Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/5.5.4.4
5.5.4.4 Verdedigbaarheid gelede normstelling
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS361012:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 600, nr. 3.
Par. 3.4.4.3.
Kamerstukken II 1980/81, 16 800, nr. 3, p. 50.
Stcrt. 2004, 237.
Stb. 2004, 237.
Art. 3 luidt als volgt: 1. Het is verboden kleiduiven te gebruiken of voorhanden te hebben die bij regeling van Onze Minister aangewezen milieugevaarlijke stoffen bevatten in concentraties die de daarbij aangegeven waarden te boven gaan. 2. Bij de in het eerste lid bedoelde regeling worden tevens voorschriften gegeven voor het meten van de concentraties milieugevaarlijke stoffen.
Zoals uiteengezet in paragraaf 3.4.4.3 doorbreekt gelede normstelling het wetssystematische uitgangspunt dat alle regels in het omgevingsrecht die voldoen aan het samenhangcriterium in beginsel ook in hetzelfde wetssysteem moeten worden geregeld. In het geval van Titel 9.2 Wm bestaat die doorbreking erin dat de regels inzake de bescherming van mens en milieu tegen stoffen niet allemaal zijn opgenomen in Titel 9.2 Wm doch verspreid staan over Titel 9.2 Wm, 30 algemene maatregelen van bestuur en zes ministeriële regelingen. Daarbij zij opgemerkt dat de Wms een nagenoeg gelijke regeling van gelede normstelling kende.
De memorie van toelichting op de Uitvoeringswet EG-verordening REACH1 motiveert niet waarom voor gelede normstelling is gekozen, noch waarom is gekozen voor een driedeling, noch welke criteria gelden voor het opnemen van regels in een algemene maatregel van bestuur dan wel een ministeriële regeling. In de artikelsgewijze toelichting op de desbetreffende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen lees ik die motivering evenmin.
De memorie van toelichting op de Wms biedt echter wel tot op zekere hoogte een antwoord op de vraag of en zo ja welke van de door Veerman genoemde overwegingen2 voor de wetgever aan de orde zijn geweest. De regering merkt daarin op: Welke maatregelen in een concreet geval nodig zijn, kan nu nog niet met zekerheid vastgesteld worden. De omstandigheden waaronder de gevaren van een stof of preparaat zich kunnen manifesteren vragen om gerichte maatregelen die zo nodig snel aan veranderende omstandigheden of inzichten aangepast kunnen worden. Kenmerkend voor de problematiek van de milieugevaarlijke stoffen is, dat de gevaren voor mens en milieu zich op velerlei, vaak onverwachte wijze manifesteren.'3
Op zichzelf laat de gelede normstelling zich op basis van de door de regering genoemde argumentatie wel verdedigen. Daarbij komt nog dat het opnemen van alle in algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen opgenomen uitvoeringsregels in Titel 9.2 Wm de overzichtelijkheid van dat subwetssysteem niet ten goede zou komen.
Dat neemt echter niet weg dat de wetgever niet heeft gemotiveerd waarom is gekozen voor een driedeling in Wet milieubeheer, algemene maatregel van bestuur en ministeriële regeling. Zo lijkt het mij bijvoorbeeld verdedigbaar om de regels die thans in de Regeling kleiduivenschieten Wms (zes korte artikelen)4 zijn opgenomen te integreren in het Besluit kleiduivenschieten Wms (zes korte artikelen),5 zodat de gebruiker slechts de wetssystemen van Titel 9.2 Wm en het Besluit kleiduivenschieten Wms behoeft te raadplegen. De korte Regeling betreft een uitvoering van artikel 3 van het Besluit.6