
3.8
Verweerster stelt dat verzoeker tijdens het sollicitatiegesprek heeft aangegeven dat er geen belemmeringen zijn om de opleiding te volgen. Maar drie dagen na de start van de opleiding vroeg verzoeker al aan de klassencoach en de teamleider of hij elke vrijdagmiddag vrij kon krijgen voor een bezoek aan de moskee. Beiden antwoordden daarop dat het niet mogelijk is om vrij te krijgen gedurende de eerste twintig weken van de opleiding. Daarna heeft verzoeker nog twee voorstellen gedaan, die zij ook niet konden accepteren. Van alle leerlingen wordt 100% aanwezigheid verlangd.
3.9
Het College stelt vast dat verweerster gedurende de eerste twintig weken van de opleiding volledige aanwezigheid vergt, een eis waarvan niet wordt afgeweken. Het College overweegt dat verweerster hiermee geen direct onderscheid op grond van godsdienst maakt. Met deze eis verwijst verweerster immers niet naar de geloofsovertuiging van verzoeker. Met deze eis maakt verweerster echter wel indirect onderscheid op grond van godsdienst. Deze eis treft immers bijzonder leerlingen die vanwege hun geloof het vrijdagmiddaggebed in de moskee willen bijwonen en daarom niet volledig beschikbaar kunnen zijn voor de lessen.
Objectieve rechtvaardiging
3.10
Op grond van artikel 2, eerste lid, AWGB is indirect onderscheid niet verboden indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Het is aan verweerster om een objectieve rechtvaardiging aan te dragen voor het gemaakte onderscheid.
Doel van het onderscheid
3.11
Verweerster heeft aangevoerd dat voor alle leerlingen geldt dat zij de eerste twintig weken verplicht zijn om alle lessen te volgen en geen vrij kunnen krijgen. De lessen kunnen niet worden ingehaald op een later tijdstip, ook niet tijdens de schoolvakanties, omdat dan geen les wordt gegeven. Als een leerling een aantal lessen mist, is de kans aanwezig dat deze leerling achter gaat lopen en niet binnen twee jaar zal slagen voor het examen.
3.12
Het College begrijpt hieruit dat het doel van verweerster is om er voor te zorgen dat leerlingen hun diploma binnen twee jaar behalen. Het College is van oordeel dat dit doel beantwoordt aan een werkelijke behoefte en dat dit doel geen discriminerend oogmerk heeft. Derhalve is sprake van een legitiem doel.
Het middel
3.13
Het middel dat verweerster hanteert is in de eerste twintig weken van de opleiding volledige aanwezigheid van leerlingen te eisen. Dit middel kan bijdragen aan het bereiken van het door verweerster nagestreefde doel. Het College acht het doel dan ook passend.
Is het middel noodzakelijk?
3.14
Ter beantwoording van de vraag of het middel noodzakelijk is, in de zin dat er geen andere maatregelen zijn waarmee het doel ook kan worden bereikt en die niet of minder onderscheid maken, overweegt het College als volgt. Vast is komen te staan dat verweerster niet heeft onderzocht of er niet of minder onderscheidmakende alternatieven voorhanden zijn waarmee het nagestreefde doel ook bereikt kan worden. Zij heeft de alternatieven van verzoeker categorisch afgewezen. Desgevraagd heeft verweerster verklaard dat ingeval een leerling in de eerste twintig weken van de opleiding ziek wordt en daardoor lessen mist, gekeken wordt of de leerling de opdrachten in die periode haalt. Zo niet, dan kan hij opnieuw met de opleiding starten, nu deze vier keer per jaar wordt aangeboden. Vast staat dat verweerster deze mogelijkheid niet aan verzoeker heeft aangeboden. Naar het oordeel van het College had verweerster moeten kijken of verzoeker van deze mogelijkheid gebruik kon maken en had verweerster de daaraan klevende bezwaren moeten afwegen tegen het belang van verzoeker om de opleiding te kunnen volgen in combinatie met het uitoefenen van zijn godsdienst. Temeer nu verzoeker volgens zijn berekening, die door verweerster niet is betwist, slecht vier uur les in de periode van twintig weken zou missen.
3.15
Verweerster wil alle leerlingen gelijk behandelen en daarom voor niemand een uitzondering maken. Verweerster heeft het verzoek van een leerling die aan topsport meedeed en om die reden een aantal uren per week vrij wilde ook afgewezen. Ook wijst verweerster alle verzoeken voor verlof in verband met tandarts en dokter af. Leerlingen moeten dergelijke bezoeken voor of na school plannen. Dit argument treft in deze geen doel. De kern van de gelijkebehandelingswetgeving is juist dat een persoon wordt beschermd indien hij of zij wordt geraakt in een beschermd persoonskenmerk, waaronder zijn of haar godsdienstige overtuiging. Iemand die bijvoorbeeld vanwege topsport lessen moet missen, komt deze bescherming niet toe vanwege het ontbreken van een dergelijk beschermd persoonskenmerk.
3.16
Op grond van het voorgaande concludeert het College dat, nu verweerster heeft nagelaten te onderzoeken of er alternatieven voorhanden zijn die niet dan wel minder onderscheidmakend zijn, het middel niet noodzakelijk is. Hierdoor ontbreekt een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Het College oordeelt derhalve dat verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door hem het moskeebezoek op vrijdag te weigeren.
4. Oordeel
Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat Tata Steel IJmuiden B.V. jegens […] verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden door hem het moskeebezoek op vrijdag te weigeren.
Aldus gegeven te Utrecht op 26 januari 2016 door mr. C.A. Goudsmit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.
mr. C.A. Goudsmit
mr. N. Günes