Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.7.1
6.7.1 De rechtvaardiging
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS352224:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dikwijls zal in deze gevallen voldaan zijn aan het subsidiariteitsvereiste aangezien de bestuurder moet kiezen uit het achterwege laten van het sluiten van de overeenkomst en het informeren van de schuldeiser. In beide gevallen zal de bedrijfsvoering in de knel komen, hetgeen de reddingskansen zal verkleinen. Het aantrekken van nieuw krediet zal gebeuren in het kader van de reddingspoging zelf.
Zie over dit belang van de schuldeiser en de plicht van de bestuurder om die informatie te delen paragraaf 5.9.
Kunnen maatschappelijke belangen van behoud van werkgelegenheid en onderneming rechtvaardigen dat de bestuurder een schuldeiser niet (of niet volledig) inlicht over het feit of het risico dat zijn vordering niet binnen een redelijke termijn na de opeisbaarheid zal (kunnen) worden voldaan. Beide situaties kunnen zich immers voordoen: de bestuurder weet dat een ernstig risico op niet nakoming bestaat en de bestuurder weet op grond van de financiële situatie dat de vordering niet binnen een redelijke termijn na het opeisbaar worden ervan zal kunnen worden voldaan. De gevallen die in paragraaf 6.6 worden genoemd, betreffen de situatie waarin de bestuurder weliswaar weet dat gezien de liquiditeitskrapte de vordering niet tijdig kan worden voldaan althans dat daarop een ernstig risico bestaat, maar hij pogingen onderneemt om (delen van) de onderneming te behouden. Uit het gebrek aan liquiditeit leidt hij af dat de onderneming niet kan nakomen (althans, niet binnen een redelijke termijn) maar gelet op zijn reddingspogingen gaat hij ervan uit dat de desbetreffende schuldeiser uiteindelijk wel voldaan zal worden. Dat kan komen doordat de bestuurder verwacht dat de onderneming de betalingsproblemen uiteindelijk het hoofd zal bieden en de vordering van de schuldeiser (inclusief de wettelijke rente) alsmede de eventuele schade kan betalen of omdat de schuldeiser te zijner tijd verhaal kan nemen op het vermogen van de onderneming en zich op die manier volledig kan voldoen. Ik meen dat de bestuurder in die situatie een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond mits hij kan aantonen dat ten tijde van het aangaan van de desbetreffende verplichting een redelijke kans bestond dat (delen van) de onderneming (in welke vorm dan ook) gered zou(den) worden en de bedoelde schuldeiser voldaan zou worden.1 Het dient dan wel te gaan om een voor de voortzetting van de bedrijfsvoering noodzakelijke schuldeiser. De maatschappelijke belangen van werkgelegenheid en behoud van ondernemingen kunnen in dat geval een rechtvaardiging vormen voor het niet of niet volledig inlichten van de schuldeiser omdat het gewicht van deze belangen onder die omstandigheden zwaarder weegt dan het (geschonden) belang van de schuldeiser.
Liquiditeitsproblemen zijn dikwijls een indicatie dat de onderneming op een deconfiture afstevent indien zij op dezelfde voet blijft opereren, maar zij houden niet het allesbepalende oordeel in over de toekomst van de onderneming. Een tijdige reorganisatie kan ervoor zorgen dat de betaalachterstanden worden ingehaald en de onderneming financieel stabiliseert. Bestuurders dienen de mogelijkheid te hebben de mogelijkheden te onderzoeken en een reddingsplan op te stellen zonder te worden genoodzaakt (nieuwe) schuldeisers te informeren met het risico dat zij afhaken (of dat zij bij een langdurige zakelijke relatie nieuwe leveranties afhankelijk stellen van de voldoening van openstaande vorderingen) hetgeen de continuïteit van de bedrijfsvoering nog meer in gevaar brengt. Ik meen dat de bestuurder met het oog op de maatschappelijke belangen van werkgelegenheid en de handhaving van rendabele ondernemingsactiviteiten – aansluitend bij zijn plicht om het vennootschappelijk belang te dienen – het belang van de schuldeiser om een geïnformeerde financiële beslissing te nemen mag achterstellen.2 Als gezegd dient daarvoor wel sprake te zijn van een redelijke kans dat (onderdelen van) de onderneming wordt behouden en de desbetreffende schuldeiser uiteindelijk krijgt wat hem toekomt.