RvS, 26-03-2013, nr. 201300506/2/R2
ECLI:NL:RVS:2013:BZ7521
- Instantie
Raad van State
- Datum
26-03-2013
- Zaaknummer
201300506/2/R2
- LJN
BZ7521
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2013:BZ7521, Uitspraak, Raad van State, 26‑03‑2013; (Voorlopige voorziening)
Uitspraak 26‑03‑2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek Sint Jacobsstraat-Lange Viestraat, Binnenstad" vastgesteld.
Partij(en)
201300506/2/R2.
Datum uitspraak: 26 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend te [woonplaats],
en
1. de raad van de gemeente Utrecht,
2. het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek Sint Jacobsstraat-Lange Viestraat, Binnenstad" vastgesteld.
Bij besluit van 4 december 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een omgevingsvergunning verleend voor het in- en uitwendig veranderen en vergroten van het winkelcentrum La Vie, de parkeergarage en kantoren en het slopen van een loopbrug.
De raad heeft besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).
Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] beroep ingesteld.
[verzoekers] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 maart 2013, waar [verzoeker B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer zijn verschenen.
Voorts is ter zitting als partij gehoord de stichting Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klein, advocaat te Amsterdam.
Overwegingen
- 1.
Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
- 2.
[verzoekers] zijn eigenaren van het pand [locatie] te Utrecht. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover wordt voorzien in een verhoging van de parkeergarage. Zij betogen dat van gemeentezijde onvoldoende is gereageerd op verzoeken omtrent inzage in het bezonningsonderzoek. Voorts betogen zij dat het bezonningsonderzoek ondeugdelijk is nu de consequenties van verminderd daglicht, gemeten in Lux, niet zijn meegenomen. [verzoekers] bestrijden het standpunt van de raad dat de invloed op de bezonning in de woning minimaal is alsmede dat thans reeds geen sprake is van uitzicht vanuit de achterzijde van het pand. Voorts betogen zij dat onvoldoende is bezien wat de effecten zijn van het verhogen van de parkeergarage op de verhuurbaarheid dan wel verkoopbaarheid van de appartementen in hun pand.
- 3.
De raad stelt dat het pand [locatie] ingeklemd ligt tussen de bioscoop, de parkeergarage en de kerk. Vanuit de achterzijde van het pand bedraagt de afstand tot de parkeergarage meer dan 40 meter, aldus de raad. Uit het bezonningsonderzoek voor het pand blijkt dat uitsluitend in de zomerperiode, peildatum 21 juni, om 17.30 uur sprake is van een langere schaduw. Evenwel valt deze voornamelijk achter het pand, in de steeg, aldus de raad. Volgens de raad treedt er een zeer geringe verslechtering op als gevolg van de nieuwbouw, zowel wat betreft uitzicht als de invloed op daglichttoetreding in het pand. De raad verwacht gelet hierop niet dat het plan invloed zal hebben op de verhuurbaarheid van de appartementen.
- 4.
Ten aanzien van het betoog van [verzoekers] omtrent de inzage in het bezonningsonderzoek, wordt overwogen dat ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze procedure vangt aan met de terinzagelegging van het ontwerpplan. Nu het betoog ziet op de periode die voorafgaat aan de terinzagelegging van het ontwerpplan, kan dit gelet op het voorgaande geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het plan. Niet in geschil is dat [verzoekers] bij de terinzagelegging van het ontwerpplan over het bezonningsonderzoek beschikten.
- 5.
Het plan voorziet onder meer in een verhoging van de parkeergarage van 23 meter naar maximaal 24 meter. Ten behoeve van het plan is door de raad een bezonningsonderzoek verricht voor onder meer het pand [locatie]. Ter zitting is door de raad aan de hand van de bezonningsdiagrammen toegelicht dat een vermindering van daglicht uitsluitend zal optreden in de zomerperiode om 17.30 uur en dan nog in beperkte mate. [verzoekers] hebben dit op zichzelf niet bestreden. [verzoekers] hebben naar het oordeel van de voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat het bezonningsonderzoek onvoldoende nauwkeurig moet worden geacht ter bepaling van de effecten op de daglichttoetreding in het pand [locatie]. In dit betoog ziet de voorzitter dan ook geen aanleiding voor schorsing van het plan en de omgevingsvergunning.
- 6.
Wat betreft het betoog van [verzoekers] dat met een verhoging van de parkeergarage sprake is van een vermindering van het uitzicht vanuit het pand [locatie], ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze vermindering zodanig is, dat het plan en de omgevingsvergunning voor schorsing in aanmerking komen. Bij dit oordeel betrekt de voorzitter dat het pand [locatie] zich in stedelijk gebied bevindt en thans reeds nagenoeg geheel is omsloten door bebouwing. Voorts is onbestreden dat de parkeergarage zich op een afstand van ruim 40 meter bevindt. Daarnaast bedraagt de verhoging van de maximale bouwhoogte ten opzichte van het vorige plan één meter.
- 7.
In aansluiting op hetgeen onder 5 en 6 is overwogen, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het kader van de belangenafweging onvoldoende heeft bezien wat de effecten van het plan zijn op de verhuurbaarheid van de appartementen in het pand [locatie].
- 8.
Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
- 9.
Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Fenwick
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2013
- 608.