Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/6.3
6.3 Conclusie
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304316:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Hiermee is bedoeld het arrest HvJ EG 14 juli 2005, zaak C-434/03 (Charles/Charles-Tijmens), BNB 2005/284 (noot B.G. van Zadelhoff).
Zie onderdeel 5.5.9.3.
Rb. Breda, 1 juli 2009, nr. AWB 08/2895 (Vakstudie Nieuws Vandaag 20 juli 2009), zie ook onderdeel 5.5.9.4.
Bijvoorbeeld in de situatie dat een grote multinationale autoproducent van een lokale overheid een subsidie ontvangt ter bevordering van innovatief onderzoek naar de productie van energiezuinige auto’s.
Zie aldus ook HR 14 augustus 2009, nr. 42 415 bis, BNB 2009/293 (eindbeslissing in zaak VNLTO).
De conclusie van mijn onderzoek is dat de gevolgen van de wijziging van art. 15, lid 1, wet per 1 januari 2007 slechts zeer beperkt zijn en dat de wijziging ook achterwege had kunnen blijven. Met de wijziging van art. 15 werd beoogd om het aftrekrecht zowel te beperken als te verruimen. Dit komt het duidelijkst tot uitdrukking in de MvT op het Belastingplan 2007, waar het volgende wordt opgemerkt (dit citaat heb ik ook al opgenomen in onderdeel 2.7.3):
De kern van de aanpassing van artikel 15 betreft de wijziging van het eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede. Het gaat daarbij om de in het algemeen deel van deze memorie aangekondigde aanpassing van het recht op aftrek. In dit verband zij het volgende opgemerkt. Uitgangspunt van het huidige artikel 15 is dat de voorbelasting door de ondernemer in aftrek kan worden gebracht op de BTW die hij zelf verschuldigd wordt, voorzover de desbetreffende goederen en diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming. Daarmee wijkt de Nederlandse regeling wat betreft de redactie af van de Zesde Richtlijn. In artikel 17, lid 2, van de Zesde Richtlijn is namelijk niet zo zeer een koppeling gelegd tussen het recht op aftrek van de voorbelasting en het bezigen van de desbetreffende goederen en diensten in het kader van de onderneming maar tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de desbetreffende goederen en diensten voor belaste prestaties. Zoals in het algemeen deel van deze memorie is aangegeven is het noodzakelijk bij deze gelegenheid de bewoordingen van de wet in dit verband nader af te stemmen op die van de Zesde Richtlijn. Door de wijziging van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede, wordt zo aan de ene kant een – overigens geringe – beperking van het recht op aftrek bereikt, doordat een einde wordt gemaakt aan de in Nederland voorkomende situatie dat ondernemers aftrek van voorbelasting kunnen genieten ter zake van handelingen die zij in het kader van hun onderneming verrichten, maar die vallen buiten het toepassingsbereik van de BTW-heffing. Verwezen zij in dit verband ook naar de slotalinea van paragraaf 6.2. van het algemeen deel van deze memorie. Aan de andere kant wordt door de wijziging van genoemde slotzinsnede, ook een uitbreiding van het recht op aftrek gerealiseerd waardoor in de nieuwe opzet de voorbelasting aftrekbaar wordt ter zake van alle goederen en diensten die worden gebruikt voor de handelingen die in artikel 3, derde lid, onderdelen a en c, van de Wet OB worden gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel en voor de handelingen die in artikel 4, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet OB worden gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel. Met deze uitbreiding van het recht op aftrek van voorbelasting wordt recht gedaan aan de uitspraak in het arrest CT.1
Beperking aftrekrecht
De beperking van het aftrekrecht zou nodig zijn om een einde te maken aan de in Nederland voorkomende situatie dat ondernemers aftrek kunnen genieten voor handelingen die zij in het kader van hun onderneming verrichten, maar die vallen buiten het toepassingsbereik van de btw.
Ik meen met mijn onderzoek aangetoond te hebben dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU in steeds meer gevallen aftrek toestaat van voorbelasting die betrekking heeft op handelingen die buiten het toepassingsbereik van de btw vallen. Deze verruiming heeft overigens niet alleen betrekking op handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen, maar kan ook betrekking hebben op vrijgestelde handelingen (cf. SKF-arrest). Daarbij wijs ik erop dat wat een verruiming is bij handelingen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen of zijn vrijgesteld, een beperking is bij handelingen die belast zijn of zijn vrijgesteld met recht op aftrek (cf. casus van het Midland-arrest).
Deze uitbreiding door het Hof van Justitie EU van het aftrekrecht, beschreven in wat ik de Midland-doctrine heb genoemd, leidt in heel veel gevallen tot uitkomsten die vergelijkbaar zijn met de uitkomsten van de jurisprudentie van de Hoge Raad onder art. 15 (oud). Een goed voorbeeld daarvan vind ik de casus van het IJ-veren II-arrest. Ik verwacht dat in deze casus onder art. 15 (nieuw), met toepassing van de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU, thans de uitkomst niet anders zal zijn dan in het verleden. In een beperkt aantal gevallen zal art. 15 (nieuw) wellicht tot een andere uitkomst kunnen leiden. Een voorbeeld daarvan is de casus van het coffeeshop-arrest.2 Een uitspraak van de Rechtbank Breda3 geeft aan dat onder art. 15 (nieuw) hierover anders gedacht kan worden dan de Hoge Raad deed onder art. 15 (oud). Of de Hoge Raad het eens is met de Rechtbank Breda zal afgewacht moeten worden.
Of de door de wetgever met de wijziging van art. 15, lid 1, wet per 1 januari 2009 beoogde beperking van het aftrekrecht wordt gerealiseerd is dus nog maar zeer de vraag.
De wens om het aftrekrecht te beperken wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat het vaak voorkomt dat activiteiten gefinancierd worden door niet-belastbare opbrengsten zoals subsidies, contributies, donaties, enz. Het gaat te ver om in alle gevallen dat hiervan sprake is aan een aftrekbeperking te denken4, maar het is redelijk om in de gevallen waarin de onbelastbare opbrengsten een substantieel deel van de totale ontvangsten vormen op een of andere manier een aftrekbeperking te realiseren. Om dit mogelijk te maken bepleit ik een wijziging van de btw-richtlijn, die het mogelijk moet maken dat de lidstaten niet-belastbare opbrengsten, wanneer zij een substantieel deel van de totale opbrengsten van een ondernemer vormen (bijvoorbeeld meer dan 10%), aanmerken als omzet met betrekking tot handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat. Aan art. 173, lid 2, zou dan een onderdeel f) toegevoegd moeten worden dat als volgt luidt: ‘bepalen dat de in lid 1 bedoelde evenredige aftrek ook van toepassing is als een belastingplichtige goederen en diensten uitsluitend gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat en meer dan 10% van het totale bedrag van de per jaar berekende omzet per jaar bestaat uit ontvangsten die niet behoren tot de in artikel 73 bedoelde maatstaf van heffing’. Daarnaast zou de laatste zin van art. 174, lid 1, als volgt aangepast moeten worden: ‘De lidstaten kunnen in de noemer het bedrag opnemen van de ontvangsten die niet behoren tot de in artikel 73 bedoelde maatstaf van heffing.’
Verruiming aftrekrecht
De uitbreiding van het aftrekrecht werd nodig geacht om daarmee de aftrek mogelijk te maken van de voorbelasting ter zake van alle goederen en diensten die worden gebruikt voor de fictieve leveringen en diensten van art. 3, lid 3, onderdelen a en c, en art. 4, lid 2, onderdelen a en b, wet. Het Charles/CharlesTijmens-arrest dwong de Nederlandse wetgever om deze fictieve heffingen in de wet op te nemen. Blijkbaar veronderstelde de wetgever dat zonder een uitbreiding van het aftrekrecht de aan de fictieve heffingen toerekenbare voorbelasting niet aftrekbaar zou zijn. De redenering zou dan zijn: de leer van het keuzevermogen (‘etikettering’) dwingt tot het verlenen van volledig aftrekrecht voor investeringsgoederen die gedeeltelijk niet in het kader van de onderneming worden gebruikt. Het aftrekrecht kan en moet echter verleend worden omdat er later, bij onttrekking of gebruik ‘voor andere dan bedrijfsdoeleinden’, een belaste fictieve heffing volgt. Anders dan art. 17 Zesde richtlijn dat het aftrekrecht koppelt aan gebruik voor belaste prestaties koppelt art. 15 (oud) het aftrekrecht aan gebruik in het kader van de onderneming. Art. 15 (oud) is daarom niet te verenigen met toepassing van de leer van het keuzevermogen en moet gewijzigd worden.
Deze redenering was begrijpelijk in het licht van het Charles/Charles-Tijmensarrest, waarvan het dictum de indruk wekt dat de Nederlandse btw-regelgeving in strijd is met de Zesde richtlijn. Daarvoor roep ik in herinnering de prejudiciele vragen van de Hoge Raad die hebben geleid tot het Charles/Charles-Tijmensarrest:
Is met de Zesde richtlijn – in het bijzonder artikel 17, leden 1, 2 en 6, alsmede artikel 6, lid 2 – verenigbaar een wettelijk stelsel [...], dat reeds voor de invoering van de Zesde richtlijn bestond en de volgende kenmerken heeft:
– uitgesloten is de mogelijkheid ervoor te kiezen een investeringsgoed of een daarmee gelijkgesteld goed of een gelijkgestelde dienst geheel tot het ondernemingsvermogen te laten behoren ingeval de verkrijger dat goed of die dienst zowel binnen zijn onderneming als daarbuiten (met name voor privé-doeleinden) gebruikt;
– tevens, daarmee verbonden, is uitgesloten de mogelijkheid om de ter zake van de aanschaf van dat goed of die dienst in rekening gebrachte belasting onmiddellijk en volledig in aftrek te brengen;
– niet is voorzien in een heffing van BTW als bedoeld in artikel 6, lid 2, letter a, van de Zesde richtlijn?
Het Hof van Justitie EU antwoordt als volgt op deze vragen:
De artikelen 6, lid 2, en 17, leden 2 en 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, die vóór de inwerkingtreding van die richtlijn is vastgesteld, en die een belastingplichtige niet toestaat een investeringsgoed dat gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere doeleinden wordt gebruikt, volledig voor zijn onderneming te bestemmen en in voorkomend geval de ter zake van de aanschaf van dat goed verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde volledig en onmiddellijk af te trekken.
Met de wetenschap van nu, meen ik te mogen concluderen dat de Nederlandse wetgever ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat de Nederlandse btw-regelgeving in strijd was met de Zesde richtlijn. De leer van het keuzevermogen is ontwikkeld door het Hof van Justitie EU, waarbij het hof zich uiteraard baseert op Europese btw-regelgeving. Deze leer is echter niet als zodanig terug te vinden in de Europese regelgeving. Bij de leer van het keuzevermogen gaat het om ‘rechtersrecht’. Ik zie geen reden waarom de Nederlandse belastingrechter onder de oude tekst van art. 15, lid 1, dit ‘rechtersrecht’ niet zou hebben kunnen toepassen bij de aanschaf door een ondernemer van een investeringsgoed dat hij ging gebruiken voor economische activiteiten en daarnaast voor privédoeleinden van hemzelf, zijn personeel of derden.
Dit is op de eerste plaats omdat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU valt af te leiden dat het toepassingsbereik van de leer van het keuzevermogen en van de fictieve heffingen veel beperkter is dan aanvankelijk werd verondersteld. Wanneer bij de aanschaf vaststaat dat goederen, dus ook investeringsgoederen,5 en diensten gebruikt zullen worden voor zowel economische als niet-economische activiteiten, komt de voorbelasting toerekenbaar aan het gebruik voor niet-economische activiteiten (= gebruik buiten het kader van de onderneming) sowieso niet voor aftrek in aanmerking. Van aftrek op basis van toepassing van de leer van het keuzevermogen of omdat eventueel later een belaste fictieve heffing kan volgen, kan dan geen sprake zijn. Aftrek met toepassing van de leer van het keuzevermogen of omdat eventueel later een belaste fictieve heffing kan volgen, kan alleen aan de orde zal zijn als (investerings-)goederen of diensten worden aangeschaft met het oog op gebruik voor economische activiteiten en daarnaast (eventueel) gebruik voor privédoeleinden van de ondernemer, zijn personeel of derden. Ik concludeer hieruit dat de woorden ‘een en ander voor zover de goederen en diensten worden gebezigd in het kader van de onderneming’ in art. 15, lid 1, (oud), wet, niet in de weg hoefden te staan aan toepassing van de leer van het keuzevermogen (afgezien van het feit dat deze leer op grond van de directe werking van de Zesde richtlijn kon worden toegepast). Evenals bij het Bua lijkt het toepassingsbereik van de leer van het keuzevermogen en van de fictieve heffingen beperkt tot goederen en diensten die weliswaar in het kader van de onderneming worden afgenomen maar geheel of gedeeltelijk gebruikt worden voor doeleinden met een zodanig consumptief karakter (de privédoeleinden van de ondernemer, zijn personeel of derden) dat aftrekbeperking respectievelijk fictieve heffing op zijn plaats is.
Op de tweede plaats en in het verlengde van het vorige argument kan inmiddels vastgesteld worden dat het niet zo is dat voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt omdat er later een fictieve heffing volgt. Fictieve heffingen zijn materieel een correctie op een eerder, zelfstandig ontstaan recht op aftrek. Zij zijn niet bedoeld om de aftrek te corrigeren van btw die drukt op goederen en diensten waarvan bij de aanschaf vaststaat dat zij bestemd zijn voor geheel of gedeeltelijk gebruik voor niet-economische activiteiten (= buiten het kader van de onderneming). Voor de goederen en diensten die bestemd zijn voor gebruik voor niet-economische activiteiten kan de voorbelasting niet in aftrek worden gebracht. De introductie van nieuwe fictieve heffingen in de Nederlandse btw-regelgeving noopte dus niet tot de wijziging van art. 15 wet. De veronderstelling dat zonder aanpassing van art. 15 de voorbelasting die drukte op goederen en diensten waarvan onttrekking of gebruik aanleiding zou geven tot een fictieve heffing niet aftrekbaar zou zijn, was onjuist.