AB 2023/195
Ontvankelijkheid; representatieve stichting met voldoende belang als gevoegde partij toegelaten aan zijde Shell in klimaatzaak van Milieudefensie c.s.
Hof Den Haag 25-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:736, m.nt. R. Stolk
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
25 april 2023
- Magistraten
Mrs. C.A. Joustra, J.J. van der Helm, P. Glazener
- Zaaknummer
200.302.332/01B
- Noot
R. Stolk
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS707653:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Energierecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHDHA:2023:736, Uitspraak, Hof Den Haag, 25‑04‑2023
- Wetingang
Essentie
Stichting M&M is representatief en heeft voldoende belang om zich te voegen aan de zijde van Shell, omdat de feitelijke gevolgen van het vonnis nadelig kunnen zijn voor het belang van haar achterban bij energiezekerheid.
Samenvatting
Verder is het hof van oordeel dat bij M&M de belangen van haar achterban voldoende zijn gewaarborgd: mede gelet op haar achterban is M&M voldoende representatief. Uit deze toelichting volgt dat een belangenorganisatie — kwantitatief gezien — een voldoende achterban moet hebben, al is niet helemaal duidelijk hoe bij een ideële actie, zoals de onderhavige, moet worden getoetst of de achterban een voldoende omvang heeft. In dit geval is niet vast te stellen hoe groot de groep personen is, die zich kan vinden in het door M&M behartigde belang dat het klimaatbeleid er niet toe moet leiden dat de energiezekerheid (tegen een betaalbare prijs) in het gedrang komt, en of M&M in dat verband beschikt over voldoende steunbetuigingen. Dit neemt niet weg dat voldoende is komen vast te staan dat M&M beschikt over een achterban. Zo heeft M&M — naar eigen zeggen — inmiddels ongeveer 5000 steunbetuigingen ontvangen terwijl zij slechts één jaar bestaat. Ook heeft M&M deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer om het door haar vertegenwoordigde belang te behartigen. Naar het oordeel van het hof heeft M&M toereikend toegelicht waarom zij belang heeft bij voeging. Het gaat erom dat de feitelijke gevolgen van de toewijzing van de vorderingen van Milieudefensie c.s. nadelig kunnen zijn voor de achterban van M&M en de door M&M volgens haar statuten nagestreefde belangen. M&M vreest dat de prijzen van fossiele brandstoffen zullen stijgen als gevolg van toewijzing van die vorderingen. Anders dan Milieudefensie c.s. aanvoeren, gaat het M&M niet uitsluitend om de precedentwerking die van het bestreden vonnis kan uitgaan. Het gaat M&M immers (ook) om de feitelijke gevolgen die kunnen uitgaan van het bestreden vonnis voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energiedragende producten die afkomstig zijn van Shell. Naar de aard van de zaak kan het bestreden vonnis aldus niet alleen gevolgen hebben in de verhouding tussen Shell en Milieudefensie c.s., maar kan het ook de feitelijke belangen van derden raken, waaronder de achterban van M&M. Daarmee is het belang van M&M om zich te voegen aan de zijde van Shell, gegeven.
Partij(en)
Arrest in het incident tot voeging, opgeworpen door:
Stichting Milieu en Mens, te Amsterdam, verzoekster in het incident tot voeging, adv.: mr. D.J.B. Bosscher kantoorhoudend te Halfweg,
in de zaak van:
Shell Plc., te Londen, Verenigd Koninkrijk, appellante in de hoofdzaak, verweerster in het incident tot voeging, adv.: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer, te Amsterdam,
tegen
- 1.
Vereniging Milieudefensie, te Amsterdam,
- 2.
Stichting Greenpeace Nederland, te Amsterdam,
- 3.
Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee, te Harlingen,
- 4.
Stichting ter bevordering van de Fossielvrij-beweging, te Amsterdam,
- 5.
Stichting Both Ends, te Amsterdam,
- 6.
Vereniging Jongeren Milieu Actief, te Amsterdam,
geïntimeerden in de hoofdzaak, verweersters in het incident tot voeging, adv.: mr. R.H.J. Cox kantoorhoudend te Maastricht.
Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk M&M, Shell en Milieudefensie c.s.
Uitspraak
1. Zaak in het kort
Milieudefensie c.s. zijn een procedure tegen Shell begonnen om Shell te gebieden haar CO2-emissies drastisch te beperken. De rechtbank heeft Milieudefensie c.s. grotendeels in het gelijk gesteld. Daarop is Shell in hoger beroep gekomen. In dit door M&M opgeworpen incident gaat het erom dat M&M verzoekt om zich mogen voegen aan de zijde van Shell. Het hof wijst deze vordering toe.
2. Het verloop van het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- —
de dagvaarding van 24 augustus 2021, waarmee Shell in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2021, voor zover gewezen tussen Milieudefensie c.s. enerzijds en Shell anderzijds;
- —
het proces-verbaal van de op 13 december 2021 gehouden regiezitting;
- —
de memorie van grieven van Shell, met bijlagen;
- —
de memorie van antwoord van Milieudefensie c.s., met bijlagen;
- —
de memorie houdende incident voor voeging ex artikel 217 Rv van M&M, met de producties 1 en 2;
- —
de memorie van antwoord in het incident van M&M ex artikel 217 Rv (en het verwante incident tot interventie van de Climate Intelligence, waarover het hof vandaag bij separaat arrest eveneens beslist);;
- —
de memorie van antwoord in het incident tot voeging van Milieudefensie c.s., met de producties 1 tot en met 16;
- —
de akte overlegging aanvullende producties van Milieudefensie c.s., met de producties 17 tot en met 24;
- —
de aanvullende producties 3 en 4 van M&M.
2.2
Op 15 maart 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het onderhavige voegingsincident. Tijdens deze mondelinge behandeling is ook het door Stichting Climate Intelligence opgeworpen tussenkomst- en voegingsincident behandeld. De advocaten (mr. Bosscher voor M&M, mr. Reij voor Milieudefensie c.s. en mr. Lunsingh Scheurleer voor Shell) hebben een toelichting gegeven aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.
2.3
Het hof heeft ervan kennis genomen dat de Vereniging Jongeren Milieu Actief (verweerder sub 6) op 1 september 2022 is ontbonden en de activiteiten van de vereniging zijn overgenomen door de jongerenorganisatie van Milieudefensie (voetnoot 1 akte overlegging producties Milieudefensie c.s.).
3. Feiten
3.1
In het tussen Milieudefensie c.s. en Shell gewezen vonnis van 26 mei 2021 heeft de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.5 een aantal feiten vastgesteld. Tussen Milieudefensie c.s. en Shell zijn deze feiten niet in geschil.
3.2
Voor zover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, staat tussen Shell en Milieudefensie c.s. het volgende vast.
- i.
Milieudefensie c.s. zijn belangenorganisaties die zich ten doel stellen — kort gezegd — de bescherming van de natuur en het milieu.
- ii.
Shell is de tophoudstermaatschappij van de Shell-groep.
- iii.
Sinds het begin van de industriële revolutie gebruikt de mensheid op grote schaal energie die voornamelijk wordt gewonnen door fossiele brandstoffen te verbranden. Hierbij komt kooldioxide (CO2) vrij. CO2 houdt tezamen met andere broeikasgassen de door de aarde uitgestraalde warmte vast in de atmosfeer. Dit wordt het broeikaseffect genoemd. Het broeikaseffect wordt sterker naarmate meer CO2 in de atmosfeer terecht komt. Er is een direct, lineair verband tussen de door de mens veroorzaakte uitstoot van broeigaskassen, die mede wordt veroorzaakt door de verbranding van fossiele brandstoffen, en de opwarming van de aarde. De aarde is nu opgewarmd met gemiddeld ongeveer 1,1 °C ten opzichte van de gemiddelde temperatuur aan het begin van de industriële revolutie.
- iv.
In de wetenschap die zich bezighoudt met het klimaat en klimaatverandering bestaat al geruime tijd internationaal consensus dat de gemiddelde temperatuur op aarde niet mag toenemen met meer dan 2 °C ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk om te voorkomen dat zich een gevaarlijke en onomkeerbare klimaatverandering voordoet. Om dit te bereiken dient de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer beneden een bepaald niveau te blijven.
- v.
In 2016 is het Akkoord van Parijs in werking getreden. Daarin is onder meer vastgelegd dat de mondiale opwarming ruim onder 2 °C moet blijven ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, met een streven naar 1,5 °C. Ieder land moet ambitieuze nationale klimaatplannen opstellen om deze doelstelling te halen, omdat de huidige plannen onvoldoende zijn om de gemiddelde temperatuurstijging ruim onder de 2 °C te houden. Verder vermeldt het Akkoord van Parijs dat er snel een eind moet komen aan het gebruik van fossiele brandstoffen omdat dit een belangrijke oorzaak is van de overmatige CO2-uitstoot.
- vi.
De mondiale gevolgen van klimaatverandering zijn onder meer kenbaar uit rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) van de Verenigde Naties. IPCC heeft vastgesteld dat er brede consensus bestaat dat om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, moet worden gekozen voor reductiepaden waarin de CO2-uitstoot in 2030 met netto 45% is teruggebracht ten opzichte van 2010, en in 2050 met netto 100%.
4. De procedure bij de rechtbank
4.1
Milieudefensie c.s. hebben een verklaring voor recht gevorderd:
- a.
dat het gezamenlijke jaarlijkse volume aan CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 3)1. dat is verbonden aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van Shell en (kort gezegd) de Shell-groep onrechtmatig is jegens Milieudefensie c.s. en (i) dit emissievolume moet worden gereduceerd en (ii) deze reductieverplichting dient plaats te vinden ten opzichte van het emissieniveau van de Shell-groep van het jaar 2019 en in overeenstemming met de mondiale temperatuurdoelstelling in het Akkoord van Parijs en de daaraan verbonden best beschikbare (VN) klimaatwetenschap;
dat Shell onrechtmatig handelt jegens Milieudefensie c.s. indien Shell en de Shell-groep niet uiterlijk per ultimo 2030 het gezamenlijke jaarlijkse volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer heeft verminderd of heeft doen verminderen met
o primair: ten minste 45% (althans netto 45%) in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;
o subsidiair: ten minste 35% (althans netto 35%) in vergelijking met het jaar 2019;
o meer subsidiair: ten minste 25% (althans netto 25%) in vergelijking met het jaar 2019.
Verder hebben Milieudefensie c.s. een bevel gevorderd dat Shell het gezamenlijke jaarlijkse volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 3), zodanig beperkt of doet beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2030:
o primair: met ten minste 45% (althans netto 45%) zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;
o subsidiair: met ten minste 35% (althans netto 35%) zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;
o meer subsidiair: met ten minste 25% (althans netto 25%) zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 2019.
4.2
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis — voor zover van belang — het volgende geoordeeld:
- —
Milieudefensie c.s. zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun collectieve vorderingen voor zover zij het belang dienen van de hele wereldbevolking bij het tegengaan van door CO2-uitstoot veroorzaakte gevaarlijke klimaatverandering.
- —
Shell is bevolen om het gezamenlijke jaarlijkse volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energiedragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer (scope 1, 2 en 3), zodanig te beperken of doen beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2030 zal zijn verminderd met netto 45% in vergelijking met het niveau van het jaar 2019.
5. De beoordeling van de incidentele vordering
5.1
M&M heeft bij wijze van incidentele vordering gevorderd dat het hof:
- 1.
Milieudefensie c.s. en Shell zal bevelen M&M te voorzien van hun processtukken in de eerste aanleg en het hoger beroep tot op heden;
- 2.
M&M zal toestaan zich te voegen aan de zijde van Shell in deze appelprocedure.
5.2
Shell heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
5.3
Milieudefensie c.s. hebben geconcludeerd dat het hof M&M niet-ontvankelijk zal verklaren in het incident, althans de vordering tot voeging zal afwijzen.
De belangen die M&M stelt te vertegenwoordigen
5.4
M&M is op 3 februari 2022 opgericht. Haar statutaire doelstelling houdt, voor zover van belang, het volgende in (art. 3 van haar statuten):
- “1.
De Stichting heeft ten doel om de belangen en rechten van Nederlandse burgers in verband met energie, in brede zin (inclusief democratie, economie, omgeving, klimaat en gezondheid), te beschermen, behartigen en vertegenwoordigen, daaronder begrepen het in rechte vertegenwoordigen van die belangen en rechten en het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.
- 2.
De Stichting bevordert het algemeen belang, heeft een ideëel doel en is een algemeen nut beogende instelling. Zij heeft geen winstoogmerk.
- 3.
De Stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:
- a.
het voeren van juridische procedures teneinde de belangen en rechten van Nederlandse burgers ter zake van energie (zoals hierboven omschreven) te verdedigen, beschermen en in rechte erkend te krijgen c.q. te handhaven en af te dwingen;
(…)”
5.5
M&M heeft aangevoerd dat het belangrijk is dat er een klimaat- en energiebeleid tot stand komt dat draagvlak heeft in de samenleving en waarbij alle Nederlandse huishoudens hun energie kunnen blijven betalen. M&M streeft in het bijzonder naar een beleid dat op democratische manier tot stand is gekomen met maximaal evenwicht tussen milieu en mens. Zij geeft invulling aan haar bestaan door middel van informatie-uitwisseling op haar website en debat via (onder meer) social media, deelname aan brainstormsessies en symposia. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft M&M een lijst met bijeenkomsten en activiteiten overgelegd die zij sinds haar oprichting heeft georganiseerd, althans waaraan zij heeft deelgenomen. M&M wil op deze manier bevorderen dat de gevolgen van het klimaatbeleid voor de gewone Nederlander al vroeg betrokken worden in de zoektocht naar een evenwichtig klimaatbeleid waar betaalbare energie niet onderdoet voor het belang van het milieu. M&M hanteert daarbij als criterium dat betaalbare, betrouwbare energie essentieel is voor welvaart omdat alleen dan de mens in staat is zorg te hebben voor het milieu, dus een klimaatbeleid dat rekening houdt met milieu én mens.
5.6
M&M heeft tijdens de mondelinge behandeling verder nog naar voren gebracht dat zij vreest dat als er uitvoering wordt gegeven aan het bestreden vonnis, dit direct of indirect zal leiden tot een (kunstmatige) schaarste aan de beschikbaarheid van fossiele energie en daarmee ook tot hogere prijzen. Voor de klimaattransitie is meer tijd nodig dan die Milieudefensie c.s. noodzakelijk achten. Gedurende de energietransitie naar een op elektriciteit gebaseerde samenleving blijft nog lange tijd fossiele energie nodig, aldus M&M.
5.7
Naar het hof begrijpt komt M&M op voor het belang van energiezekerheid (tegen een redelijke prijs) van de Nederlandse burgers. M&M is van mening dat deze energiezekerheid in het gedrang komt als het bestreden vonnis in stand blijft en acht het in het belang van haar achterban dat dit vonnis wordt vernietigd. Dit strookt met haar statutaire doelstelling die inhoudt dat M&M zich ten doel stelt de belangen en rechten van Nederlandse burgers in verband met energie, in brede zin, te beschermen, behartigen en vertegenwoordigen.
Ontvankelijkheid ex art. 3:305a BW
5.8
Het hof heeft allereerst te onderzoeken of M&M ontvankelijk is in haar vordering om te interveniëren in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. Nu M&M niet opkomt voor haar eigen belang, maar voor de belangen van andere personen, moet zij voldoen aan het bepaalde in art. 3:305a BW. Uit art. 68a OBW volgt dat op M&M het huidige art. 3:305a BW van toepassing is. In de gegeven omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om de vereisten van art. 1018c Rv toe te passen.
5.9
Art. 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon, zijnde een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Art. 3:305a lid 2 BW bepaalt dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de rechtspersoon voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen.
5.10
Ingevolge art. 3:305a lid 3 is een rechtspersoon slechts ontvankelijk indien (samengevat en voor zover relevant weergegeven):
- a.
de bestuurders geen winstoogmerk hebben dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd;
- b.
de rechtsvordering een voldoende nauwe band heeft met Nederland;
- c.
de rechtspersoon in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken.
Verder is vereist dat de rechtspersoon een bestuursverslag en een jaarrekening opstelt dat op de internetpagina van de rechtspersoon wordt gepubliceerd (art. 3:305a lid 5 BW).
5.11
Tot slot is van belang dat M&M kan worden aangemerkt als een stichting met een ideëel belang, omdat zij geen winstoogmerk heeft en de belangen die zij nastreeft niet (rechtstreeks) op geld waardeerbaar zijn. M&M wil evenmin een op geld waardeerbare vordering instellen, maar beoogt met haar interventie in deze procedure — kort gezegd — de energiebelangen van de Nederlandse burgers te behartigen. Dit alles brengt mee dat de rechter ingevolge art. 3:305a lid 6 BW M&M ontvankelijk kan verklaren zonder dat zij voldoet aan de vereisten van het lid 2, subonderdelen a tot en met e en lid 5.
5.12
Over de vraag of M&M aan alle ontvankelijkheidsvereisten voldoet, oordeelt het hof als volgt.
5.13
M&M wil in deze procedure opkomen voor het belang van energiezekerheid (tegen een redelijke prijs) van de Nederlandse burgers. Zij is van mening dat deze energiezekerheid in het gedrang komt als het bestreden vonnis in stand blijft en acht het in het belang van haar achterban dat dit vonnis wordt vernietigd. Dit belang strookt met haar statutaire doelstelling die inhoudt dat M&M zich ten doel stelt de belangen en rechten van Nederlandse burgers in verband met energie te beschermen, behartigen en vertegenwoordigen. M&M is daarmee aan te merken als een stichting die zich in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. wil voegen met een doel dat strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen.
5.14
Het hof verwerpt de stelling van Milieudefensie c.s. dat M&M onvoldoende heeft geconcretiseerd welke feitelijke activiteiten zij heeft ontplooid om haar doelstelling te realiseren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft M&M toegelicht welke activiteiten zij in haar — relatief korte — bestaan heeft ontplooid en die activiteiten houden verband met haar statutaire doelstelling.
5.15
Verder is het hof van oordeel dat bij M&M de belangen van haar achterban voldoende zijn gewaarborgd: mede gelet op haar achterban is M&M voldoende representatief. Dit oordeel zal het hof hieronder toelichten.
5.16
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor het huidige art. 3:305a BW is het volgende vermeld over de representativiteitseis:2.
“Deze eis voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de vereiste ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen bepaald worden in relatie tot het totaal aantal gedupeerden. Dit kan bijvoorbeeld worden getoetst op basis van de bij een vereniging aangesloten leden of door middel van het aantal gedupeerden dat zich actief voor de vordering heeft aangemeld.”
5.17
Uit deze toelichting volgt dat een belangenorganisatie — kwantitatief gezien — een voldoende achterban moet hebben, al is niet helemaal duidelijk hoe bij een ideële actie, zoals de onderhavige, moet worden getoetst of de achterban een voldoende omvang heeft. In dit geval is niet vast te stellen hoe groot de groep personen is, die zich kan vinden in het door M&M behartigde belang dat het klimaatbeleid er niet toe moet leiden dat de energiezekerheid (tegen een betaalbare prijs) in het gedrang komt, en of M&M in dat verband beschikt over voldoende steunbetuigingen. Dit neemt niet weg dat voldoende is komen vast te staan dat M&M beschikt over een achterban. Zo heeft M&M — naar eigen zeggen — inmiddels ongeveer 5000 steunbetuigingen ontvangen terwijl zij slechts één jaar bestaat. Ook heeft M&M deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer om het door haar vertegenwoordigde belang te behartigen.
5.18
Bij dit alles moet worden bedacht dat het bij de vraag of M&M ontvankelijk is, niet erom gaat of het standpunt van M&M dat het bestreden vonnis de energiezekerheid in gevaar brengt, juist is. Evenmin is van doorslaggevend belang of het door M&M behartigde belang slechts door een minderheid van de Nederlandse bevolking wordt onderschreven. Het gaat erom of M&M zich wil voegen teneinde gelijksoortige belangen van andere personen te behartigen en of M&M in dat verband voldoende representatief is. Aan deze beide voorwaarden is voldaan.
5.19
Wat betreft de vereisten van het derde lid van art. 3:305a BW geldt het volgende. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen dat aan de eerste twee eisen (ontbreken van winstoogmerk van bestuurders, voldoende nauwe band met Nederland) is voldaan. Anders dan Milieudefensie c.s. aanvoeren, is het hof van oordeel dat ook is voldaan aan het vereiste dat er voldoende overleg is gevoerd. Gezien de aard van de vordering van M&M en het vergevorderde stadium van de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. is het nauwelijks denkbaar dat het verschil van mening tussen M&M en Milieudefensie c.s. door middel van overleg had kunnen worden opgelost. Tussen partijen staat vast dat M&M vlak na haar oprichting Milieudefensie c.s. heeft benaderd over de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. en dat M&M nadat zij haar vordering tot voeging had ingediend zich bereid heeft getoond om in gesprek te gaan. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat daarmee aan het overlegvereiste is voldaan. Gezien het feit dat M&M pas in februari 2022 is opgericht, moet worden aangenomen dat zij nog niet heeft kunnen voldoen aan de vereisten van het vijfde lid (publicatie bestuursverslag en jaarrekening). Deze omstandigheid behoort dan ook geen consequenties te hebben voor de ontvankelijkheid van M&M.
5.20
De conclusie is dat M&M ontvankelijk is in haar vordering om zich aan de zijde van Shell te voegen in de onderhavige procedure.
Voeging
5.21
Ingevolge art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een belang bij voeging is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt.3. Onder nadelige gevolgen moet worden verstaan de feitelijke of juridische gevolgen van de toe- of afwijzing van de vordering of het gezag van gewijsde dat de in de procedure gegeven eindbeslissingen kunnen hebben voor degene die voeging vordert.4. In precedentwerking is niet een voldoende belang gelegen, ook niet als het gaat om sterk op elkaar gelijkende zaken tussen deels dezelfde partijen.5.
5.22
Een gevoegde partij is bevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer te voeren.6. Uit het karakter van voeging vloeit evenwel voort dat de rol van de gevoegde partij beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van de partij die zij ondersteunt.7. De gevoegde partij kan alleen feiten en gronden aanvoeren die de partij die zij ondersteunt, ook zelf zou kunnen aanvoeren. Een gevoegde partij kan niet verhinderen dat de partij aan wier zijde zij zich voegt, bepaalde feiten erkent, met als gevolg dat deze komen vast te staan. Hij moet het geding aanvaarden in de stand waarin het zich ten tijde van de voeging bevindt.8. De gevoegde partij is gebonden aan de door de appellant en geïntimeerde getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.9.
5.23
M&M heeft over het belang om zich te voegen het volgende aangevoerd. Volgens M&M schaadt het bestreden vonnis de daarbij niet betrokken Nederlandse burger en bedrijfsleven. Zij vindt het belangrijk dat er een energiebeleid tot stand komt dat draagvlak heeft in de samenleving waarbij alle Nederlandse huishoudens hun energie kunnen blijven betalen. M&M streeft naar een klimaatbeleid dat voldoende rekening houdt met de consequenties daarvan voor de Nederlandse samenleving en haar inwoners. Volgens haar wordt deze ambitie doorkruist door het vonnis, omdat in deze procedure tegen één enkele uitstotende partij gestalte wordt gegeven aan het klimaatbeleid, zonder rekening te houden met de gewone Nederlander en het MKB.
5.24
M&M heeft vastgesteld dat Milieudefensie c.s. op basis van het vonnis andere (vermeende) grote uitstoters van CO2 aanschrijven. Er wordt een sterk normatieve betekenis gegeven aan het vonnis, waardoor er een maatschappelijk precedent ontstaat dat zijn weerga niet kent. Volgens M&M leggen Milieudefensie c.s. het vonnis op aan derden. Het kan dan ook niet anders dan dat het vonnis direct of indirect invloed heeft op prijzen van producten en diensten van burgers en bedrijven, omdat de eisen die Milieudefensie c.s. stellen hogere kosten veroorzaken. Omdat M&M zich het belang aantrekt van energiezekerheid en betaalbare energie voor Nederlandse burgers, heeft zij belang bij vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vorderingen van Milieudefensie, aldus M&M.
5.25
Naar het oordeel van het hof heeft M&M toereikend toegelicht waarom zij belang heeft bij voeging. Het gaat erom dat de feitelijke gevolgen van de toewijzing van de vorderingen van Milieudefensie c.s. nadelig kunnen zijn voor de achterban van M&M en de door M&M volgens haar statuten nagestreefde belangen. M&M vreest dat de prijzen van fossiele brandstoffen zullen stijgen als gevolg van toewijzing van die vorderingen.
5.26
Anders dan Milieudefensie c.s. aanvoeren, gaat het M&M niet uitsluitend om de precedentwerking die van het bestreden vonnis kan uitgaan. Onder precedentwerking in de hier bedoelde zin moet worden verstaan dat Milieudefensie c.s. in eventuele procedures tegen andere bedrijven met een hoge CO2-uitstoot, een beroep zouden kunnen doen op oordelen die in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. over bepaalde onderwerpen zijn gegeven. Het door M&M gestelde belang ziet niet (uitsluitend) op deze precedentwerking. Het gaat M&M immers (ook) om de feitelijke gevolgen die kunnen uitgaan van het bestreden vonnis voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energiedragende producten die afkomstig zijn van Shell. Naar de aard van de zaak kan het bestreden vonnis aldus niet alleen gevolgen hebben in de verhouding tussen Shell en Milieudefensie c.s., maar kan het ook de feitelijke belangen van derden raken, waaronder de achterban van M&M. Daarmee is het belang van M&M om zich te voegen aan de zijde van Shell, gegeven.
5.27
Milieudefensie c.s. hebben nog aangevoerd dat de voeging van M&M zal leiden tot vertraging van de procedure. Dit is op zichzelf juist, maar de vertraging is niet van dien aard dat het verzoek tot voeging op die grond moet worden afgewezen. M&M heeft tijdens de mondelinge behandeling van het incident te kennen gegeven dat zij op een betrekkelijk korte termijn een inhoudelijke memorie zal kunnen nemen. Daarop zullen Milieudefensie c.s. en (desgewenst) Shell vervolgens gelijktijdig kunnen reageren. Vervolgens zal — desgewenst — een mondelinge behandeling in de hoofdzaak kunnen plaatsvinden. Alles bij elkaar levert de voeging van M&M daarmee slechts een vertraging van enkele maanden op, wat gezien het belang van de zaak niet onoverkomelijk is.
5.28
De conclusie is dat M&M een voldoende belang heeft om zich in de procedure tussen Shell en Milieudefensie c.s. te voegen aan de zijde van Shell. Deze voeging is niet in strijd met de goede procesorde.
6. Slotsom
6.1
De slotsom is dat het hof M&M zal toelaten zich te voegen aan de zijde van Shell.
6.2
Het hof zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.
6.3
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 6 juni 2023 voor een memorie aan de zijde van M&M. Op 6 juni 2023 zal er tevens een regiezitting plaatsvinden om met partijen de verdere voortgang van de procedure te bespreken. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
7. Beslissing
Het hof:
in het incident:
- —
laat M&M toe als gevoegde partij aan de zijde van Shell in de tussen Shell enerzijds en Milieudefensie c.s. anderzijds aanhangige hoofdzaak;
- —
beveelt Milieudefensie c.s. en Shell om M&M te voorzien van hun processtukken in de eerste aanleg en het hoger beroep tot op heden;
- —
houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
- —
verwijst de zaak naar de rol van 6 juni 2023 voor een memorie aan de zijde van M&M;
- —
beveelt partijen deugdelijk vertegenwoordigd door hun raadslieden, op dinsdag 6 juni 2023 om 13.30 uur te verschijnen in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag met als doel het maken van nadere regieafspraken;
- —
houdt iedere verdere beslissing aan.
Noot
Auteur: R. Stolk*
1.
De rechtszaak van Milieudefensie c.s. tegen Shell neemt in hoger beroep een bijzondere wending, als stichting Milieu en Mens (M&M) wordt toegelaten in haar incidentele verzoek om zich te voegen aan de zijde van Shell. Dit is — voor zover mij bekend — de eerste keer dat een belangenorganisatie zich weet te voegen in een algemeenbelangactie van een anderebelangenorganisatie. Het gerechtshof oordeelt dat M&M een representatieve, ideële belangenorganisatie is waarvan het belang van haar achterban bij energiezekerheid en betaalbare energie feitelijk kan worden geraakt door het vonnis.
2.
Belangenorganisaties weten in toenemende mate de gang naar de rechter te vinden in grote maatschappelijke kwesties. Deze procedures vinden soms plaats bij de bestuursrechter (zoals de stikstofzaken van Mobilisation for the Environment), maar ook — en vooral — bij de burgerlijke rechter (zoals de klimaatzaak van Urgenda en de asielopvangzaak van Vluchtelingenwerk Nederland). Zij brengen verschillende vragen met zich, waarvan er twee in deze tussenuitspraak spelen: de positie van belangenorganisaties met tegengestelde opvattingen en de representativiteit van ideële organisaties. Hoewel dergelijke vragen vanuit wetenschappelijk perspectief breed spelen en niet beperkt zijn tot het burgerlijke recht, is het precies op deze twee punten dat het burgerlijk procesrecht belangrijke verschillen vertoont met het bestuursprocesrecht. Daarmee is deze procedure niet alleen interessant vanuit civielrechtelijk perspectief, maar kan zij ook inspiratie bieden voor het bestuursrechtelijk debat over de wenselijke rol van belangenorganisaties. Weliswaar betreft het dit keer een procedure tegen een bedrijf, maar het is goed voorstelbaar — en na dit succes van M&M des te waarschijnlijker — dat ook in algemeenbelangacties tegen de Staat belangenorganisaties met tegengestelde belangen zullen proberen zich te voegen.
3.
In eerste aanleg heeft Milieudefensie c.s. de klimaatzaak tegen Shell gewonnen. De rechtbank besliste — kort gezegd — dat Shell haar CO2-uitstoot in 2030 met 45% moet hebben verlaagd ten opzichte van 2019 (Rb. 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, AB 2022/258). Zoals gebruikelijk bij algemeenbelangacties, kan het vonnis in deze zaak potentieel vergaande gevolgen hebben voor groepen of belangen die niet in deze procedure zijn vertegenwoordigd. Het is dan ook niet verrassend dat groepen met tegengestelde belangen zich in zo’n procedure proberen te mengen. M&M komt op voor — kort gezegd — het belang van energiezekerheid en betaalbare energie van de Nederlandse burger. Dat belang wordt in de procedure niet door Shell of Milieudefensie c.s. vertegenwoordigt, maar staat volgens M&M onder druk als Shell naar aanleiding van deze procedure inderdaad haar CO2-uitstoot moet reduceren. Daarom verzoekt M&M zich aan de zijde van Shell te mogen voegen.
4.
Voeging is geregeld in artikel 217 Rv, op grond waarvan eenieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen aan de zijde van één van de partijen. Omdat voeging leidt tot vertraging en extra kosten en partijen er misschien helemaal niet op zitten te wachten, stelt de Hoge Raad vrij hoge eisen. Een partij moet voldoende belang bij voeging hebben en (dus) nadelige gevolgen ondervinden van de procedure indien de uitkomst ervan ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich wenst te voegen (HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602). Voor belangenorganisaties geldt dat zij vaak een belang zullen hebben bij het voorkomen van precedentwerking van een (ongunstige) uitspraak. Dat beschouwt de Hoge Raad echter niet als belang dat artikel 217 Rv beoogt te beschermen, ook niet als de vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde procespartijen sterk op elkaar lijken (HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750). Het gerechtshof overweegt echter dat het belang van M&M niet (enkel) ziet op precedentwerking, maar dat het M&M (ook) te doen is om de mogelijke feitelijke gevolgen van het bestreden vonnis voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energiedragende producten die afkomstig zijn van Shell. Nu het bestreden vonnis niet enkel gevolgen heeft in de verhouding tussen Shell en Milieudefensie c.s., maar ook het feitelijke belang van de achterban van M&M kan raken, mag M&M zich voegen aan de zijde van Shell. Daardoor mag M&M zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden verweer voeren, waarbij haar rol wel beperkt is tot het aandragen van feiten en gronden ten behoeve van het standpunt van Shell. M&M kan dus alleen feiten en gronden aanvoeren die Shell ook zelf zou kunnen aanvoeren en is gebonden aan de door de oorspronkelijke partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep (r.o. 5.22).
5.
Dat belangenorganisaties niet zomaar toegang krijgen tot een lopende algemeenbelangactie blijkt uit het afgewezen verzoek van Clintel in dezelfde zaak (Gerechtshof Den Haag 25 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:735). Clintel betwist de stand van de huidige klimaatwetenschap en vreest dat het vonnis vergaande, nadelige feitelijke en juridische gevolgen zal hebben voor alle Nederlanders (zoals toename van fossiele brandstofprijzen en belastingdruk, en afname in energiezekerheid en economische groei). Nu de stand van de wetenschap geen geschilpunt betreft tussen Shell en Milieudefensie c.s., kan dit geen onderwerp vormen van het hoger beroep en heeft Clintel volgens het gerechtshof dus geen belang bij voeging. De tevens in artikel 217 Rv geregelde figuur van tussenkomst biedt voor Clintel ook geen uitkomst. Tussenkomst is bedoeld voor partijen die een zelfstandig vorderingsrecht geldend willen maken. Ook daarvoor is vereist dat Clintel een voldoende belang heeft dat ziet op de nadelige gevolgen van een uitspraak, zoals benadeling of verlies van een recht. Clintel wil stellingen kunnen innemen die onverenigbaar zijn met de stellingen van Shell, bijvoorbeeld omdat Clintel niet onderschrijft dat er dringend actie moet worden ondernomen om klimaatverandering aan te pakken. Voor het gerechtshof is hiermee onvoldoende nauwkeurig omschreven welke vordering Clintel in hoger beroep zou willen instellen of welk vorderingsrecht zij pretendeert te hebben.
6.
Nu rechters worden geconfronteerd met procedures met potentieel grote maatschappelijke implicaties, wordt wel de vraag opgeworpen of het niet wenselijk zou zijn om ook groepen die niet in de procedure vertegenwoordigd zijn een stem te geven. In dat verband is gewezen op de figuur van amicus curiae, waarbij een ieder als ‘vriend van de rechter’ (of van partijen) informatie kan aanleveren over de partij-overstijgende implicaties van een procedure (T. Barkhuysen & N. Jak, ‘De amicus curiae in het bestuursrecht wettelijk verankerd: experimenteren maar!’, NTB 2020/171, p. 367–373; R. Stolk, Y.E. Schuurmans & J.E. Esser, ‘De amicus curiae: een instrument voor rechtsvorming of ook voor rechtsbescherming?’, Ars Aequi 2019/1, p. 9–19). Dat is echter een heel vrijblijvende figuur, die in Nederland bovendien afhankelijk is van de inzet ervan door de hoogste rechters (art. 8:12b Awb en art. 393, tweede lid, Rv).
Deze tussenuitspraak illustreert dat ook voeging een potentieel interessante figuur kan zijn voor belangenorganisaties. Eenmaal de ontvankelijkheidsdrempel over kunnen zij immers (binnen de grenzen van de rechtsstrijd) feiten en gronden aandragen die een bepaalde partij ondersteunen. Bovendien kan deze figuur ook bij lagere rechters worden ingezet. Tegelijkertijd biedt voeging slechts voor beperkte gevallen uitkomst. Meestal zal het belangenorganisaties immers te doen zijn om het voorkomen van precedentwerking. Zo had in deze zaak een brancheorganisatie voor oliemaatschappijen niet kunnen voegen, omdat haar belang bij het tegengaan van vergelijkbare procedures tegen andere oliemaatschappijen geen door artikel 217 Rv beschermd belang is. Ook in het bestuursrecht zal voeging als derde (artikel 8:26 Awb) meestal geen uitkomst bieden. Zo zou een boerenorganisatie zich niet als derde kunnen voegen in de stikstofzaken. Vrees voor precedentwerking maakt immers niet dat het door de boerenorganisatie behartigde collectieve belang rechtstreeks is betrokken bij een individuele omgevingsvergunning of individueel handhavingsbesluit (vgl. ABRvS 28 februari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA5092, AB 2000/188).
7.
Er speelt ook de vraag naar representativiteit: behartigt de belangenorganisatie daadwerkelijk de belangen van degenen voor wie zij beweert op te komen? In het bestuursrecht geldt een dergelijk vereiste niet, al wordt daar in de literatuur wel voor gepleit (o.a. J. de Poorter & L. van Heusden, ‘Bovenindividuele belangenbehartiging: Naar een aanscherping van het beroepsrecht voor belangenorganisaties door een vereiste van representativiteit’, JBplus 2017/0). In het burgerlijke recht geldt sinds 2020 wél een representativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 3:305a, tweede lid, aanhef, BW. De wijze waarop dit ten aanzien van ideële organisaties moet worden ingevuld, is echter nog wat onduidelijk, zoals ook het gerechtshof overweegt. Ik heb eerder bepleit dat een al te strikte invulling van representativiteit niet past bij algemeenbelangacties (R. Stolk, ‘De algemeenbelangactie in strijd met het algemeen belang: Over de representativiteit van algemene belangenbehartigers’, NJB 2023/970, p. 1064–1071), maar M&M komt er in deze zaak wel heel makkelijk vanaf: dat M&M — naar eigen zeggen! — over 5000 steunbetuigingen van bezorgde energiegebruikers beschikt en aan het maatschappelijk verkeer heeft deelgenomen is voldoende. Dat is een drempel die vrijwel iedere algemene belangenbehartiger die beweert op te komen voor de belangen van alle Nederlanders moet kunnen halen, zeker in het digitale tijdperk waarin een ‘like’ zo is gegeven. Daarnaast speelt de vraag in hoeverre een belangenorganisatie als M&M wel als ideëel kan worden aangemerkt. Het gerechtshof neemt deze stap zonder verdere motivering, maar de implicaties ervan voor de ontvankelijkheidstoets zijn in het burgerlijke recht sinds de invoering van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (WAMCA) in 2020 groot. Bij ideële vorderingen hoeven belangenorganisaties op grond van artikel 3:305a, zesde lid, BW namelijk niet te voldoen aan de overige vereisten op het gebied van representativiteit, good governance en transparantie.
8.
De voeging van M&M is illustratief voor de ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn op het gebied van procederende belangenorganisaties. De opkomst van strategisch procederende belangenorganisaties en de recente juridische successen van belangenorganisaties in high profile rechtszaken heeft tot gevolg dat belangenorganisaties de mogelijkheden zullen blijven verkennen om de rechtsgang te gebruiken als een forum voor politieke, sociale en juridische verandering, mét bijbehorende tegenreacties. Het bestuursproces, dat in essentie toch vooral een vernietigingsberoep naar aanleiding van een concreet individueel uitvoeringsbesluit betreft, biedt in dat opzicht minder mogelijkheden dan de civiele rechtsgang. Daarin kunnen belangenorganisaties via artikel 3:305a BW tegen tal van structurele en individu-overstijgende (overheids)handelingen opkomen en bovendien gebruikmaken van de ruime uitspraakbevoegdheden die de burgerlijke rechter ter beschikking staan om richting te geven aan de door hun gewenste verandering. Mocht in het bestuursrecht, zoals in de literatuur breed wordt bepleit (zie o.a. W.J.M. Voermans, R.J.B Schutgens & A.C.M. Meuwese, Algemene regels in het bestuursrecht (preadviezen VAR, nr. 158), Den Haag: Boom Juridisch 2017), inderdaad artikel 8:3 Awb worden geschrapt en beroep tegen algemene regels mogelijk worden, dan zouden op grond van artikel 8:26 Awb in bepaalde gevallen belangenorganisaties met tegengestelde belangen zich mogelijk wel als derde kunnen voegen in algemeenbelangacties. Tot die tijd kunnen we alvast inzichten opdoen in de ‘civielrechtelijke proeftuin’.
Voetnoten
Voetnoten 'Uitspraak'
Het Greenhouse Gas Protocol maakt onderscheid tussen drie niveaus van broeikasgasemissies van een partij: directe emissies, indirecte emissies afkomstig van o.a. toeleveranciers en overige emissies afkomstig van o.a. klanten.
Kamerstukken II 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 18-19.
HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 (rov. 3.3).
HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787 (rov. 2.3).
HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750 (rov. 2.4).
HR 9 april 2010, NJ 2010/388 (rov. 3.2).
HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3241NJ 2016/474 (rov. 3.12).
Nr. 45 van de conclusie AG Ten Kate voor HR 25 september 1987, NJ 1988/939, onder verwijzing naar HR 18 mei 1923, NJ 1923, p. 904.
HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 (rov. 3.3). en HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787 (rov. 2.4.3).
Voetnoten 'Noot'
R. Stolk is docent Staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden.