HR, 18-11-2003, nr. 02293/02
ECLI:NL:HR:2003:AL8441
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
18-11-2003
- Zaaknummer
02293/02
- Conclusie
Mr Machielse
- LJN
AL8441
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2003:AL8441, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑11‑2003
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AL8441
ECLI:NL:HR:2003:AL8441, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 18‑11‑2003; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL8441
Conclusie 18‑11‑2003
Mr Machielse
Partij(en)
Nr. 02293/02
Mr Machielse
Zitting 7 oktober 2003 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1.
Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 28 februari 2002 ter zake van - kort gezegd - rijden onder invloed veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een geldboete van € 450, subsidiair achttien dagen hechtenis, en een rijontzegging van negen maanden. Verder heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een rijontzegging van zes maanden.
2.
Namens verdachte heeft mr A.J.C.W. van de Ven, advocaat te 's-Hertogenbosch, beroep in cassatie ingesteld.
3.1
De eerste vraag die zich in deze zaak aandient, is of een schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend. Ik schets kort de gang van zaken.
3.2
De in artikel 435, lid 1, Sv bedoelde aanzegging is op 24 februari 2003 verzonden naar het Duitse woonadres van verdachte. De termijn voor het indienen van middelen verliep, gelet op het bepaalde in art. 588, lid 2, Sv, dus op 25 april 2003. Op die dag is ter griffie van de Hoge Raad een fax binnengekomen van de advocaat van verdachte, gericht aan het parket van de Procureur-Generaal en gedateerd 24 april 2003, met de volgende inhoud:
- "()
Deze week wendde zich tot mij opgemelde cliënt met het verzoek een cassatie-schriftuur in te dienen in opgemelde zaak onder meer vanwege het feit, dat de oproep in hoger beroep hem na verhuizing al voor het appel niet op tijd heeft bereikt en cliënt daarom niet in de gelegenheid is geweest zijn standpunt na verwijzing naar de meervoudige kamer toe te lichten.
Tijdens de eerste behandeling is het nieuwe adres van cliënt medegedeeld, zodat de onjuiste betekenis evident is.
Gaarne verneem ik.
()"
3.3
Op 28 april 2003 heeft de raadsman per fax verzocht hem een termijn te vergunnen voor het aanvullen van de gronden van het cassatieberoep. Nadat dit verzoek was afgewezen, heeft de raadsman bij brief van 9 mei 2003 verzocht zijn brief van 24 april 2003 aan te merken als cassatieschriftuur.
3.4
Ik meen dat een geschrift om als een cassatieschriftuur in de zin van de wet te worden aangemerkt op zijn minst naar zijn uiterlijke verschijning als zodanig herkenbaar moet zijn. De onder 3.2 aangehaalde fax bevat een mededeling van de raadsman aan de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad dat de verdachte hem om onder meer een bepaalde reden heeft verzocht een cassatieschriftuur in te dienen. De vorm van het geschrift doet, nog afgezien van de geadresseerde(1), niet aan een cassatieschriftuur denken. Zo ontbreekt niet alleen een opschrift met die strekking, maar valt ook de term "middel van cassatie" niet. Verder doet ook de afsluiting van deze brief ("Gaarne verneem ik") eerder vermoeden dat de raadsman op instructies wachtte, dan dat hij met die brief heeft beoogd zijn grieven naar voren te brengen. Dit vermoeden vindt bevestiging in de brief van de raadsman van 9 mei 2003, waarin hij vraagt zijn eerdere brief als cassatieschriftuur aan te merken. Daar komt bij dat deze laatste brief buiten de cassatietermijn is ingediend, zodat deze slechts zou kunnen gelden als een aanvulling op binnen die termijn aangevoerde gronden. Voor een verandering van de aard van binnen de termijn ingediende stukken zijn buiten de termijn ontvangen brieven niet geschikt(2).
In de fax die op 25 april 2003 is ontvangen ontbreekt voorts een stellige en duidelijke grief tegen de bestreden uitspraak.(3) Het eerste deel van de fax meldt slechts dat de oproeping voor de behandeling door de meervoudige kamer van het hof verdachte niet op tijd heeft bereikt en dat verdachte daarom niet in staat is geweest zijn standpunt toe te lichten. Het tweede deel stelt dat tijdens de eerste behandeling "het nieuwe adres van cliënt (is) medegedeeld, zodat de onjuiste betekenis evident is." Aldus wordt onvoldoende duidelijk aangegeven waarom het hof het recht zou hebben geschonden dan wel vormen zou hebben verzuimd.(4) Ik kan in hetgeen de advocaat in zijn fax schrift een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen(5) niet ontwaren.
3.5
Al met al meen ik dat de op 25 april 2003 ontvangen fax niet als een cassatieschriftuur in de zin der wet kan worden aangemerkt. Van een professionele verlener van rechtsbijstand mag meer verwacht worden, zeker als hij zélf namens verdachte tijdig cassatieberoep heeft laten instellen, en hij dus niet verrast kon zijn door het verzoek van verdachte namens hem een cassatieschriftuur in te dienen.
4.
Een en ander leidt tot de slotsom dat geen schriftuur in de zin der wet is ingediend, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Mocht uw Raad daar anders over denken, dan houd ik mij tot het nemen van een aanvullende conclusie bereid.
5.
Deze conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
(1) Ingevolge HR 15 april 1975, NJ 1975, 271, m.nt. ThWvV, is het versturen van de schriftuur naar de P-G bij de HR op zichzelf niet fataal.
(2) Vgl. HR 14 november 2000, NJ 2001, 16.
(3) Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p. 82.
(4) HR NJ 2002, 77.
(5) HR 14 januari 2003, nr. 00194/02; HR 17 juni 2003, nr. 02729/02.
Uitspraak 18‑11‑2003
Inhoudsindicatie
Aan een cassatiemiddel te stellen eisen.
Partij(en)
18 november 2003
Strafkamer
nr. 02293/02
LR/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 februari 2002, nummer 20/000220-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats] (Duitsland), zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 14 december 2000 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete € 450,-, subsidiair achttien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
2.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.M.W.H. Bedaux, advocaat te Heerlen, een geschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.
2.2.
De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Hetgeen in het - niet als schriftuur aangeduide - faxbericht wordt aangevoerd, voldoet niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen, nu daarin niet is vermeld tegen welke beslissing van het Hof de klacht gericht is en het geen stellige en duidelijk klacht bevat over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.
3.2.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 november 2003.