Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/14.2.5
14.2.5 Conclusie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS298020:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de literatuur genoemd bij Verheul 2018, p. 406; Rb. Noord-Holland 28 december 2016, JOR 2018/16, rov. 4.6.
Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 3, p. 1241.
Vergelijk Verheul 2017, p. 62, die een voorbeeld geeft van executie van het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, waarbij slechts 2% van de daadwerkelijke ‘overwaarde’ die in dat eigendomsrecht besloten lag werd gerealiseerd. Het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde zal doorgaans minder opleveren dan het corresponderende eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, omdat de koper niet zelf in de hand heeft eigenaar van de zaak te worden waarvan de eigendom werd voorbehouden.
Technisch gezien is het juist dat, zoals gesteld door Verheul 2018, p. 406 e.v., er geen verband bestaat tussen de voorbehouden eigendom en de koopprijsvordering, omdat de voorbehouden eigendom bedoeld is om de rechten van de verkoper bij ontbinding te waarborgen. Dat gaat er echter aan voorbij dat de belangrijkste functie van het eigendomsvoorbehoud is te zorgen ‘dat er betaald wordt’. Vergelijk de mogelijkheid die de leverancier heeft om een pandrecht op de geleverde zaken voor te behouden, waarmee hetzelfde wordt bewerkstelligd als met een eigendomsvoorbehoud; zie Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 3, p. 1240.
In dezelfde zin (schijnbaar) Kortmann 2014, p. 238-239.
Zie voor het retentierecht Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 883 ten aanzien van de mogelijkheid dat de retentor het terughoudingsrecht uit gaat oefenen ten behoeve van de verkrijger van de vordering waarvoor de zaak wordt teruggehouden. Zie voor de voorbehouden eigendom Parlementaire Geschiedenis Invoering Boek 3, p. 1241 over de mogelijkheid de voorbehouden eigendom zelfstandig aan de verkrijger van de koopprijsvordering over te dragen.
Ploeger 1997, para. 113; Wichers 2002, p. 70.
Ploeger 1997, para. 113; Wichers 2002, p. 70.
Van Vliet 2017, p. 26.
Wolfert 2003, p. 284; de Jong 2006, p. 117-118.
Zie in dezelfde zin Tweehuysen 2016, p. 236; van Vliet 2017, p. 26.
Wichers 2002, p. 71.
Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 8.
Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 282. Zie in algemene zin ook over de inhoud van beperkte rechten paragraaf 12.1.4.1.
Zie in dezelfde zin Heyman 2005, p. 28.
582. Uit het voorgaande blijkt dat er verschillende vereisten bestaan om een subjectief recht als afhankelijk aan te merken. De combinatie van deze vereisten zorgt ervoor dat het aantal afhankelijke rechten in het Nederlandse recht beperkt is (zie de opsomming in randnummer 548). Vooral de eis van een inherente onmogelijkheid om zonder een ander recht van nut te zijn, sluit veel potentiële afhankelijke rechten uit, omdat het daardoor niet mogelijk is voor partijen om afhankelijke rechten ‘in elkaar te knutselen’. Daardoor is op voorhand eenvoudig te zeggen welke rechten afhankelijk zijn in de zin van art. 3:82 BW, wat het voor partijen mogelijk maakt om hun gedrag op die afhankelijkheid af te stemmen. Dit is een verschil met de kwalitatieve rechten, waarvan het op voorhand lastiger is om te bepalen of zij overgaan bij overdracht van het goed waarmee zij samenhangen (zie paragraaf 15.2.4). Dit verschil tussen beide werkt door in de mate waarin het mogelijk is om bij de overdracht van het hoofdrecht (afhankelijke recht) of goed (kwalitatieve recht) te bepalen dat de afhankelijke, respectievelijk kwalitatieve rechten niet zullen overgaan op de verkrijger (zie paragraaf 14.6.1 en 15.6.3).
583. Op basis van de verschillende vereisten kan ook worden verklaard waarom sommige van de in randnummer 563 en 566 gesuggereerde subjectieve rechten in de literatuur doorgaans niet als afhankelijk worden aangemerkt. Het retentierecht is bijvoorbeeld niet afhankelijk, omdat het niet voor overgang vatbaar is (zie randnummer 575 en meer uitgebreid randnummer 834). De voorbehouden eigendom wordt – onder meer – niet afhankelijk geacht, omdat het eigendomsrecht naar zijn aard niet afhankelijk kan zijn en niet tenietgaat zodra de vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen, worden voldaan (zie randnummer 574).1 Op basis van de uitgangspunten uit deel I zou ik deze opvattingen net iets willen nuanceren. Van belang is de vraag of het eigendomsrecht – ook onder ontbindende voorwaarde – nog steeds zelfstandig nut kan hebben voor een leverancier die de vorderingen waarvoor het eigendomsvoorbehoud is bedongen, overdraagt. Theoretisch gezien is dat het geval, omdat dit voorwaardelijke eigendomsrecht zelfstandig kan worden verkocht.2 Daardoor zou het automatisch laten overgaan van de voorbehouden eigendom neerkomen op gedwongen herverdeling. Praktisch gezien weegt dit argument echter minder zwaar. Het nut dat de leverancier aan (verkoop van) het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde zal kunnen ontlenen is, gezien de onzekere positie van de eigenaar onder ontbindende voorwaarde, zeer beperkt.3 Ook lijkt mij dat zowel de leverancier die zijn vorderingen overdraagt als de verkrijger van deze vorderingen de voorbehouden eigendom vooral als zekerheidsrecht ter versterking van de vorderingen waarvoor de eigendom is voorbehouden zal behandelen.4 Dat betekent dat de leverancier, in plaats van graag de eigendom onder ontbindende voorwaarde te behouden, deze doorgaans gezamenlijk met de vorderingen zal overdragen. De verkrijger van de vorderingen is normaliter niet geïnteresseerd in de eigendom onder ontbindende voorwaarde van de zaak die werd geleverd, maar in de eventuele opbrengst van deze zaak. Het zou daarom goed mogelijk zijn dat partijen in de praktijk geen zelfstandig nut aan het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde toekennen. Of dat zo is, is een vraag die aan de hand van empirisch onderzoek zal moeten worden beantwoord. Indien het antwoord bevestigend is, zou ik er voorstander van zijn om een functionele benadering toe te passen en de voorbehouden eigendom automatisch mee over te laten gaan bij overdracht van de vorderingen ten behoeve waarvan het eigendomsvoorbehoud is bedongen.5
584. Het niet automatisch overgaan van het retentierecht en de voorbehouden eigendom op grond van art. 3:82 BW voorkomt overigens niet dat partijen ervoor kunnen kiezen om aanvullende afspraken te maken waardoor de voordelen van deze rechten toch toekomen aan de verkrijger van het vorderingsrecht dat zij versterken.6
585. De in de literatuur als afhankelijk aangemerkte eigendom die uit een ander recht voortvloeit, kan mijns inziens beter begrepen worden als onderdeel van het recht waar het bij hoort (zie randnummer 576). Ik heb daarbij het oog op twee gevallen. Het eerste geval betreft het eigendomsrecht van een huis, dat als afhankelijk wordt gezien van het eigendomsrecht van de grond waarop het is gebouwd (zie randnummer 548). Wat er daarbij eigenlijk gebeurt, is het in tweeën splitsen van het rechtsobject waarop het eigendomsrecht op de grond ziet: één rechtsobject voor de grond, een ander rechtsobject voor het huis dat daarop staat.7 Vervolgens bestaat dan de vraag hoe de twee rechtsobjecten weer aan elkaar dienen te worden gekoppeld, omdat beschikkingshandelingen die zien op de (eigendom van de) grond ook betrekking hebben op (de eigendom van) het huis dat daarop staat. Eén ‘oplossing’ is om beide rechtsobjecten onder één eigendomsrecht te laten vallen.8 Dit is in strijd met het uitgangspunt dat een eigendomsrecht altijd ziet op één rechtsobject.9 De andere ‘oplossing’ gaat ervan uit dat op beide rechtsobjecten een apart eigendomsrecht bestaat, maar dat de twee eigendomsrechten, als ware de één afhankelijk van de ander, door de wet aan elkaar zijn verbonden (art. 5:20 BW).10 Het voordeel van deze opvatting is mij niet evident, omdat voor alle beschikkingshandelingen die ten aanzien van het eigendomsrecht op de grond worden verricht, automatisch dezelfde rechtsgevolgen intreden ten aanzien van het eigendomsrecht op het huis.11 Om transactiekosten te verlagen zou het dan logisch zijn om de grond en het huis er op als één rechtsobject te zien, waarop één subjectief recht betrekking heeft (vergelijk paragraaf 6.2). Als argument vóór het aannemen van twee verschillende rechtsobjecten (en eventueel twee verschillende eigendomsrechten) wordt wel genoemd dat het daardoor eenvoudiger wordt om te bepalen welke op de grond geplaatste (onderdelen van) opstallen zouden kunnen verzelfstandigd met een opstalrecht.12 Daarvoor is het echter niet nodig om al voorafgaand aan het vestigen van een opstalrecht een splitsing aan te brengen. Ook zonder een dergelijke splitsing kunnen partijen bedenken of een (bepaald onderdeel van een) opstal verzelfstandigd kan worden.
586. Het tweede geval waarin de eigendom die uit een ander recht voortvloeit als afhankelijk wordt aangemerkt, betreft het ‘eigendomsrecht’ dat wordt verkregen door de opstalgerechtigde.13 Toegegeven kan worden dat dit ‘eigendomsrecht’ aan de vereisten lijkt te voldoen die art. 3:7 BW stelt voor het zijn van afhankelijk recht: het kan niet zelfstandig ontstaan en gaat teniet zodra het opstalrecht waar het uit voortvloeit eindigt. Daarin zijn de aanspraken die uit het opstalrecht voortvloeien echter niet uniek. Ook de aanspraken die voortvloeien uit een recht van vruchtgebruik kunnen bijvoorbeeld niet ontstaan of voortbestaan zonder dat het recht van vruchtgebruik blijft bestaan. Deze aanspraken worden echter standaard opgevat als ‘inhoud’ van het recht van vruchtgebruik (zie ook paragraaf 12.1.4.1).14 De enige reden om aan te nemen dat dat bij een opstalrecht anders zou zijn, is dat door de wet wordt bepaald dat het opstalrecht de rechthebbende in staat stelt om zaken ‘in eigendom’ te hebben (art. 5:101 lid 1 BW). Mijns inziens is er echter geen sprake van daadwerkelijke eigendom, maar wordt de term gebruikt om op eenvoudige wijze te verwijzen naar de aanspraken die de opstalgerechtigde heeft.15 Er is dan geen reden om onderscheid te maken met andere beperkte rechten.