GiEA Aruba, 09-02-2022, nr. AUA201903340
ECLI:NL:OGEAA:2023:110
- Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Datum
09-02-2022
- Zaaknummer
AUA201903340
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGEAA:2023:110, Uitspraak, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 08‑03‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:OGEAA:2022:18, Uitspraak, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 09‑02‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:OGEAA:2021:577, Uitspraak, Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 24‑11‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 08‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Civiele zaak, Aannemingsovereenkomst; Bewijsopdracht getuigenverhoor.
Partij(en)
Vonnis van 8 maart 2023
Behorend bij AUA201903340
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
PRECISE CONSTRUCTION N.V.,
gevestigd te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: Precise,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen
[gedaagde],
wonend te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. V.C. Perše.
1. DE PROCEDURE
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 9 februari 2022;
- -
de akte uitlating bewijslevering zijdens Precise;
- -
de processenverbaal van getuigenverhoren in enquête, gehouden op 5 april 2022 en 30 augustus 2022;
- -
de akte uitlating contra-enquête, waarbij [gedaagde] te kennen heeft gegeven daarvan af te zien;
- -
de onderscheiden conclusies na enquête;
- -
de onderscheiden antwoordconclusies na enquête.
1.2.
De uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.
2. DE BEOORDELING
2.1.
Bij voormeld tussenvonnis is Precise toegelaten getuigenbewijs te leveren van haar stelling dat partijen, voorafgaand aan de uitvoering van de overeenkomst van aanneming van werk, zijn overeengekomen dat Precise de litigieuze werkzaamheden zou verrichten tegen betaling door [gedaagde] van een vaste prijs van Afl. 80.986,68.
2.2.
Het Gerecht acht Precise niet geslaagd in de bewijslevering en overweegt daartoe als volgt. Als getuigen zijn gehoord een tweetal zakenrelaties van de directeur van Precise, waarvan een ook met laatstgenoemde bevriend is, en de secretaris van Precise, tevens echtgenote van de directeur. De zakenrelatie heeft te kennen gegeven niet te weten welke afspraken tussen Precise en [gedaagde] zijn gemaakt. De bevriende zakenrelatie heeft onder meer verklaard “Zo kan ik mij herinneren dat hij mij heeft verteld over twee bedragen te weten ongeveer Afl. 125.000,- en ongeveer Afl. 85.000,-. De heer [directeur] vertelde mij dat hij een client een offerte heeft uitgebracht waarmee de client een lening kon krijgen. Vervolgens heeft hij voor hem werkzaamheden verricht waarvoor hij Afl. 85.000,- in rekening heeft gebracht. Hij vertelde mij destijds al dat het moeilijk liep, dat de client andere werkzaamheden wilde of zelf dingen wilde doen. De problemen zijn pas ontstaan bij het in rekening brengen van de Afl. 85.000,-.” De echtgenote van de directeur heeft verklaard: “logischerwijs heeft mijn man voor aanvang van de werkzaamheden een offerte uitgebracht.” Aldus heeft geen der getuigen uitdrukkelijk en uit eigen waarneming verklaard over de inhoud of totstandkoming van de overeenkomst van aanneming van werk tussen Precise en [gedaagde]. De bevriende zakenrelatie heeft in zijn verklaringen weliswaar een tweetal bedragen genoemd, maar het Gerecht acht in zoverre niet geloofwaardig dat een derde, zonder enige betrokkenheid bij de kwestie, na een periode van ruim vijf jaar nog nauwkeurige herinneringen heeft aan specifieke bedragen, waarover een vriend hem destijds in een van hun vele gesprekken heeft verteld.
2.3.
Het voorgaande brengt met zich dat tussen partijen niet is komen vast te staan dat zij, voorafgaand aan de uitvoering van de overeenkomst van aanneming van werk, zijn overeengekomen dat Precise de litigieuze werkzaamheden zou verrichten tegen betaling door [gedaagde] van een vaste prijs van Afl. 80.986,68.
2.4.
Zoals het Gerecht in het tussenvonnis van 24 november 2021 heeft overwogen, zijn partijen het erover eens dat tussen hen een aannemingsovereenkomst betstaat, dat Precise werk heeft geleverd en dat [gedaagde] hier iets voor moet betalen. Indien vast zou komen te staan dat tussen partijen geen prijsafspraken zijn gemaakt, brengt het voorgaande met zich dat [gedaagde] voor de werkzaamheden en redelijke prijs verschuldigd is.
2.5.
Tussen partijen is evenwel nog niet vast komen te staan dat geen prijsafspraken zijn gemaakt. In het kader van de betwisting van de stelling van Precise dat een prijs van Afl. 80.986,68 is overeengekomen, heeft [gedaagde] gesteld dat tussen partijen prijsafspraken zijn gemaakt, te weten dat Precise de manuren en materiaalkosten tegen kostprijs, derhalve zonder winstmarge, in rekening zou brengen (zie 3.3 van het vonnis van 24 november 2021). Dit is door Precise gemotiveerd weersproken. Zonder nadere bewijsvoering is daarom niet vast te stellen dat voormelde prijsafspraak is gemaakt. Gelet op de hoofdregel van artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [gedaagde] de bewijslast ter zake. [gedaagde] zal worden toegelaten tot getuigenbewijs van deze stelling. Het Gerecht acht deze ronde van bewijsvoering nog aangewezen, omdat het er vanuit gaat dat een redelijke prijs voor de werkzaamheden meer zal bedragen dan de kostprijs daarvan. Inherent aan een redelijke prijs voor aannemingswerkzaamheden is immers, dat daarin enige marge wordt meegenomen op de kostprijs van de arbeid en het materiaal.
2.6.
Na deze ronde van bewijslevering, zal het vervolg van de procedure er als volgt uit zien. Indien vast komt te staan dat tussen partijen de prijsafspraak van kostprijs geldt, zal moeten worden bepaald wat de kostprijs is van de manuren en het materiaal. Nu partijen ter zake niets hebben gesteld, en in aanmerking genomen de complexiteit van de materie, zal ter beantwoording van die vraag een deskundige benoemd dienen te worden.
Indien evenwel niet vast komt te staan dat tussen partijen een prijsafspraak geldt, zal moeten worden bepaald wat een redelijke prijs is voor de verrichtte werkzaamheden. Ook ter beantwoording van deze vraag zal, gelet op het ontbreken van enige stellingen ter zake, een deskundige benoemd dienen te worden.
In aanmerking genomen dat de desbetreffende woning inmiddels is verkocht (zie 2.3 van het tussenvonnis van 9 februari 2022), zal de te benoemen deskundige worden opgedragen de kostprijs dan wel een redelijke prijs te bepalen op basis van de gedingstukken.
2.7.
Nadat aan de hand van het te ontvangen deskundigenrapport kan worden bepaald wat de kostprijs is van de manuren en het materiaal dan wel wat een redelijke prijs is voor de verrichtte werkzaamheden, zal op het aldus bepaalde bedrag in mindering moeten worden gebracht het bedrag van (ten minste) Afl. 39.000,- aan herstelkosten (zie 2.11 van het tussenvonnis van 24 november 2021). Indien het verschil tussen beide bedragen positief is, zal [gedaagde] in elk geval dat verschil moeten betalen aan Precise. Indien de betalingsverplichting van [gedaagde] bij benadering een gelijke omvang heeft als voormelde herstelkosten, zal algehele opschorting van de betalingsverplichting toelaatbaar worden geacht (zie 4.7 van het tussenvonnis van 24 november 2021). Indien dat verschil evenwel negatief is, heeft [gedaagde] een vordering ter hoogte van dat verschil op Precise.
2.8.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
3. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
laat [gedaagde] toe getuigenbewijs te leveren van zijn stelling dat dat Precise de manuren en materiaalkosten tegen kostprijs, derhalve zonder winstmarge, in rekening zou brengen;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 5 april 2023 voor het opgeven van getuigen en verhinderdata;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 8 maart 2023 in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 09‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Civiel. Bewijslevering
Partij(en)
Vonnis van 9 februari 2022
Behorend bij AUA201903340
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
PRECISE CONSTRUCTION N.V.,
gevestigd te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: Precise,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen
[gedaagde],
wonend te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. V.C. Perše.
1. DE PROCEDURE
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 24 november 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken en uit de mondelinge behandeling van 9 december 2022.
1.2.
De uitspraak van dit vonnis is bepaald op heden.
2. DE VERDERE BEOORDELING
2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen geen regeling bereikt en evenmin informatie aangevoerd die leidt tot afwijking van het oordeel uit voormeld tussenvonnis.
Dit betekent dat niet vaststaat welke prijsafspraken partijen hebben gemaakt bij hun overeenkomst tot aanneming van werk. Dit dient eerst te worden vastgesteld, voordat kan worden geoordeeld in hoeverre Precise aanspraak kan maken op betaling, mede gezien het door [gedaagde] ingeroepen opschortingsrecht. Daarom zal Precise worden toegelaten tot het leveren van getuigenbewijs op dit punt.
2.2.
De zaak zal naar de rolzitting worden verwezen voor opgave door Precise van getuigen en de verhinderdata van die getuigen en beide partijen. Daarna zal het Gerecht een datum bepalen voor het getuigenverhoor.
2.3.
Wellicht ten overvloede wijst het Gerecht partijen erop dat na voltooiing van deze bewijsopdracht niet per definitie een eindvonnis kan worden gewezen in deze zaak. Dat zal alleen het geval kunnen zijn wanneer vast komt te staan dat partijen vooraf een vaste prijs zijn overeengekomen. Zo niet, dan volgt wellicht nog een volgende bewijsopdracht waarin bepaald dient te worden wat een redelijke prijs voor de verrichte werkzaamheden is. Mocht deze constatering gezien het geldelijk belang van de zaak, en de eventuele complicaties met betrekking tot de bewijslevering (in het bijzonder gezien de verkoop van de desbetreffende woning) aanleiding zijn voor partijen om alsnog een schikking te treffen, dan ligt het op hun weg om hiertoe met elkaar in overleg te treden.
2.4.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
3. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
laat Precise toe getuigenbewijs te leveren van haar stelling dat partijen, voorafgaand aan de uitvoering van de overeenkomst van aanneming van werk, zijn overeengekomen dat Precise de litigieuze werkzaamheden zou verrichten tegen betaling door [gedaagde] van een vaste prijs van Afl. 80.986,68;
verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 maart 2022 voor het opgeven van getuigen en verhinderdata;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 februari 2022 in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 24‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Opschorting van betaling
Partij(en)
Vonnis van 24 november 2021
Behorend bij AUA201903340
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
PRECISE CONSTRUCTION N.V.,
gevestigd te Aruba,
eiseres,
hierna te noemen: Precise,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen
[naam gedaagde],
wonend te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. V.C. Perše.
1. DE PROCEDURE
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie op 27 september 2019;
- -
de conclusie van antwoord met producties;
- -
de conclusie van repliek met een productie;
- -
de conclusie van dupliek.
1.2.
De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.
2. DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1. [
[gedaagde] is eigenaar van de woning gelegen te Aruba op het adres [adres woning] (hierna: de woning). [gedaagde] is met Precise, een bouwonderneming, overeengekomen dat Precise verbouwingswerkzaamheden zou verrichten aan deze woning.
2.2.
Op 9 maart 2017 heeft Precise een offerte gestuurd aan [gedaagde], ter zake de verbouwing, ter hoogte van in totaal Afl. 125.196,45. [gedaagde] heeft deze offerte gebruikt om bij de bank financiering te verkrijgen voor de verbouwing.
2.3.
Op enig moment tussen maart en oktober 2017 heeft Precise de verbouwingswerkzaamheden aan de woning verricht.
2.4.
Op 1 december 2017 heeft [gedaagde] in een bij e-mail gevoegde brief (gedateerd 29 november 2017), onder meer het volgende meegedeeld aan Precise:
“We are extremely unhappy with the current state of the house and the payment you are requesting. It is nothing in line with what we agreed upon or what we expected from the renovation.
You offered your help by saying that due to the delay between the construction of Phase 2 and Phase 3 from Dutch Village you did not have work for your staff so I would be of help if I were to hire your team in that period. You would charge me their hourly cash rate and the building materials at cost. You would thereby be helping me with the house and I would be helping you with your staffing cost.(…)
Then on October 24th you asked me to come to your office to discuss the bill at which time you communicated the total amount was approx. AWG 81,000!! (…)
You then presented me with a bill of the work done per area and not a specification of materials and labour as we discussed. I explained to you again that this was not how we discussed it would happen and you said that you would provide me with a new calculation with the materials and hours specified. As of yet I have still not received that information from you. (…)
Besides the financial side I also want to have clarity from you on how we will resolve all of the pending issues with the house. There are so many areas that need to be redone and replaced because the work was not done properly or not finished. We have been left in an unfinished house with so many faults that that the joy of our new home has been completely taken away. A list of all the areas of concern are listed below and I will send pictures in the following emails so you can formulate your answer.
I hope that this can be resolved as soon as possible but until it has I will unconditionally suspend any and all payments until the matter has been resolved.”
Daaronder heeft [gedaagde] twee pagina’s met klachten opgenomen, gespecificeerd per kamer.
2.5.
Op 2 december 2017 heeft Precise in een bij e-mail gevoegde brief onder meer als volgt gereageerd:
“Under no circumstances did we ever discuss the possibility of me supplying my crew on an hourly rate as Precise construction has never rented out labor by the hour.
You have indeed requested a price which included labor and material. I mentioned to you that I was able to do this, but would hereby have to mark up the quote for un-foreseen costs and would help you out by purchasing the material and charging you for both the labor and material without a mark up. Under no circumstances was I looking for work since I had two other on-going projects (House at Esmeralda and Apartment Complex in Town) and the renovation at Divi Dutch Village.
Financial Side: (…)
I have previously presented you with an invoice for Awg. 81000.00 and you than requested to pay the crew's payroll and material separately which came up to a total of 82728.00. (…)
The Awg. 82728.00 in which I, broke it down to each item (the price per item is based on labor and material supplied by Precise) which was requested by you.
The Labor was Awg. 64380.04
The Material was Awg. 18347.96
Based on your shock and your current financial situation, I have granted you a discount for Awg. 14407.00 which brought the final invoice to a final amount of Awg. 68321.00. Please note that at this point I have not received any sort of payment or no agreement on payment terms have been made by your side.,
(…) Based on all the items which you have listed and are unhappy with, I would hereby like to mention that we have never walked the site and done an official end site inspection for you to create a list of the finish/punch work. The final inspection has indeed not been completed but we have hereby pulled of as we not received any sort of partial payment on the final invoice.
If you accept the discount and final invoice at Awg. 68321.00, we will conclude that the work is completed and will not come back for any final end site inspection and create the finish/punch list.”
2.6.
Tot op heden heeft [gedaagde], ondanks aanmaningen, niets betaald aan Precise ter zake van de verbouwing van de woning.
3. HET GESCHIL
3.1.
Precise vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Precise van een bedrag van Afl. 80.986,68, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2019, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt Precise het volgende ten grondslag.
Precise heeft de overeengekomen verbouwingswerkzaamheden verricht, maar [gedaagde] weigert het vooraf overeengekomen bedrag van Afl. 80.986,68 aan Precise te betalen. Precise vordert daarom nakoming van de overeenkomst door [gedaagde].
3.3. [
[gedaagde] betwist de vordering van Precise en voert daartoe het volgende aan.
Partijen zijn vooraf geen vaste aanneemsom overeengekomen, maar zijn overeengekomen dat Precise de manuren en materiaalkosten tegen kostprijs, derhalve zonder winstmarge, in rekening zou brengen. Na uitvoering van de werkzaamheden heeft Precise zich op het standpunt gesteld dat de kosten Afl. 81.000,- bedragen. Precise heeft echter geen specificatie gegeven van de materiaalkosten en manuren. Bovendien heeft Precise het werk nog niet afgerond en het werk dat is geleverd is op veel punten van onvoldoende kwaliteit. De kosten voor reparatie bedragen Afl. 39.275,55 exclusief diverse dure materialen en loodgieterswerk. Precise is echter niet bereid om het werk deugdelijk af te ronden. [gedaagde] heeft daarom zijn betaling opgeschort.
4. DE BEOORDELING
4.1.
De overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een overeenkomst tot aanneming van werk. Precise heeft zich namelijk verbonden om voor [gedaagde] een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen tegen een bepaalde prijs (art. 7A:1613b BW). Volledigheidshalve overweegt het Gerecht dat uit artikel 163 Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BW volgt dat op de onderhavige zaak het ‘oude BW’ van toepassing is.
4.2.
Het Gerecht stelt voorop dat partijen geen discussie hebben over de aard en omvang van de werkzaamheden die Precise en [gedaagde] zijn overeengekomen. Waar partijen over van mening verschillen is (1) welke prijsafspraken zij hebben gemaakt en (2) of [gedaagde] op dit moment gehouden is tot betaling.
prijsafspraken
4.3.
Precise stelt dat zij in eerste instantie een offerte heeft opgemaakt ter hoogte van Afl. 125.196,45, dat zij vervolgensop verzoek van [gedaagde] de kosten heeft ‘gedrukt’ tot Afl. 80.986,68 en dat partijen die prijs (vooraf) zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft die stelling gemotiveerd betwist. Hij voert aan dat de eerste offerte alleen bedoeld was voor de bank, zodat hij aan de hand van één offerte de benodigde financiering kon aanvragen. Hij heeft er daarbij onbetwist op gewezen dat een deel van de geoffreerde werkzaamheden, ter waarde van ongeveer Afl. 83.000,-, door andere ondernemingen is uitgevoerd. Hij heeft daarnaast eveneens onbetwist gesteld dat Precise vervolgens geen nadere offerte heeft toegestuurd en dat hij de als productie 3 bij verzoekschrift overgelegde offerte met het bedrag van Afl. 80.986,68 pas na de werkzaamheden voor het eerst heeft gezien. Volgens [gedaagde] hebben partijen in feite een regie-overeenkomst gesloten, omdat dit voor beide partijen aantrekkelijk was; voor Precise omdat zij om werk verlegen zat en voor [gedaagde] om financiële redenen. [gedaagde] heeft hiermee de stelling van Precise, dat partijen vooraf de thans gevorderde hoofdsom zijn overeengekomen, gemotiveerd betwist. Zonder nadere bewijsvoering is daarom niet vast te stellen welke prijsafspraken partijen hebben gemaakt. Gelet op de hoofdregel van artikel 129 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op Precise de bewijslast ter zake.
4.4.
De door [gedaagde] opgeworpen vraag wat de waarde is van de door Precise verrichte werkzaamheden kan op dit moment in het midden worden gelaten. Immers, als vast komt te staan dat partijen vooraf een vaste prijs overeen zijn gekomen, dan dient [gedaagde] in beginsel die prijs te betalen, ongeacht de vraag wat de kostprijs van die werkzaamheden voor Precise was.
opschorting
4.5.
De vraag is of het voorgaande in dat verband vaststelling behoeft, nu [gedaagde] zich tevens heeft beroepen op opschorting. Uit artikel 6:262 lid 1 BW volgt dat wanneer een van de partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Uit lid 2 volgt dat ingeval van niet behoorlijke nakoming de opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. In dat kader wordt het volgende overwogen.
4.6. [
[gedaagde] heeft aangevoerd dat Precise haar verbintenis die voortvloeit uit de aannemingsovereenkomst niet behoorlijk is nagekomen, omdat het door haar verrichte werk van onvoldoende kwaliteit is en niet afgerond is. Hij heeft daartoe een uitgebreide opsomming gegeven van punten waarop het werk van Precise te wensen overlaat. Hij heeft daarbij tevens (als productie 5 tot en met 21 bij conclusie van antwoord) ondersteunende foto’s overgelegd. [gedaagde] heeft verder onder overlegging van een factuur van een derde aangevoerd dat de kosten om het werk te herstellen dan wel af te ronden ongeveer Afl. 39.000,- bedragen, exclusief kosten van tegels, badkameraccessoires en loodgieterswerk (hierna: de herstelkosten). Het had op de weg van Precise gelegen om tegenover deze gemotiveerde stellingen van [gedaagde] een onderbouwd verweer te voeren. Precise heeft echter slechts in het algemeen aangevoerd dat het niet klopt (randnummer 13 conclusie van repliek). Daarmee komt als onvoldoende gemotiveerd betwist vast te staan dat Precise haar verbintenis uit de aannemingsovereenkomst niet behoorlijk is nagekomen en dat de herstelkosten ten minste Afl. 39.000,- bedragen. Aangezien de betalingsverplichting van [gedaagde] voortvloeit uit dezelfde aannemingsovereenkomst, heeft dit te gelden als een ‘daartegenover staande verplichting’ zoals bedoeld in artikel 6:262 lid 1 BW. In beginsel heeft [gedaagde] daarom de bevoegdheid om die betalingsverplichting op te schorten.
4.7.
Zoals hiervoor overwogen volgt uit artikel 6:262 lid 2 BW dat de opschorting proportioneel moet zijn. Algehele opschorting van de betaling door [gedaagde] is dus slechts toegelaten als de herstelkosten bij benadering een gelijke omvang hebben als de betalingsverplichting van [gedaagde]. In het geval partijen, zoals Precise stelt, een aanneemsom van Afl. 81.000,- zijn overeengekomen, is dit niet het geval. De herstelkosten bedragen dan immers grofweg de helft van de betalingsverplichting van [gedaagde]. [gedaagde] betwist echter de omvang van zijn betalingsverplichting en stelt dat deze aanzienlijk lager dient te zijn. Als hij wordt gevolgd in dit verweer, is algehele opschorting dus mogelijk wel proportioneel. Voor beantwoording van de vraag of opschorting is toegelaten dient daarom eveneens te worden vastgesteld welke prijsafspraken partijen hebben gemaakt.
4.8.
Het Gerecht overweegt voorts nog dat Precise heeft aangevoerd dat zij niet in gebreke is gesteld en dat om die reden opschorting niet is toegelaten. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat ingebrekestelling niet vereist is voor een beroep op opschorting (HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, r.o. 3.4). Dit verweer gaat daarom niet op, nog los van de vraag of de brief van 1 december 2017 niet als ingebrekestelling dient te worden aangemerkt. Voorts overweegt het Gerecht, wellicht ten overvloede, dat de door [gedaagde] onbetwist aangevoerde stelling dat het werk nog niet is afgerond evenmin aan de weg staat aan opschorting. Het opschortingsrecht strekt er immers juist toe druk op Precise uit te oefenen om de verbintenis na te komen, en heeft, voor het geval Precise daarmee in gebreke zou blijven, mede het karakter van zekerheid voor de voldoening (door middel van verrekening) van de uit zijn verzuim voortvloeiende schadevordering (HR 17 januari 2014, Kenter-Slierings, ECLI:NL:HR:2014:95, r.o. 3.5).
comparitie van partijen
4.9.
Het Gerecht acht het gewenst om de zaak met partijen te bespreken, voordat eventueel wordt overgegaan tot bewijslevering. Daarom wordt een comparitie van partijen bepaald. Daar zal in elk geval het verdere verloop van de procedure aan de orde worden gesteld, in aanmerking genomen de hiervoor gegeven overwegingen en oordelen, en de verwevenheid tussen vordering, verweer en de daaraan over en weer ten grondslag gelegde stellingen. Partijen kunnen tijdens die comparitie hun standpunt ter zake toelichten. Punten die reeds in dit vonnis als (onbetwist of anderszins) zijn komen vast te staan zullen daar niet alsnog aan de orde worden gesteld. Voorts is ook nadrukkelijk een doel van de comparitie dat partijen alsnog trachten in der minne dit geschil op te lossen. Het Gerecht ziet hiervoor voldoende opening. Partijen zijn het er immers over eens dat tussen hen een aannemingsovereenkomst bestaat, dat Precise werk heeft geleverd en dat [gedaagde] hier iets voor moet betalen, zoals laatstgenoemde herhaaldelijk te kennen heeft gegeven. Mochten partijen hier niet in slagen, dan zullen verder de persoon van een eventueel te benoemen deskundige en de aan hem voor te leggen vragen aan de orde worden gesteld.
4.10.
De partij die is verhinderd om op de hierna te bepalen datum en tijdstip ter zitting te verschijnen, dient binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis per brief de rechter om uitstel te verzoeken. Bij het verzoek om uitstel moeten ook de verhinderdata worden opgegeven van alle partijen en hun gemachtigden gedurende de drie komende maanden. Indien niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis om uitstel is verzocht, zal nog slechts uitstel worden verleend in geval van overmacht. In dat geval dient de partij die wegens overmacht is verhinderd te verschijnen, onmiddellijk na het intreden daarvan per brief de rechter gemotiveerd om uitstel te verzoeken.
4.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
beveelt een verschijning van partijen (comparitie), bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen en om te bespreken of het geschil op een andere manier kan worden opgelost dan door voort te procederen, op de terechtzitting van
mr. M.E.B. de Haseth in het gerechtsgebouw aan de J.G. Emanstraat 51 te Oranjestad, Aruba op donderdag 9 december 2021 om 15.00 uur;
bepaalt dat de partijen dan in persoon, rechtspersonen vertegenwoordigd door een statutaire directeur of een gevolmachtigde die inhoudelijk van de zaak op de hoogte is en die volledig bevoegd is om een vaststellingsovereenkomst te sluiten, aanwezig moeten zijn;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 24 november 2021in aanwezigheid van de griffier.