Rb. Noord-Nederland, 16-04-2015, nr. LEE 14/1870
ECLI:NL:RBNNE:2015:1906
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
16-04-2015
- Magistraten
Mr. G.B.A. Brummer
- Zaaknummer
LEE 14/1870
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2015:1906, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 16‑04‑2015
Uitspraak 16‑04‑2015
Mr. G.B.A. Brummer
Partij(en)
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2015 in de zaak tussen
mr. [eiser], te [woonplaats], eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Leeuwarden, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Verweerder heeft voor het jaar 2014 met dagtekening 25 februari 2014 aan eiser een aanslag gemeentelijke heffingen (‘precario’) opgelegd ten bedrage van € 798,38.
Bij uitspraak op bezwaar van 28 maart 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1.
De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.1
Eiser is eigenaar en gebruiker van een woonboot gelegen aan de [a-straat]. De woonboot is gelegen boven grond die eigendom is van de gemeente Leeuwarden.
1.2
Verweerder heeft met dagtekening 25 februari 2014 aan eiser een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd met aanslagnummer [001].
Op het aanslagbiljet is — voor zover hier van belang — het volgende vermeld.
‘Aanslag gemeentelijke heffingen
Omschrijving | Bedrag | |
|---|---|---|
Precario: schip of woonwagen per jaar | € | 798,38 |
Dossier: [002] | ||
Betreft adres: [adres] | ||
Aanslag op basis van de tarieventabel behorende bij Legesverordening Leeuwarden | ||
Totaalbedrag | € | 798,38’ |
1.3
De Raad van de Gemeente Leeuwarden heeft in zijn openbare vergadering van 29 januari 2014 de Verordening precariobelasting Leeuwarden 2014 (hierna: de Verordening) vastgesteld. In de Verordening is — voor zover hier van belang — het volgende vermeld.
‘Artikel 2. Aard van de heffing en belastbaar feit
Onder de naam ‘precariobelasting’ wordt een directe belasting geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel, waarvoor een vergunning verplicht is.
Artikel 3. Belastingplicht
1.
De belasting wordt geheven van degene die, al dan niet met vergunning, het voorwerp of de voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel van degene die ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.
2.
In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.’
1.4
In een e-mail van 1 april 2014 (behorende bij de gedingstukken), van verweerder aan eiser met betrekking tot de luifel aan de voorkant van het [X] Museum, staat het volgende vermeld:
‘Het kadastrale perceel waarop het [X] Museum staat en waaronder de parkeergarage ligt is gesplitst in appartementsrechten. De Vereniging van Eigenaren is eigenaar van het zogenaamde grondperceel en daarmee ook eigenaar van het plein dat voor het [X] Museum ligt.
Op het plein is een recht van opstal gevestigd ten behoeve van de gemeente Leeuwarden. Volgens de notariële akte omvat dit recht van opstal niet de pilaren met toebehoren ter ondersteuning van de luifel van het [X] Museum voor zover deze op het openbaar plein staan noch de luifel of ieder ander gedeelte van een gebouw onderdeel uitmakende van het in de voornoemde splitsing te betrekken complex voor zover dit over het openbaar plein is gebouwd.’
Geschil en beoordeling
1.
In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder op juiste gronden een aanslag precariobelasting heeft opgelegd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat niet in geschil is dat de aanslag op zichzelf overeenkomstig de verordening is opgelegd. Specifiek is in geschil het antwoord op de volgende twee vragen:
- —
Dient de aanslag te worden vernietigd omdat op de aanslag ‘precario’ staat vermeld in plaats van ‘precariobelasting’?
- —
Is de aanslag opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel?
Eiser beantwoordt de vragen bevestigend en verweerder ontkennend.
2.
Ingevolge artikel 228 van de Gemeentewet kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een precariobelasting worden geheven.
Dient de aanslag te worden vernietigd omdat op de aanslag ‘precario’ staat vermeld in plaats van ‘precariobelasting’?
3.
Eiser heeft aangevoerd dat de onderhavige de aanslag dient te worden vernietigd omdat op het aanslagbiljet ‘precario’ staat vermeld in plaats van ‘precariobelasting’. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op hetgeen op het aanslagbiljet stond vermeld (zie 1.1) kon er naar het oordeel van de rechtbank bij eiser redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat sprake was van precariobelasting. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door het feit dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verwezen naar — het onder 1.3 vermelde — artikel 2 van de Verordening. Deze beroepsgrond van eiser faalt.
Is de aanslag opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel?
4.
Eiser heeft aangevoerd dat de onderhavige heffing in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur omdat verweerder geen aanslagen precariobelasting heeft opgelegd voor de luifels van het [X] Museum en het winkelcentrum [Y], alsmede de parkeergarage. De rechtbank begrijpt eiser aldus dat hij hiermee allereerst een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel.
5.
Eiser heeft in dit verband allereerst aangevoerd (in zijn pleitnota) dat de gemeente niet is ingegaan op zijn verzoek om alle notariële stukken met betrekking tot het vestigen c.q. het voorbehoud van het opstalrecht te overleggen. Eiser acht dit in strijd met artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft hierover gesteld dat deze stukken — naar de rechtbank begrijpt — toentertijd in digitale vorm zijn bekeken en dat deze stukken bij het Kadaster, tegen betaling, zouden moeten worden opgevraagd.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Naar de rechtbank begrijpt betreffen de door eiser genoemde stukken, de stukken die eiser samen met verweerder in de bezwaarfase heeft bekeken. Deze gegevens behoren — nu deze kennelijk in de bezwaarfase zijn beoordeeld — daarmee tot de zogenoemde artikel 8:42-stukken. De rechtbank verbindt in het onderhavige geval echter geen gevolgen aan het niet overleggen. Redengevend daarvoor acht de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat de gemeente niet de juridische eigendom heeft van de hierna genoemde grond en eiser in de bezwaarfase deze gegevens — kennelijk samen met verweerder — heeft bekeken. Daarnaast staat het eiser vrij om, indien hij dit nodig acht, de stukken zelf te overleggen, nu sprake is van voor ieder toegankelijke stukken
6.
Eiser heeft aangevoerd dat de eigendom bij de vereniging van eigenaren berust maar dat de gemeente bij de verkoop van het plein ([Y]) een opstalrecht heeft voorbehouden, hetgeen er naar de mening van eiser toe leidt dat de gemeente ‘feitelijk juridisch’ nog steeds eigenaar is van het plein, en dat dit opstalrecht uiteraard doorwerkt ten aanzien van de luifels en de parkeergarage. Verweerder heeft hier tegenover aangevoerd dat de luifels van het [X] Museum en de parkeergarages zich niet boven gemeentegrond bevinden (zie ook 1.4), en dat er daarom geen precariobelasting kan worden geheven. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat opstalrecht niet gelijk kan worden gesteld met eigendom.
7.
De rechtbank stelt voorop dat op eiser de plicht rust te stellen en — bij betwisting — aannemelijk te maken dat
- (1)
er sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen en dat
- (2)
verweerder een begunstigend beleid heeft gevoerd of een oogmerk van begunstiging heeft gehad, dan wel dat in de meerderheid van gelijke gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.
De rechtbank overweegt dat onder gemeentegrond, als bedoeld in artikel 2 van de Verordening (zie 1.3), dient te worden verstaan de grond die eigendom is van de gemeente. Daaronder wordt niet begrepen een recht van opstal. Het opstalrecht is een beperkt zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander (eigenaar) gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. Dat de gemeente zoals eiser stelt, ‘feitelijk juridisch’ nog steeds eigenaar zou zijn van het [Y], vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht. Het vorenstaande brengt mee dat eiser — tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder — niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen ter zake waarvan een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet worden gehonoreerd. Gelet op het voorgaande is de aanslag evenmin in strijd opgelegd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
8.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de aanslag terecht en tot het juiste bedrag aan eiser opgelegd. Hetgeen eiser overigens als subsidiair en meer subsidiaire standpunten heeft aangevoerd, geeft de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.
9.
Het beroep is ongegrond.
10.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, rechter, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2015.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op [16 APR 2015]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.