RvS, 16-12-2009, nr. 200902229/1/H2
ECLI:NL:RVS:2009:BK6757
- Instantie
Raad van State
- Datum
16-12-2009
- Zaaknummer
200902229/1/H2
- LJN
BK6757
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RVS:2009:BK6757, Uitspraak, Raad van State, 16‑12‑2009; (Hoger beroep)
Uitspraak 16‑12‑2009
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 maart 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad voor rechtsbijstand) de aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellante] toegewezen en de eigen bijdrage vastgesteld op € 690,00.
Partij(en)
200902229/1/H2.
Datum uitspraak: 16 december 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats], [gemeente],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 januari 2009 in zaak nr. 07/2867 in het geding tussen:
[appellante]
en
de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad voor rechtsbijstand) de aanvraag om een toevoeging voor rechtsbijstand ten behoeve van [appellante] toegewezen en de eigen bijdrage vastgesteld op € 690,00.
Bij besluit van 9 augustus 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 januari 2009, verzonden op 18 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij fax, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 april 2009.
De raad voor rechtsbijstand heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 november 2009, waar de raad voor rechtsbijstand, vertegenwoordigd door mr. R.W. van Dijken, werkzaam bij de raad voor rechtsbijstand, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1.
Ingevolge artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), voor zover thans van belang, is het inkomen van de rechtzoekende het verzamelinkomen in het peiljaar. Tot het moment waarop dit inkomen door de inspecteur is vastgesteld, wordt onder inkomen verstaan het bedrag dat in het peiljaar het verzamelinkomen zo goed mogelijk benadert. De raad stelt dit bedrag vast op grond van de beschikbare gegevens. Nadat de inspecteur het inkomen en vermogen van het peiljaar heeft vastgesteld, neemt de raad voor rechtsbijstand ambtshalve een besluit dat in de plaats komt van het eerder genomen besluit. Ingevolge artikel 34c, eerste lid, neemt de raad voor rechtsbijstand op aanvraag van de rechtzoekende een besluit dat is gebaseerd op het door de raad voor rechtsbijstand geschatte inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan, indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen.
Ingevolge het tweede lid wordt onder terugval van inkomen of vermogen verstaan een vermindering van het inkomen of vermogen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
2.2.
De raad voor rechtsbijstand heeft aan het besluit van 9 augustus 2007 ten grondslag gelegd dat het verzamelinkomen over het jaar 2007 € 27.101,00 bedraagt. Volgens de raad voor rechtsbijstand is dit inkomen niet met ten minste 15% verminderd ten opzichte van het peiljaar 2005.
2.3.
[appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verzamelinkomen over het jaar 2007 ten opzichte van het inkomen over het peiljaar 2005 wel met minimaal 15% is gedaald.
2.4.
Niet wordt betwist dat het verzamelinkomen van [appellante] over het peiljaar 2005 € 28.937,00 bedraagt. Het geschil spits zich toe op de vraag of in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval van het inkomen in de zin van artikel 34c, tweede lid, van de Wrb.
2.5.
Dit betoog faalt. Uit de door [appellante] overgelegde gegevens blijkt niet dat het verzamelinkomen van [appellante] en haar partner met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar 2005 is gedaald. Uit de overgelegde jaaropgaven blijkt dat het fiscaal loon van [appellante] over het jaar 2007 € 16.924,00 bedraagt. Met betrekking tot het inkomen van haar partner over het jaar 2007 heeft [appellante] slechts een uitkeringsspecificatie van het UWV over februari 2007 overgelegd en geen gegevens die zien op het gehele jaar 2007. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het verzamelinkomen over het jaar 2007 met tenminste 15% is gedaald ten opzichte van het peiljaar 2005.
2.6.
Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Bindels
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009
85-630.