Geschillencie. passend onderwijs, 20-03-2020, nr. 109110
109110
- Instantie
Geschillencommissie passend onderwijs
- Datum
20-03-2020
- Magistraten
Mrs. D. Ghidei, drs. L.F.P. Niessen, drs. E. Hoeksma
- Zaaknummer
109110
- Vakgebied(en)
Onderwijsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Geschillencommissie passend onderwijs, 20‑03‑2020
Uitspraak 20‑03‑2020
Mrs. D. Ghidei, drs. L.F.P. Niessen, drs. E. Hoeksma
Partij(en)
in het geding tussen:
[verzoekster], wonende te [plaatsnaam], verzoeker,
en
[het bevoegd gezag], gevestigd te [plaatsnaam], het bevoegd gezag van [de school], verweerder. gemachtigde: de heer mr. drs. J. van den Brink
1. Kern van het advies
Het verzoek is ongegrond. Er is sprake van onveiligheid op de school door bedreiging van de leerling. Omdat de school de mogelijkheid niet uitsluit dat zij de leerling alsnog kan ondersteunen, is het advies om de leerling weer toe te laten op de school.
2. Verloop van de procedure
Op 15 januari 2020 heeft verzoeker aan de Commissie een geschil voorgelegd over de beslissing van 10 januari 2020 inhoudende het voornemen om [leerling] te verwijderen van [de school] (verder: de school).
Verweerder heeft op 4 februari 2020 een verweerschrift ingediend.
De hoorzitting vond met instemming van alle betrokkenen gevoegd plaats met de behandeling van het verzoekschrift GPO 109109 op 18 februari 2020 te Utrecht.
Verzoeker was ter zitting aanwezig en werd bijgestaan door een beëdigd tolk. Verzoeker werd vergezeld door [de leerling]. [de leerling] is bij aanvang van de zitting gehoord en heeft daarna de zittingszaal verlaten.
Namens verweerder waren aanwezig ter zitting de heer [directeur van de school] en mevrouw [zorgcoördinator van de school], bijgestaan door de gemachtigde.
Het samenwerkingsverband werd ter zitting vertegenwoordigd door de heer [directeur].
3. De feiten
1.
Verzoeker is de vader van [leerling]. [de leerling] is geboren op [geboortedatum] 2004.
2.
Vanaf schooljaar 2017–2018 volgt [de leerling] onderwijs op [de school], (verder: de school). In schooljaar 2019–2020 zit [de leerling] in de derde klas. Hij zat in een groep voor leerlingen met Nederlands als tweede taal (NT2-groep).
3.
Op 18 december 2019 is [de leerling] aangesproken door de school omdat hij wilde vechten met een andere leerling (verder: J).
4.
Op 7 januari 2020 heeft [de leerling] tegen de schuifdeur van de fietsenstalling gefietst en deze beschadigd.
5.
Op 8 januari 2020 heeft de mentor van de school een e-mailbericht van J gekregen waarin staat dat J 150 euro moet betalen aan [de leerling] en G omdat hij anders in elkaar geslagen wordt. De directeur, zorgcoördinator en de mentor hebben als onderzoekscommissie gezamenlijk onderzocht wat er rond J en de betaling van 150 euro aan de hand is.
6.
De school is op 8 januari 2020 gemaild en gebeld door de moeder van een ondervraagde klasgenoot met de mededeling dat ‘haar zoon bang is om naar school te gaan en hij wordt bedreigd met vechten.’
7.
Op 9 januari 2020 heeft verzoeker een gesprek gehad op de school. In dat gesprek heeft de school gemeld dat [de leerling] is geschorst en de school voornemens is hem te verwijderen.
8.
Op 10 januari 2020 heeft verzoeker van de school een schriftelijke voorgenomen verwijderingsbeslissing ontvangen. In deze brief staat dat de school van plan is om [de leerling] te verwijderen omdat hij medeverantwoordelijk is voor bedreigen, chanteren en het afpersen van een medeleerling.
9.
Vanaf 13 januari 2020 is [de leerling] geschorst, in afwachting van een definitieve verwijdering.
4. Standpunten van partijen
Standpunt verzoeker
De school mag [de leerling] niet verwijderen want er is geen sprake van bedreiging, afpersing en of het aanzetten tot diefstal van een klasgenoot. Hiervan is geen bewijs.
Het voorval, te weten de inhoud van het e-mailbericht van J, moet in een andere context worden geplaatst. [de leerling], G en J hebben met elkaar gesproken over geld maar dat was een grapje. Volgens verzoeker vertelde [de leerling] in de klas aan J en G dat hij 170 euro aan de school moest betalen omdat hij met zijn fiets een schuifdeur van de school kapot had gereden. J zei: ‘dat is lekker dan’. Toen zei [de leerling]: dan kun je mij wel de helft betalen. J antwoordde dat dat goed was. Omdat het allemaal ging met een lach, heeft G gezegd: ‘dan kun je mij ook wel 30 euro geven’. De jongens hebben elkaar een boks gegeven. Dat heeft niets te maken met bedreiging. Het is algemeen bekend in de school dat J weleens steelt en eten weggeeft aan andere leerlingen. In tegenstelling tot wat de school daarover denkt, heeft [de leerling] daar niets mee te maken.
J neemt alles letterlijk en vertelt (daardoor) niet de waarheid. Dat weet verweerder, dus de school had de opmerkingen van J nauwkeurig moeten onderzoeken op juistheid. Verzoeker stelt verder dat verweerder het feitenonderzoek niet zorgvuldig heeft opgepakt. De directeur en de teamleider van de school hebben [de leerling] en ook G maar vijf minuten gehoord. De school nam het e-mailbericht van J voor waar aan en [de leerling] kreeg geen ruimte om zijn kant van het verhaal te vertellen. Er werd [de leerling] direct medegedeeld dat hij geschorst zou worden voor zes weken. Gedurende deze periode zou verweerder bepalen of hij verwijderd zou worden. De verwijdering is gebaseerd op onjuiste feiten. De klasgenoot heeft niet verklaard dat er sprake was van een bedreigende situatie en ook de docent die op dat moment lesgaf heeft geen bedreigende situatie opgemerkt tussen de jongens. J heeft aangifte gedaan bij de politie, maar de politie gaat waarschijnlijk over tot het seponeren van de zaak.
Verzoeker heeft van de school niet eerder negatief bericht gekregen over het gedrag van [de leerling].
Vorig jaar had [de leerling] wel vervelend contact met J. Hij stuurde naar andere leerlingen foto's van de zus van [de leerling] met ongepaste tekst. De docent deed hier niets aan en J gaf geen gehoor aan het verzoek van [de leerling] om ermee te stoppen. Omdat J de zus van [de leerling] beledigde heeft [de leerling] geprobeerd om hem te slaan. Desondanks moest [de leerling] nablijven en heeft hij een waarschuwing van de school gekregen om J met rust te laten. [de leerling] heeft zich hieraan gehouden want hij wil zelf ook geen ruzie met J.
De verwijderingsbeslissing van de school kwam voor verzoeker onverwacht. Hij kreeg de beslissing op schrift mee met het verzoek dit thuis te lezen. In de beslissing wordt [de leerling] neergezet als crimineel. Er was geen gesprek hierover mogelijk met de school.
Momenteel doet [de leerling] weinig. Hij gaat buiten chillen met vrienden en leert voor toetsen. Hij krijgt voor het maken van zijn huiswerk niet de inhoudelijke uitleg die hij nodig heeft. [de leerling] had bijles Engels en Nederlands omdat hij uit Syrië komt en andere talen machtig moet worden. Hij stond er goed voor, maar sinds de schorsing zijn de cijfers van [de leerling] achteruitgegaan. [de leerling] wil graag terug naar de school. Hij had vrienden en voelde zich veilig op de school.
Standpunt verweerder
[de leerling] heeft gezorgd voor onveiligheid en ordeverstoring op de school door J te bedreigen. J was al eens eerder gedwongen door [de leerling] en G om spullen te kopen, zoals kauwgom. Ook is [de leerling] J drie keer te lijf gegaan omdat J beeldmateriaal zou hebben van zijn zus. De school heeft het beeldmateriaal tevergeefs proberen te achterhalen. Het enige dat naar voren kwam was een vermoeden dat er met de telefoon van J gerommeld leek te zijn met Instagrammprofielen van sommige leerlingen. De school heeft gesproken met J, maar die ontkende. In het gesprek met verzoeker hierover speelde een taalbarrière waardoor niet tot nauwelijks gecommuniceerd kon worden. De school begrijpt dat [de leerling] voor zijn zus opkomt, maar accepteert geen fysieke dreiging in de school. In december 2019 was de afspraak met [de leerling] en G gemaakt dat ze J met rust zouden laten. De jongens hebben zich hier niet aan gehouden. Op 7 januari 2020 is door verschillende collega's waargenomen dat J werd lastiggevallen door [de leerling] en G. G heeft J toen geschopt in de gang en [de leerling] was toeschouwer.
J is een leerling die alles, vanwege zijn ondersteuningsbehoefte, heel letterlijk neemt. Mede daarom heeft de school na het e-mailbericht van J de feiten zorgvuldig onderzocht. Er is een onderzoekscommissie ingesteld die [de leerling], G, J en twee andere leerlingen onafhankelijk van elkaar heeft gehoord. Uit dit horen kwam een consistent verhaal naar voren, gebaseerd op dezelfde feiten, met als verschil dat J en een klasgenoot het voorval beschouwden als bedreiging en [de leerling] en G het zagen als grapje. Dat laatste is onaannemelijk omdat de jongens de dag daarvoor nog een aanvaring hadden met J. Bovendien heeft de klasgenoot verklaard dat J is bedreigd met geweld als hij het geld niet zou geven.
De school wilde bedenktijd welke maatregel passend zou zijn en besloot om [de leerling] en G naar huis te sturen. De dag erna heeft de directeur gesproken met de teamleider en de mentor en de ouders van [de leerling] en G gebeld. Omdat verzoeker de Nederlandse taal niet machtig is, kon het gesprek echter niet gevoerd worden. Er is sprake geweest van een serieuze bedreiging omdat er twee leerlingen, J en de ondervraagde klasgenoot, niet naar school durfden te komen vanwege [de leerling] en G. Met een mildere maatregel blijven de leerlingen met elkaar geconfronteerd en kan het veiligheidsgevoel op de school niet hersteld worden. De rust is sinds de schorsing teruggekeerd op de school. [de leerling] krijgt nog wel huiswerkbegeleiding van de school. Hij kan een dag per week terugkomen naar school om vragen te stellen. De grondslag voor verwijdering is nog steeds aanwezig, maar de school wil [de leerling] niet zomaar loslaten. Naar aanleiding van constateringen van de mentor was de school nog voorafgaande aan het incident van plan om een ontwikkelingsperspectief voor [de leerling] op te stellen. Wanneer het voorval een maand later was geweest, dan had de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor [de leerling]. Ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is uitgesloten dat [de leerling] toch terugkomt naar de school en de voorgenomen verwijdering niet geëffectueerd hoeft te worden. Verweerder wil samen met het samenwerkingsverband het juiste perspectief voor hem bepalen. Het kan zijn dat terugkeer naar de school toch het meest passend is.
5. Inbreng samenwerkingsverband
Het samenwerkingsverband was nog niet bij [de leerling] betrokken. Voor geen enkel kind is het wenselijk om thuis te zitten. Het samenwerkingsverband kan helpen om school en ouders met elkaar in verbinding te brengen. In de week van de zitting is er een gesprek geweest met verzoeker en de teamleider van de school. Volgens het samenwerkingsverband zouden er afspraken gemaakt moeten worden hoe de ondersteuningsbehoefte van [de leerling] kan worden aangepakt. Een orthopedagoog wordt nog benaderd voor het opstellen van een integratief beeld. Volgens het samenwerkingsverband doen leerlingen weleens stomme dingen en zijn de gevolgen soms groter dan bedoeld. Het samenwerkingsverband stelt zich op het standpunt verder te kijken wat [de leerling] nodig heeft en bevorderen dat het gesprek tussen verzoeker en de school wordt voortgezet.
6. Overwegingen van de commissie
Bevoegdheid en ontvankelijkheid bij verwijdering
Aan de Commissie kunnen geschillen worden voorgelegd die verband houden met de verwijdering van een leerling 1.. Voor wat de beoordeling van de bevoegdheid van de Commissie betreft, stelt zij een voornemen tot verwijderen hieraan gelijk. Het geschil heeft hierop betrekking. Nu het verzoek tijdig is ingediend, is de Commissie bevoegd en is het verzoek ontvankelijk.
De beoordeling van het verwijderingsbesluit
De verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg 2. gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Formeel is nog geen sprake van definitieve verwijdering zodat slechts tot dit moment kan worden beoordeeld of verweerder overeenkomstig de regels van passend onderwijs heeft gehandeld.
De inhoudelijke beoordeling van het verwijderingsbesluit
Partijen zijn verdeeld over de vraag of werkelijk sprake is geweest van bedreiging, afpersing en chantage. Volgens verzoeker was sprake van een grapje tussen jongens onderling en kon de school weten dat J een andere beleving heeft van de werkelijkheid.
Verzoeker stelt verder dat er ondeugdelijk onderzoek is gedaan naar het incident. Verweerder bestrijdt dit. Hij vindt het incident dermate ernstig dat na onderzoek terecht is besloten tot het voornemen om [de leerling] van school te verwijderen.
De vraag waar de Commissie zich voor gesteld ziet, is of verweerder in redelijkheid tot dit voorge- nomen besluit heeft kunnen komen. Voorop staat dat het nemen van een verwijderingsbeslissing een discretionaire bevoegdheid is van het bevoegd gezag van de school. Als gevolg hiervan heeft verweerder een zekere beslissingsruimte bij de waardering van de ernst van het incident en de daarbij op te leggen sanctie.
Wat de ernst van het incident betreft, is de Commissie van oordeel dat verweerder daarnaar voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Niet alleen [de leerling], G en J, maar ook twee andere leerlingen zijn separaat van elkaar gehoord over het voorval. Het horen is gebeurd door drie medewerkers van de school. Hieruit is verweerder een consistent beeld gebleken over de feitelijke aard van de gebeurtenissen. Gezien de eerdere incidenten en aanvullende informatie van de moeder van één van de leerlingen die gehoord is, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk sprake was van bedreiging.
De Commissie is gebleken dat verweerder in de besluitvorming gefaseerd te werk is gegaan. Verweerder heeft alvorens zijn besluit te nemen medewerkers van de school geraadpleegd en gepoogd met verzoeker te spreken over het voorval. Het strekt daarbij wel ter aanbeveling dat de verweerder zich in gesprekken met anderstalige ouders, die de Nederlandse taal niet voldoende beheersen, laat vergezellen door een tolk.
Het besluit heeft verweerder genomen omdat bedreiging ontoelaatbaar is, de bedreigde leerling beschermd dient te worden en het gedrag van [de leerling] en G meer in algemene zin voor onrust zorgde op de school. Die beslissingsruimte komt verweerder toe gezien zijn discretionaire bevoegdheid. De Commissie acht in dit licht het verzoek ongegrond. Dit betekent dat verweerder in redelijkheid tot zijn voorgenomen besluit heeft kunnen komen.
Dit laat evenwel onverlet dat verweerder ook beslissingsruimte toekomt of hij zijn voornemen uitvoert zodra hij een andere school voor [de leerling] heeft gevonden. Het verstrijken van enige weken sedert het incident en het overleg met het samenwerkingsverband, hebben ertoe geleid dat verweerder ter zitting heeft verklaard de stap van definitieve verwijdering mogelijk niet te zetten.
Het verdient in het licht van passend onderwijs dringend aanbeveling, dat verweerder motiveert op grond waarvan hij thans zijn voornemen wellicht niet doorzet. Verweerder heeft gesteld dat hij voornemens was een ontwikkelingsperspectief op te stellen voor [de leerling]. Daarover zal hij met verzoeker op overeenstemming gericht overleg moeten te voeren. Over het handelingsdeel is zelfs overeenstemming vereist. De Commissie beveelt onder de gegeven omstandigheden aan dat verweerder het voorgenomen verwijderingsbesluit intrekt en [de leerling] weer opneemt als leerling van de school. De Commissie beveelt voorts aan dat een onderwijsconsulent als inhoudelijk deskundige alsnog een rapport uitbrengt over de onderwijssituatie van [de leerling] omdat een dergelijk rapport tot steun kan zijn bij het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte van [de leerling].
7. Oordeel
Op grond van bovenstaande overwegingen oordeelt de Commissie het verzoek ongegrond.
8. Aanbevelingen
De Commissie adviseert verweerder duidelijk te maken op welke gronden hij niet tot effectuering van zijn voorgenomen verwijderingsbesluit overgaat en om alsdan die beslissing in te trekken. Geadviseerd wordt dat verweerder het samenwerkingsverband nauw betrekt bij de vervolgstappen om waar en op welke manier nodig (onderwijs)begeleiding voor de leerling te verzorgen.
Aldus gedaan te Utrecht op 20 maart 2020 door mr. D. Ghidei, voorzitter, drs. L.F.P. Niessen, drs. E. Hoeksma en , leden, in aanwezigheid van mr. drs. K. te Mebel, secretaris.
mr. D. Ghidei mr. drs. K. te Mebel voorzitter secretaris
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑03‑2020
Volgens artikel artikel 27c lid 1 derde volzin van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO).