Hof Amsterdam, 14-08-2018, nr. 200.152.461/01
ECLI:NL:GHAMS:2018:2939
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
14-08-2018
- Zaaknummer
200.152.461/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2018:2939, Uitspraak, Hof Amsterdam, 14‑08‑2018; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2017:1865, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑05‑2017; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2016:357, Uitspraak, Hof Amsterdam, 02‑02‑2016; (Hoger beroep)
Uitspraak 14‑08‑2018
Inhoudsindicatie
Vervolg van tussenarrest 16 mei 2017. Inzake meerwerk heeft de aanneemster onvoldoende gesteld dat dit is overeengekomen en dat de opdrachtgever tijdig is gewezen op de noodzaak van daaruit voortvloeiende prijsverhoging. Inzake ondeugdelijk werk heeft de opdrachtgever niet gesteld dat de aanneemster is gesommeerd en in verzuim is geraakt. Toewijzing aan de aanneemster van een lager bedrag dan in de eerste aanleg.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.152.461/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/554035/ HA ZA 13-1727
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 augustus 2018
inzake
[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.A.I.M. Zandhuis te Amstelveen.
1. Verder verloop van het geding
Partijen worden hierna wederom [X] en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 16 mei 2017 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
[X] heeft hierop een akte genomen, daarbij nog bewijsstukken in het geding gebracht en de eis vermeerderd.
[geïntimeerde] heeft eveneens een akte genomen.
Vervolgens is op 12 februari 2018 een comparitie van partijen gehouden. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.
Hierna is weer arrest gevraagd.
2. Verdere beoordeling
2.1
In het tussenarrest van 16 mei 2017 heeft het hof onder meer geoordeeld dat [geïntimeerde] de contractspartij is van [X] en verder onder meer het volgende overwogen:
“Dit betekent dat thans de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [X] aan de orde is. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft het hof gesuggereerd dat te dien aanzien partijen desgewenst een comparitie van partijen kunnen verzoeken teneinde tot een vergelijk te komen omtrent het door [geïntimeerde] aan [X] verschuldigde. Het hof kan zich voorstellen dat partijen ook in onderling overleg tot een regeling komen. Voor het geval dat een comparitie gewenst wordt heeft het hof geoordeeld dat de vordering tevoren heel precies dient te worden onderbouwd en dat tevoren de originele facturen dienen te worden overgelegd. Partijen wordt gevraagd zich omtrent een en ander (nader) bij akte uit te laten en - indien een comparitie wordt gewenst- voornoemde onderbouwing in die akte op te nemen en daarbij ook de relevante stukken te voegen.”
De gehouden comparitie van partijen heeft er niet toe geleid dat partijen het eens zijn geworden over een regeling.
2.2
[X] heeft bij akte haar eis vermeerderd aldus dat het hof [geïntimeerde] zal veroordelen - uitvoerbaar bij voorraad - aan [X] een bedrag groot € 106.337,80 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de onderscheiden factuurdata althans vervaldata van de facturen, tot aan de dag van de voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten en de nakosten van het geding.
2.3
[geïntimeerde] heeft in zijn akte tegen die eiswijziging geen bezwaar gemaakt, maar wel tegen het oordeel van het hof in het tussenarrest van 16 mei 2017 dat [geïntimeerde] de offerte als handelend voor zichzelf heeft ondertekend. Volgens [geïntimeerde] is dat om diverse redenen niet het geval geweest. Het hof ziet echter geen aanleiding om op zijn beslissing terug te komen en verwijst naar voormeld tussenarrest. In het vervolg zal het hof dan ook (indien toepasselijk) waar [geïntimeerde] over BaRoc spreekt, deze met [geïntimeerde] aanduiden.
2.4
De vordering van [X] is gebaseerd op door haar verrichte werkzaamheden aan het appartement van [geïntimeerde] , waarvoor zij diverse facturen heeft gestuurd. [geïntimeerde] heeft de hoogte van de vordering betwist. Hij heeft aangevoerd dat de ondertekende offerte van 27 december 2012 voor de verbouwing een bedrag van € 22.536,- inhield, verminderd met uitgesloten werkzaamheden ad € 3.685,-, naar [geïntimeerde] kennelijk per abuis stelt € 17.276,- in totaal, doch feitelijk € 18.851 in totaal, zodat het hof van dit laatste bedrag uitgaat. Door [X] zijn diverse werkzaamheden op het gebied van het timmerwerk, schilderwerk en tegelwerk, de afzuiginstallatie, houten vloer en brandmelders en een op glasplaat gemonteerde fotoreproductie, ondeugdelijk uitgevoerd, zoals blijkt uit het rapport van Total Concept Builders van 24 juli 2013. [geïntimeerde] heeft opdracht gegeven tot meerwerk met betrekking tot:
- vervanging oude hydrofoor door waterpomp € 1.780,-
- monteren telefonisch toegangssysteem € 870,-
- wijziging entree appartement € 1.500,-
- aansluiten ontluchtingspijpen € 647,50 (in feite post VvE)
- divers schilderwerk pm
totaal € 4.797,50 plus pm.
Ook met betrekking tot deze posten is de uitvoering niet goed geschied. De werkzaamheden waren bovendien later klaar dan gepland en [geïntimeerde] heeft daardoor verhuurinkomsten van € 5.400,- excl. BTW misgelopen. [geïntimeerde] heeft daarom € 23.188,98 ten onrechte betaald en [X] moet de uit te voeren werkzaamheden alsnog deugdelijk uitvoeren. [X] heeft haar vordering niet aangetoond en geen overzichten overgelegd waaruit volgt dat tegenover dit bedrag ook daadwerkelijk werkzaamheden staan. Gestelde meerwerkopdrachten zijn niet overeengekomen, dan wel ondeugdelijk uitgevoerd. Verder heeft [geïntimeerde] een deel van de apparatuur die in de verbouwing is gebruikt, zelf betaald, aldus (nog steeds) [geïntimeerde] . Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
2.5
[X] heeft bij memorie van grieven onvoldoende betwist dat als basis voor de werkzaamheden de ondertekende offerte 240 van 27 december 2012 voor de verbouwing gold, ter hoogte van een bedrag van € 22.536,- en dat deze diende te worden verminderd met uitgesloten werkzaamheden ad € 3.685,- en dus € 18.851,- in totaal bedroeg. Hoewel de offerte daarvan geen melding maakt, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag exclusief 21% btw was, nu de eerdere door [geïntimeerde] ontvangen maar niet geaccordeerde offerte d.d. 14 december 2012 wel vermeldt dat de aanbieding exclusief 21% BTW is.
2.6
Daarnaast heeft [X] [geïntimeerde] gefactureerd voor meerwerk. Volgens [X] heeft [geïntimeerde] de (eerst in hoger beroep als productie 3 overgelegde) meerwerkopdrachten ondertekend en is voor het overige gefactureerde meerwerk door [geïntimeerde] telkens mondeling opdracht gegeven. [geïntimeerde] heeft echter betwist dat de handtekeningen op de bewuste meerwerkopdrachten door hem zijn gezet en dat door hem de bedoelde meerwerkopdrachten zijn gegeven. Volgens [geïntimeerde] betroffen de door hem gegeven meerwerkopdrachten uitsluitend de onder 2.4 hierboven genoemde opdrachten.
Bovendien zijn bedragen in rekening gebracht die veel te hoog waren. [X] had daarvoor moeten waarschuwen. Naar in het rapport van Total Concept Builders onbetwist wordt gesteld is het in de aannemerswereld in Amsterdam gebruikelijk dat de kosten van een renovatie circa € 1.000,- per m2 bedragen en het geclaimde bedrag mist, gelet op de grootte van het appartement (55m2 (…..) elke aansluiting met de realiteit. Dat bedrag zou immers een kostenoverschrijding van 200% inhouden, aldus (nog steeds) [geïntimeerde] . Hieromtrent overweegt het hof als volgt.
2.7
Als algemene regel geldt dat meerwerk apart dient te zijn overeengekomen en dat de opdrachtgever tijdig moet zijn gewezen op de noodzaak van daaruit voortvloeiende prijsverhogingen. De stelplicht en bewijslast ter zake rusten in dit geval op [X] . Nu [geïntimeerde] stellig ontkent dat de handtekeningen onder de bedoelde offertes/meerwerkopdrachten door hem zijn gezet leveren die offertes geen bewijs op van de op die punten door hem gegeven meerwerkopdrachten. [X] heeft, ondanks de duidelijke opdracht in het tussenarrest van 16 mei 2017, slechts kopieën overgelegd van de desbetreffende offertes en geen specifiek bewijs aangeboden dat de handtekeningen door [geïntimeerde] zijn gezet. Bewijslevering is op dit punt daarom niet (meer) aan de orde.
2.8
[X] heeft in haar laatste akte nog in algemene termen bewijs aangeboden door het horen van getuigen dat (andere) meerwerkopdrachten door [geïntimeerde] zijn gegeven. Gelet op de opdracht van het hof in het tussenarrest van 16 mei 2017 de vordering ook op dit punt bij akte precies te onderbouwen (zoveel mogelijk met originele stukken) had het echter op haar weg gelegen bij akte te specificeren welke afspraken zijn gemaakt, wanneer die zijn gemaakt en met wie. Tevens had het op haar weg gelegen over die afspraken reeds zoveel mogelijk verklaringen in te brengen die een en ander onderbouwen. Dit alles is door [X] nagelaten, hetgeen er mede toe heeft geleid dat dit ook niet op de comparitie is besproken. Een nadere uitleg had des te meer voor de hand gelegen omdat [X] geen verklaring heeft gegeven waarom het totaal van de werkzaamheden, gelet op de grootte van het appartement en het uit te voeren werk, tot dergelijke hoge kosten heeft geleid, die de prijsaanbieding van de initiële offerte 240 in meer dan vergaande mate overschrijden. In het bijzonder valt daarbij op de ongespecificeerde factuur 3000030396 ad € 61.763,59. Een bedrag van een dergelijke omvang vereist een deugdelijke onderbouwing, die echter volledig ontbreekt. Het bewijsaanbod is aldus te vaag en weinig specifiek, en wordt dan ook gepasseerd.
2.9
Dit houdt in dat zal worden uitgegaan van de meerwerkopdrachten die door [geïntimeerde] zijn erkend als hierboven weergegeven. Hij zal de bedragen die daarmee zijn gemoeid in beginsel aan [X] dienen te voldoen. Recapitulerend:
- de vervanging van een oude hydrofoor door een waterpomp ad € 1.780.-;
- het monteren van een telefonisch toegangssysteem voor huurders van het appartement ad € 870,-;
-de wijziging van de entree van het appartement ad € 1.500,-;
- het aansluiten van ontluchtingspijpen (in feite voor de VvE) ad € 647,50;
- divers schilderwerk ad p.m.
2.10
Het schilderwerk zal worden begroot op € 6.095,- incl. btw, conform factuur 3000030092, nu een dergelijk bedrag redelijk is voor een appartement van deze omvang. Het hof gaat er vanuit dat de overige voornoemde bedragen exclusief btw zijn, conform de opgave in alle offertes, en zal schattenderwijs ervan uitgaan dat over
€ 3.000,- 21% btw is verschuldigd (€ 630,-) en over € 1.797,50 6% btw (€ 377,50). Het totaal daarvan bedraagt € 5.805,- te vermeerderen met € 6.095,-, wat leidt tot een totaalbedrag van € 11.900,- incl. btw.
2.11
Dit betekent dat [geïntimeerde] in beginsel aan [X] dient te betalen een bedrag van
€ 22.809,71 (€ 18.851,- vermeerderd met 21% btw (€ 3.958,71), re offerte 240) alsmede een bedrag van € 11.900,- (re meerwerk), dat wil zeggen in totaal een bedrag van € 34.709,71.
2.12
[geïntimeerde] heeft inmiddels € 23.188,98 inclusief btw aan [X] betaald. Weliswaar heeft [X] bij pleidooi in hoger beroep gesteld dat een bedrag groot
€ 1.218,98 daarvan is betaald voor werkzaamheden aan een keuken van een appartement van een vriend van [geïntimeerde] , maar dat heeft [X] onvoldoende onderbouwd en volgt ook niet uit de factuur. Resteert door [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van afgerond € 11.520,73,-. Nu niet meer is te herleiden op welke facturen dit bedrag betrekking heeft dient de wettelijke rente te worden berekend vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg.
2.13
Door [X] zijn echter diverse werkzaamheden op het gebied van het timmerwerk, schilderwerk en tegelwerk, de afzuiginstallatie, houten vloer en brandmelders en een op glasplaat gemonteerde fotoreproductie, ondeugdelijk uitgevoerd, zoals blijkt uit het rapport van Total Concept Builders van 24 juli 2013, stelt [geïntimeerde] . Deze werkzaamheden zijn ook beoordeeld door de deskundige, E.W. Lopes Cardozo, en ook hij komt tot de conclusie dat diverse werkzaamheden ondeugdelijk zijn uitgevoerd. Ook is het werk niet opgeleverd. Daarom, zo begrijpt het hof [geïntimeerde] , is sprake van wanprestatie, om welke reden een bedrag groot € 10.143,45 (vastgesteld door Lopes Cardozo) niet is verschuldigd. [X] heeft dit betwist.
2.14
[geïntimeerde] heeft echter niet gesteld, en evenmin is gebleken, dat [X] op enig moment door hem is gesommeerd tot herstel van de gebreken over te gaan en daarna - toen dat uitbleef - in verzuim is komen te verkeren. Om die reden worden de stellingen van [geïntimeerde] op dit punt niet gevolgd. Dat het werk niet zou zijn opgeleverd is in dit verband niet van belang, nu niet is gesteld of gebleken dat pas na oplevering betaald zou moeten worden. Dat hij schade zou hebben door late oplevering, is niet meer door [geïntimeerde] onderbouwd. Hij blijft daarom het bedrag van € 11.520,73, verschuldigd.
2.15
De slotsom is dat de grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep zullen worden gecompenseerd nu rond 90% van de vordering van [X] wordt afgewezen en partijen dus als over en weer in het ongelijk gesteld kunnen worden beschouwd.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] aan [X] te betalen een bedrag van € 11.520,73 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg;
bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt van de eerste aanleg en het hoger beroep;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, L.A.J. Dun en M.J. Schaepman-De Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2018.
Uitspraak 16‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Aannemingsovereenkomst. Tussenarrest na bewijslevering. Overeenkomst is niet door BV gesloten maar in privé. Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:357.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.152.461/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/554035/ HA ZA 13-1727
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 mei 2017
inzake
[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.A.I.M. Zandhuis te Amstelveen.
1. Verder verloop van het geding
Partijen worden hierna wederom [X] en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 2 februari 2016 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Ingevolge het tussenarrest heeft [X] op 26 mei 2016 drie getuigen doen horen, waarna [geïntimeerde] op 24 oktober 2016 eveneens drie getuigen heeft doen horen. De daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn bij de gedingstukken gevoegd.
[X] heeft een memorie na enquête (en contra-enquête) genomen, en daarbij nog bewijsstukken in het geding gebracht.
[geïntimeerde] heeft eveneens een memorie na enquête (en contra-enquête) genomen, en daarbij een bewijsstuk in het geding gebracht.
Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. Verdere beoordeling
2.1
Bij het tussenarrest is [X] toegelaten tot het bewijs van haar stelling - kort gezegd - dat op 29 december 2012 in de toenmalige woning van [B] een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [A] en [geïntimeerde] , waarbij [geïntimeerde] de offerte heeft doorgenomen en deze, handelend voor zichzelf, voor akkoord heeft ondertekend. Tevens is [X] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat het herhaald verzoek van [geïntimeerde] om de tenaamstelling van de offerte en de facturen te wijzigen (van [geïntimeerde] in [Y] ) [X] daadwerkelijk heeft bereikt.
2.2.1
Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft [X] getuigen doen horen. Deze hebben, voor zover van belang, het volgende verklaard.
2.2.2
De getuige [B]:
“ (…) Ik herinner mij de bespreking van 29 december 2012. Deze maakte deel uit van een hele reeks besprekingen bij mij thuis. Dat gebeurde daar, omdat dat praktisch was. Die besprekingen gingen over de verbouwing van de [adres] . Later ook over de facturatie en het meerwerk. Ik was daarbij, omdat ik bedrijfsadviseur was van [A] . Die had ik ook bij [geïntimeerde] geïntroduceerd. Ik weet dat de bijeenkomst van 29 december 2012 ging over de offerte. (…)
[O]p 29 december 2012 heeft bij mij in de woning een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] , [A] en mij. De offerte is doorgenomen en door [geïntimeerde] ondertekend. Of de offerte op 27 december 2012 is gedateerd weet ik niet. Het is duidelijk dat [geïntimeerde] voor hem in privé heeft getekend en niet namens [Y] . (…)
Voor 29 december 2012 was [A] niet bekend met de zakelijke relatie tussen [geïntimeerde] en mij. Hij was ook niet bekend met [Y] . (…)”
2.2.3.
De getuige [A]:
“Een week voor 29 december 2012 ben ik bij [B] thuis geweest naar aanleiding van de offerte voor de verbouwing. Daarbij waren aanwezig [B] , [geïntimeerde] en ik. Besproken is dat de offerte te duur was en dat er diverse dingen geschrapt moesten worden om tot een betere prijs te komen. Op 29 december 2012 hebben we opnieuw afgesproken en had ik een nieuwe offerte. Die hebben we doorgenomen en [geïntimeerde] heeft nog wat aantekeningen op de offerte genoteerd. Hij zei toen ik ga het ondertekenen en alles in gang zetten als de bewoner van het huis is vertrokken. Hij heeft toen de handtekening gezet en ik ben met de offerte weggegaan. (…)
[geïntimeerde] heeft de offerte getekend voor zichzelf. Van [Y] had ik nog nooit gehoord. (…)
De productie 2 van de memorie van grieven die u mij toont is een pagina uit mijn agenda. De bespreking op die 29ste december 2012 vond in de ochtend rond 09:00 uur plaats op verzoek van [geïntimeerde] . Ik had geen enkele reden te twijfelen dat [geïntimeerde] voor zichzelf handelde. (…)
Productie 5 bij de conclusie van antwoord is de offerte zoals die op 29 december 2012 is doorgenomen. De handtekening voor akkoord is door [geïntimeerde] geplaatst. De offerte is ook aan hem persoonlijk gericht. [B] was erbij toen dit stuk besproken is en getekend is. Dit was op 29 december 2012. (…)”
2.3
Uit voornoemde verklaringen kan in beginsel worden afgeleid dat [X] in haar bewijsopdracht (dat op 29 december 2012 in de toenmalige woning van [B] een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [A] en [geïntimeerde] , waarbij [geïntimeerde] de offerte heeft doorgenomen en deze, handelend voor zichzelf, voor akkoord heeft ondertekend) geslaagd is. Het hof zal hieronder bespreken of hetgeen de door [geïntimeerde] (in contra-enquête) gehoorde getuigen hebben verklaard afdoet aan die gevolgtrekking. Het betrekt daarbij ook de overige gegevens uit het dossier.
2.4
In dat verband heeft de getuige [D] verklaard dat [geïntimeerde] op 29 december 2012 tussen 09.30 en 12.00 uur met haar een bespreking had in Den Haag. De getuige [E] heeft onder meer verklaard dat [geïntimeerde] die dag wel 12 uur in Den Haag bezig was en de hele dag in Den Haag was. Ook [geïntimeerde] zelf heeft als getuige verklaard dat hij die dag in Den Haag was en niet bij de bespreking in het huis van [B] te Amsterdam. De getuige [D] heeft echter tevens verklaard dat zij een en ander heeft teruggerekend, er daarbij van uitgaand dat zij meestal rond half 10 afspreekt en dat zij denkt dat de vergadering tegen twaalven was afgelopen omdat die een tijd heeft geduurd. Zij heeft echter geen concrete gegevens beschikbaar, zoals een agenda of elektronische berichten, waardoor haar aanname kan worden bevestigd. Ook de getuige [E] , de partner van [geïntimeerde] , kan niet met zekerheid zeggen dat [geïntimeerde] de 29ste december 2012 de hele dag niet in Amsterdam is geweest. Hij verklaart in dat verband niet in zijn agenda te kijken, dat [geïntimeerde] kwam en ging, maar dat hij geen agenda heeft van een bepaald tijdstip. Daarbij is de verklaring van [E] inconsistent, in elk geval ten aanzien van de vraag of hij nu wel of niet nog een agenda van die periode heeft. De verklaringen van deze getuigen worden derhalve onvoldoende ondersteund door concrete en verifieerbare gegevens en laten niet alleen de mogelijkheid open dat zij zich vergissen omtrent datum en tijdstip – hetgeen in verband met het tijdverloop van meerdere jaren niet onbegrijpelijk is – maar ook de mogelijkheid dat [geïntimeerde] zowel een bespreking met [A] en [B] in Amsterdam heeft gehad, als (vervolgens) een bespreking in Den Haag. Ook [geïntimeerde] zelf heeft geen agenda of ander gegeven waaruit voldoende kan blijken dat hij op 29 december 2012 niet bij de bewuste bespreking in Amsterdam is geweest. Zijn verklaring dat hij daarbij niet aanwezig is geweest moet daarbij met voorzichtigheid worden gehanteerd, nu hij bij die verklaring belang heeft. Daartegenover staat dat [A] een pagina van zijn agenda heeft ingebracht waarop de bewuste afspraak in Amsterdam is genoteerd. Ten slotte kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van [B] , die het hof voldoende betrouwbaar acht. In samenhang met de door [geïntimeerde] ondertekende offerte en de aan hem gezonden facturen die op zijn naam zijn gesteld kan hetgeen de door [geïntimeerde] in contra-enquête gehoorde getuigen hebben verklaard derhalve niet afdoen aan de conclusie dat [X] in haar bewijsopdracht is geslaagd.
2.5
Gelet op hetgeen onder 3.5 van het genoemde tussenarrest is overwogen geldt dan dat de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [X] is gesloten. Of [geïntimeerde] de in het tussenarrest besproken brief en e-mails aan [X] heeft gezonden en deze [X] daadwerkelijk hebben bereikt, is daarmee niet langer relevant omdat, zoals [X] terecht stelt, deze dan in elk geval onbeantwoord zijn gebleven, zodat geen wijziging van contractspartij heeft plaatsgevonden. Daar komt nog bij dat het, gelet op de verklaring van de getuige [F] , maar zeer de vraag is of de e-mails wel zijn verzonden en in ieder geval zijn ontvangen.
2.6
Dit betekent dat thans de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [X] aan de orde is. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft het hof gesuggereerd dat te dien aanzien partijen desgewenst een comparitie van partijen kunnen verzoeken teneinde tot een vergelijk te komen omtrent het door [geïntimeerde] aan [X] verschuldigde. Het hof kan zich voorstellen dat partijen ook in onderling overleg tot een regeling komen. Voor het geval dat een comparitie gewenst wordt heeft het hof geoordeeld dat de vordering tevoren heel precies dient te worden onderbouwd en dat tevoren de originele facturen dienen te worden overgelegd. Partijen wordt gevraagd zich omtrent een en ander (nader) bij akte uit te laten en - indien een comparitie wordt gewenst- voornoemde onderbouwing in die akte op te nemen en daarbij ook de relevante stukken te voegen.
3. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 13 juni 2017 voor een akte aan de zijde van [X] met het hiervoor onder 2.6 omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, L.A.J. Dun en M.J. Schaepman-De Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2017.
Uitspraak 02‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:1865.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.152.461/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/554035/ HA ZA 13-1727
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 februari 2016
inzake
[X] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. E.T. van den Hout te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.A.I.M. Zandhuis te Amstelveen.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [X] en [geïntimeerde] genoemd.
[X] is bij dagvaarding van 7 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2014, gewezen tussen [X] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
[X] heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van € 102.701,94, te vermeerderen met de (samengestelde) wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en in hoger beroep en in de nakosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [X] in de proceskosten van het hoger beroep en de nakosten.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 26 november 2015 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover in de grieven 1 en 2 over de vaststelling van de feiten is geklaagd zal het hof, indien voor de beslissing van belang, daarop in het onderstaande terugkomen en daarmee rekening houden. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen deze derhalve ook het hof als uitgangspunt.
Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
a. [X] is een bouw- en aannemingsbedrijf. [X] wordt bestuurd door [A] (hierna: [A] ).
b. [geïntimeerde] woonde in een appartement aan de [adres] . [geïntimeerde] was statutair directeur van Santa Maria Holding B.V. Deze vennootschap voerde de directie over [Y] Properties B.V. (hierna: [Y] ). Zowel [geïntimeerde] als [B] (hierna: [B] ) was aandeelhouder van Santa Maria Holding B.V. [Y] was eigenaar van het daaronder gelegen appartement op de tweede verdieping (hierna: het appartement). Het appartement werd geëxploiteerd voor commerciële verhuur aan toeristen.
c. [X] heeft een offerte met nummer 240 opgesteld van in totaal € 22.536,- (hierna: de offerte) betreffende diverse verbouwingswerkzaamheden aan het appartement.
d. [X] heeft in de periode 15 januari 2013 tot 31 maart 2013 werkzaamheden uitgevoerd aan het appartement. In de periode 10 januari 2013 tot en met 19 september 2013 heeft [X] in totaal € 124.671,14 gefactureerd. Daarvan is een bedrag van
€ 61.763,59 bij factuur van 19 september 2013 als “meerwerk eindafrekening” bij [geïntimeerde] in rekening gebracht. [Y] heeft betalingen gedaan van in totaal € 8.470,98 en twee andere vennootschappen hebben samen een totaalbedrag van € 14.718,- aan [X] betaald.
e. Op 19 juli 2013 heeft [C] van Total Concept Builders een bouwkundige inspectie van het appartement uitgevoerd.
f. E.W. Lopes Cardozo heeft de kwaliteit van de door [X] verrichte werkzaamheden en facturen beoordeeld en daarvan op 26 maart 2014 een rapport opgesteld.
3. Beoordeling
3.1
In eerste aanleg heeft [X] hetzelfde gevorderd als in hoger beroep en daaraan ten grondslag gelegd dat zij in 2013 in opdracht van [geïntimeerde] diverse verbouwingswerkzaamheden aan het appartement van [geïntimeerde] heeft uitgevoerd en dat [geïntimeerde] uit dien hoofde het gevorderde bedrag aan haar dient te betalen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen, kort gezegd op de grond dat [X] niet met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd. Volgens de rechtbank volgt dit onder meer uit de omstandigheid dat de offerte door [geïntimeerde] is ondertekend en bij begeleidende brief van 8 februari 2013 aan [X] retour gezonden, in welke begeleidende brief het volgende is geschreven:
“Bijgaand nog de originele offerte retour (…)
Zou je de tenaamstelling van de offerte en van de reeds ontvangen facturen willen aanpassen zoals vanmiddag besproken?
Opdrachtgever is:
[Y] Properties BV
(…)”
Volgens de rechtbank duiden ook
-de e-mail van 21 januari 2013 van [geïntimeerde] aan [X] , onder meer inhoudend:
“Ik heb aan […] [lees: [A] ; toev. hof] gevraagd de facturen op naam van [Y] Properties te zetten (…)”
-de e-mail van 7 februari 2013 van [geïntimeerde] aan [X] , onder meer inhoudend:
“Ik zie net pas dat de offerte op privé staat.. Zou je dit aub willen veranderen in [Y] Properties (…)” en
- de e-mail van 9 februari 2013 van [geïntimeerde] aan [X] , onder meer inhoudend: “We zullen de volgende betalingen aan jou verrichten vanuit de vennootschap (…) (in opdracht van [Y] Properties BV) (…)”,
erop dat de overeenkomst tussen [X] en [Y] is gesloten. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] met haar grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.2
De grieven houden, kort samengevat, in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [X] niet met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd. Daarbij voert [X] het volgende aan. De overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] is volgens [X] op 29 december 2012 tot stand gekomen en niet pas op 8 februari 2013, en wel met [geïntimeerde] in privé. [geïntimeerde] heeft nooit aan [X] laten weten dat hij de overeenkomst niet voor zichzelf maar (als middellijk bestuurder) voor [Y] wilde aangaan. [X] licht toe dat onjuist is dat zij, zoals de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen, op 27 december 2012 de offerte met nummer 240 ad € 22.536,- aan [geïntimeerde] heeft gestuurd en dat de door [geïntimeerde] ondertekende offerte vervolgens eerst bij begeleidende brief van 8 februari 2013 door hem aan [X] retour is gezonden. Volgens [X] heeft op 29 december 2012 in de toenmalige woning van [B] , toenmalig zakenpartner van [geïntimeerde] , een gesprek plaatsgevonden tussen [A] van [X] , [geïntimeerde] en [B] , waarbij [geïntimeerde] de offerte heeft doorgenomen en deze voor akkoord heeft ondertekend, waarna [A] de ondertekende offerte (lees: overeenkomst) heeft meegenomen en [X] vervolgens op 15 januari 2013 is gestart met de werkzaamheden. [X] voert aan dat zij de brief van 8 februari 2013, waarmee [geïntimeerde] de offerte aan [X] zou hebben verzonden, noch de e-mailcorrespondentie van 21 januari 2013 of 7 en 9 februari 2013, die door [geïntimeerde] is overgelegd, ooit heeft ontvangen en dat zij (dus) ook nooit verzoeken van [geïntimeerde] heeft ontvangen om de tenaamstelling van de door hem ondertekende offerte van 27 december 2012 en/of van facturen te wijzigen. Volgens [X] heeft het er zelfs de schijn van dat die e-mailcorrespondentie is vervalst. Voor zover het hof zou oordelen dat de correspondentie wel is ontvangen geldt dat dit verzoeken zijn die na de totstandkoming van de overeenkomst zijn ontvangen en dat daaraan door [X] geen gevolg is of hoefde te worden gegeven. Dat met [geïntimeerde] in privé in gecontracteerd volgt volgens [X] ook uit correspondentie met hem en door hem in privé ondertekende offertes voor meerwerk. Ten slotte betwist [X] de door [geïntimeerde] gestelde herstelkosten en gebreken. Het hof overweegt als volgt.
3.3
Art. 3:37 lid 3 BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art. 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens e-mailadres dat bij (recente) contacten tussen partijen door de geadresseerde is/wordt gebruikt.
3.4
In dat verband is het volgende van belang. De brief van 8 februari 2013 moet in verband worden gezien met de e-mails van 21 januari 2013 en 7 en 9 februari 2013. De brief is gericht aan het bedrijfsadres van [X] . De e-mails zijn gericht aan een e-mailadres dat door [X] wordt gebruikt en waarheen door [geïntimeerde] diverse e-mails zijn verstuurd waarvan de ontvangst door [X] niet wordt betwist. Dat de afschriften van de e-mails van 21 januari 2013 en 7 en 9 februari 2013 zijn gemanipuleerd – voor zover dat al een stelling is die [X] inneemt – is onvoldoende onderbouwd. E-mails plegen, behoudens bijzondere omstandigheden die niet door [X] zijn gesteld of gebleken, aan te komen bij de geadresseerde. Daarnaast geldt dat in diverse e-mails van [geïntimeerde] na 9 februari 2013 in de “wij” vorm wordt gesproken of wordt gerefereerd aan (te maken) afspraken tussen [X] en [geïntimeerde] en […] (het hof begrijpt [B] ), hetgeen er niet op duidt dat [geïntimeerde] alleen voor zichzelf heeft gecontracteerd. Daarbij is van belang dat niet is weersproken dat [X] in de persoon van [A] zeer goed bekend was met ( [geïntimeerde] en) [B] uit hoofde van eerdere zakelijke contacten en hij dus ervan op de hoogte moet zijn geweest dat het te verbouwen appartement eigendom was van [Y] en bestemd was voor de verhuur door [Y] aan toeristen. Een en ander in onderlinge samenhang bezien leidt het hof tot het oordeel dat voorshands is bewezen dat het herhaald verzoek van [geïntimeerde] als hier aan de orde [X] daadwerkelijk heeft bereikt, hetgeen meebrengt dat [X] redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat het de bedoeling van [geïntimeerde] was dat de overeenkomst tussen [Y] en [X] werd gesloten. Daar doet niet aan af dat [X] al voor die berichtgeving met de werkzaamheden in het appartement is begonnen, nu de algemene ervaring leert dat zulks niet ongebruikelijk is in dergelijke situaties.
3.5
Indien echter de stelling van [X] komt vast te staan op 29 december 2012 in de toenmalige woning van [B] een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [A] en [geïntimeerde] , waarbij [geïntimeerde] de offerte heeft doorgenomen en deze, handelend voor zichzelf, voor akkoord heeft ondertekend, moet de conclusie zijn dat de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [X] is gesloten.
3.6
De bewijslast van de stelling als in 3.5 bedoeld ligt bij [X] . Zij zal, conform haar aanbod ter zake dan ook tot het bewijs van die stelling worden toegelaten. Gelet op hetgeen in 3.4 is overwogen en gelet op het aanbod van [X] op dat punt, wordt [X] tevens toegelaten tegenbewijs te leveren tegen hetgeen het hof voorshands als bewezen heeft aangenomen.
3.7
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
laat [X] toe tot het leveren van bewijs als hiervoor in 3.6 is overwogen;
beveelt dat, indien [X] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. L.A.J. Dun, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op vrijdag 8 april 2016 om 10.00 uur;
bepaalt dat de advocaat van [X] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door [X] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 1 maart 2016 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van 15 april 2016 tot 15 juni 2016 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, L.A.J. Dun en M.J. Schaepman- de Bruijne en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.