Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/8.4.2.2:8.4.2.2 Overzicht knelpunten en aanbevelingen
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/8.4.2.2
8.4.2.2 Overzicht knelpunten en aanbevelingen
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500357:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan de hand van voorgaande bevindingen kunnen de volgende knelpunten worden geïdentificeerd.
De geldigheid van art. 29 Wet OB 1968 laat op de volgende punten te wensen over:
Toepassing van de regeling voor oninbare vorderingen is onterecht beperkt tot gevallen waarin een vergoeding in rekening is gebracht.
Het fatale karakter van de éénjaarstermijn (art. 29 lid 2 en 7 Wet OB 1968) wringt met het Unierecht.
De herziening van de aftrek vereist een materiële benadering en moet worden gekoppeld aan het recht op aftrek van btw (in plaats van de feitelijke aftrek).
De handelwijze van de Belastingdienst bij de afwikkeling van faillissement is kwestieus.
Aan de Unierechtelijke basis van de faciliteiten bij een ‘betaling alsnog’ (art. 29 lid 5 en 8 Wet OB 1968) kunnen serieuze vraagtekens worden gezet.
Ook de indeplaatstredingsregeling ontbeert een duidelijke Unierechtelijke grondslag.
De eerste drie punten leveren eveneens een spanning op met het rechtskarakter van de btw. Deze spanning doet zich ook voor daar waar het (i) de opstelling van de Belastingdienst betreft bij het treffen van een schuldeisersakkoord en (ii) de nadelige btw-positie betreft waarin crediteuren (noodgedwongen) zou kunnen komen te verkeren bij een dwangakkoord met hun schuldenaar. Bij het aandragen van mogelijke oplossingen om de hiervoor geconstateerde knelpunten op te heffen, laat ik deze twee punten buiten beschouwing. Reden hiervoor is dat het rechtskarakter onder (i) nog meer in het gedrang komt wanneer de Belastingdienst geen medewerking verleent aan een akkoord (doorgaans rest de schuldenaar dan niets anders dan het aanvragen van zijn faillissement) en het onder (ii) gesignaleerde knelpunt zich volgens mij (reeds) door enkele faciliteiten onder het civiele recht laat of zou moeten laten ondervangen.
Naar mijn idee is vooral de wetgever aan zet om bovenbedoelde knelpunten op te heffen. Ik denk concreet aan de volgende stappen:
De voorwaarde dat de vergoeding in rekening moet zijn gebracht schrappen.
De éénjaarstermijn vormgeven als niet-fatale termijn.
De herziening van de aftrek koppelen aan het recht op aftrek.
Het indienen van een derogatieverzoek op de voet van art. 395 lid 2 Btw-richtlijn met betrekking tot de herziening van de herziening bij een ‘betaling alsnog’ en de indeplaatstredingsregeling, al dan niet gelijktijdig met een lobby om de Uniewetgever ertoe aan te zetten om de Btw-richtlijn aan te passen (zie paragraaf 8.4.2.2); wat betreft de indeplaatstredingsregeling kan tevens worden gedacht aan de uitbreiding van de reikwijdte van art. 29 Btw-richtlijn.
Het verdient aanbeveling om de handelwijze van de Belastingdienst bij faillissement op ministerieel niveau, al dan niet in overleg met de insolventiepraktijk (zoals de Vereniging voor Insolventierecht Advocaten (INSOLAD)), nader onder de loep te nemen. Uitgangspunt daarbij zou moeten zijn dat de handelwijze van de Belastingdienst past binnen de Unierechtelijke en wettelijke contouren. Een belangrijk aandachtspunt is dat de naheffingsaanslag van de Belastingdienst een correcte weergave zal moeten zijn van de omvang van de schuld ex art. 29 lid 7 Wet OB 1968. Nagaan zal moeten worden welke (actieve) rol de curator hierbij zouden moeten vervullen.
Daarnaast verdient het aanbeveling om de volgende modificaties door te voeren in art. 29 Wet OB 1968 (waaraan naar mijn mening niet per definitie een frictie met het Unierecht of rechtskarakter van de btw ten grondslag ligt):
Het (her)codificeren van het redelijkheidscriterium.
De start van de éénjaarstermijn koppelen aan een fiscaal definieer moment, zoals de verschuldigdheid en het recht op aftrek.
De indeplaatstredingsregeling openstellen voor niet-ondernemers en onduidelijkheid omtrent het begrip ‘overdragen’ wegnemen.
Art. 29 lid 7 Wet OB 1968 niet langer beperken tot betalingen door de ondernemer (schrappen van het woord ‘hij’).