HR, 03-04-2020, nr. 19/00249
ECLI:NL:HR:2020:562
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-04-2020
- Zaaknummer
19/00249
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:562, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑04‑2020; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2018:5166
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:947
ECLI:NL:PHR:2019:947, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑09‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:562
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2019
- Vindplaatsen
NTFR 2020/991
FutD 2020-1007
Viditax (FutD) 2020040312
Viditax (FutD), 11-10-2019
FutD 2019-2637
V-N Vandaag 2019/2223
V-N 2019/51.22 met annotatie van Redactie
NLF 2019/2526 met annotatie van Micha Soltysik
NTFR 2019/3039 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Uitspraak 03‑04‑2020
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00249
Datum 3 april 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 december 2018, nr. 18/00105, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 16/3567) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 september 2019 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.1.
2. Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑04‑2020
Conclusie 25‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Mag een belastingplichtige voor de bpm de CO2-uitstoot van een geïmporteerde auto ook aan de hand van de zogenoemde Scandinavische rekenmethode bepalen als dat gunstiger is, gezien het discriminatieverbod van artikel 110 VwEU? A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 december 2018 met nummer 18/00105 (ECLI:NL:GHSHE:2018:5166). De Inspecteur heeft van belanghebbende belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) nageheven in verband met de invoer vanuit een andere EU-lidstaat van een Maserati Gran Cabrio 4.7 die voor het eerst in een andere EU-lidstaat is toegelaten op 6 augustus 2010. Voor de auto is een typegoedkeuring verleend op basis waarvan de CO2-uitstoot 358 gram per kilometer is. Het geschil gaat over de vraag of belastingplichtigen de voor de heffing van bpm in aanmerking te nemen CO2-uitstoot van de auto desgewenst ook aan de hand van de zogenoemde Scandinavische rekenmethode mogen bepalen als dat gunstiger is dan de uitstootwaarde conform de typegoedkeuring. Belanghebbende stelt van wel, omdat anders strijd zou ontstaan met het non-discriminatiegebod ingevolge artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU). In artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 is evenwel, naar de A-G opmerkt, een vaste hiërarchie van bewijsmiddelen voorgeschreven betreffende de CO2-uitstoot van een auto: de Europese typegoedkeuring of een certificaat van overeenstemming, als die er niet is de individuele goedkeuring door de RDW, als die er niet is een individuele keuring door bijvoorbeeld TNO of anders een buitenlandse goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot blijkt. Aan die bewijsmiddelen kunnen uiteenlopende methoden ter vaststelling van die CO2-uitstoot ten grondslag liggen. Die methoden kunnen een daadwerkelijke keuring behelzen, maar in het geval van de Scandinavische rekenmethode betreft het een betrekkelijk eenvoudige rekensom. Als geen van de genoemde bewijsmiddelen voorhanden is, dan wordt een in artikel 9 van de Wet bpm 1992 vermelde terugvalwaarde als CO2-uitstoot in aanmerking genomen. De CO2-uitstoot van een auto is in principe een objectief gegeven, maar de gevonden waarde in grammen per kilometer zal verschillen naar gelang de methode van bepaling van die uitstoot en de uitgangspunten die daarbij worden gehanteerd. Aldus kunnen de verschillende methoden ter vaststelling van de CO2-uitstoot bij technisch identieke auto’s tot verschillende uitkomsten leiden. Dat werkt in de systematiek van de Wet bpm 1992 door in de verschuldigde bpm, zodat het van de CO2-uitstoot afhankelijke deel voor twee technisch identieke auto’s, minst genomen in theorie, uiteen kan lopen zonder daadwerkelijk bestaande verschillen in CO2-uitstoot. Als dat zich voordoet is het optredende verschil in verschuldigde bpm niet het gevolg van daadwerkelijk bestaande verschillen in CO2-uitstoot. Artikel 110 van het VwEU behelst een verbod op discriminatie van producten afkomstig uit andere EU-lidstaten. Dat artikel komt in casu in beeld omdat het, gezien de diverse meetmethoden, niet uitgesloten is dat de voor een ingevoerd gebruikt voertuig voor de heffing van bpm in aanmerking te nemen CO2-uitstoot meer beloopt dan de CO2-uitstoot die in aanmerking is genomen voor technisch (vrijwel) identieke voertuigen die zich al op de Nederlandse markt bevinden. Belanghebbende stelt om die reden, ter voorkoming van (eventuele) discriminatie, de Scandinavische rekenmethode te mogen toepassen, die zou leiden tot een CO2-uitstoot van 325 gram per kilometer, in plaats van de 358 gram per kilometer conform de typegoedkeuring. De A-G meent dat wat er ook zij van belanghebbendes betoog strekkende tot berekening van de CO2-uitstoot van de auto volgens de Scandinavische rekenmethode, dat vanwege het ontbreken van de nodige feitelijke grondslag nergens toe kan leiden. Het is namelijk een voorwaarde voor toepassing van die rekenmethode dat de auto voldoet aan bepaalde California Regulations. Dat is in casu gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld dat ooit Maserati Gran Coupé 4.7’s zijn geleverd, al dan niet in Californië, die aan deze Regulations voldoen en waarvoor bij import in Nederland daarom de CO2-uitstoot volgens de Scandinavische rekenmethode zou kunnen worden berekend. Daardoor ontbreekt het deze klacht aan feitelijke grondslag. Een schending van het gebod van artikel 110 van het VwEU kan volgens de A-G ook niet volgen uit de concrete vergelijking met een later geregistreerde Maserati Gran Coupé 4.7. Dat voertuig was namelijk niet op de nationale markt beschikbaar toen belanghebbende haar auto kocht. Daarom valt niet in te zien hoe de heffing van bpm belanghebbende had kunnen afhouden van de koop van ‘haar’ Maserati in een andere EU-lidstaat ten gunste van een - immers niet aanwezige - auto op de nationale markt. Daarop stuit deze klacht af. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
Partij(en)
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
mr. R.L.H. IJzerman
Advocaat-Generaal
Conclusie van 25 september 2019 inzake:
Nr. Hoge Raad: 19/00249 | [X] B.V. |
Nr. Gerechtshof: 18/00105 Nr. Rechtbank: BRE 16/3567 | |
Derde Kamer A | tegen |
Belasting van personenauto's en motorrijwielen 2014 | Staatssecretaris van Financiën |
1. Inleiding
1.1
Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 19/00249 naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, tegen de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 6 december 2018 met nummer 18/00105.1.
1.2
De Inspecteur heeft van belanghebbende belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) nageheven in verband met de invoer vanuit een andere EU-lidstaat van een Maserati Gran Cabrio 4.7 die voor het eerst in een andere EU-lidstaat is toegelaten op 6 augustus 2010. Voor de auto is een typegoedkeuring verleend op basis waarvan de CO2-uitstoot 358 gram per kilometer is.
1.3
De mate van CO2-uitstoot is sinds 2008 van invloed op het bedrag van de verschuldigde, bpm (hoe meer CO2-uitstoot, des te meer bpm). Het voorliggende geschil gaat over de vraag of belastingplichtigen de voor de heffing van bpm in aanmerking te nemen CO2-uitstoot van de auto desgewenst ook aan de hand van de zogenoemde Scandinavische rekenmethode mogen bepalen als dat gunstiger is dan de uitstootwaarde conform de typegoedkeuring. Belanghebbende stelt van wel, omdat anders strijd zou ontstaan met het non-discriminatiegebod ingevolge artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VwEU).
1.4
In artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm 1992 is evenwel een vaste hiërarchie van bewijsmiddelen voorgeschreven betreffende de CO2-uitstoot van een auto: de Europese typegoedkeuring of een certificaat van overeenstemming, als die er niet is de individuele goedkeuring door de RDW, als die er niet is een individuele keuring door bijvoorbeeld TNO of anders een buitenlandse goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot blijkt. Aan die bewijsmiddelen kunnen uiteenlopende methoden ter vaststelling van die CO2-uitstoot ten grondslag liggen. Die methoden kunnen een daadwerkelijke keuring behelzen, maar in het geval van de Scandinavische rekenmethode betreft het een betrekkelijk eenvoudige rekensom. Als geen van de genoemde bewijsmiddelen voorhanden is, dan wordt een in artikel 9 van de Wet bpm 1992 vermelde terugvalwaarde als CO2-uitstoot in aanmerking genomen.
1.5
De CO2-uitstoot van een auto is in principe een objectief gegeven, maar de gevonden waarde in grammen per kilometer zal verschillen naar gelang de methode van bepaling van die uitstoot en de uitgangspunten die daarbij worden gehanteerd. Aldus kunnen de verschillende methoden ter vaststelling van de CO2-uitstoot bij technisch identieke auto’s tot verschillende uitkomsten leiden. Dat werkt in de systematiek van de Wet bpm 1992 door in de verschuldigde bpm, zodat het van de CO2-uitstoot afhankelijke deel voor twee technisch identieke auto’s, minst genomen in theorie, uiteen kan lopen zonder daadwerkelijk bestaande verschillen in CO2-uitstoot. Als dat zich voordoet is het optredende verschil in verschuldigde bpm niet het gevolg van daadwerkelijk bestaande verschillen in CO2-uitstoot.
1.6
Artikel 110 van het VwEU behelst een verbod op discriminatie van producten afkomstig uit andere EU-lidstaten. Dat artikel komt in casu in beeld omdat het, gezien de diverse meetmethoden, niet uitgesloten is dat de voor een ingevoerd gebruikt voertuig voor de heffing van bpm in aanmerking te nemen CO2-uitstoot meer beloopt dan de CO2-uitstoot die in aanmerking is genomen voor technisch (vrijwel) identieke voertuigen die zich al op de Nederlandse markt bevinden. Belanghebbende stelt om die reden, ter voorkoming van (eventuele) discriminatie, de Scandinavische rekenmethode te mogen toepassen, die zou leiden tot een CO2-uitstoot van 325 gram per kilometer, in plaats van de 358 gram per kilometer conform de typegoedkeuring.
1.7
Min of meer vergelijkbare problematiek speelt in de zaak met nummer 18/01389, waarin ik heden eveneens een conclusie neem. Voor een uitgebreidere beschouwing over de toepasselijke nationale wet- en regelgeving, de te maken vergelijkingen in het kader van artikel 110 van het VwEU en de Scandinavische rekenmethode wil ik hier verwijzen naar die conclusie.
1.8
Deze conclusie vervolgt in onderdeel 2 met een weergave van de vastgestelde feiten en het geding in feitelijke instanties en in onderdeel 3 met een bespreking van het geding in cassatie. In onderdeel 4 worden de door belanghebbende aangevoerde klachten beoordeeld; met conclusie in onderdeel 5.2.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten voor zover in cassatie van belang
2.1
Belanghebbende heeft op 17 november 2014 een bedrag van € 14.824 aan bpm op aangifte voldaan in verband met de registratie van een Maserati Gran Cabrio 4.7. Deze auto heeft als datum van eerste toelating 6 augustus 2010 en is afkomstig uit een andere EU-lidstaat. Volgens de typegoedkeuring die voor de auto verleend is, bedraag de CO2-uitstoot 358 gram per kilometer.
2.2
De Inspecteur heeft op 11 december 2015 een naheffingsaanslag van € 5.781 opgelegd, met een beschikking belastingrente. Daarbij is hij uitgegaan van een CO2-uitstoot van 358 gram per kilometer.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant3.
2.3
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag tot € 4.234 verminderd. Dit houdt verband met een extra leeftijdskorting waartoe de Inspecteur in zijn verweerschrift al had geconcludeerd en een hogere historische nieuwprijs van de auto dan de Inspecteur tot uitgangspunt had genomen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Beide resulteren in een hogere vermindering van de bruto bpm. Dat is verder niet in geschil.
2.4
De Rechtbank heeft belanghebbende niet gevolgd in haar standpunt dat de CO2-uitstoot aan de hand van de Scandinavische rekenmethode mag worden bepaald, wat zou uitkomen op 325 gram per kilometer. Evenmin heeft de Rechtbank aanleiding gezien de CO2-uitstoot op grond van artikel 9, lid 11, van de Wet bpm 1992 (tekst 2014) op 350 gram per kilometer vast te stellen. Ten slotte heeft de Rechtbank het standpunt van belanghebbende afgewezen met betrekking tot de in aanmerking te nemen handelsinkoopwaarde en – wat wordt genoemd – dealersituatiebijstelling.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2.5
Ook bij het Hof heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de CO2-uitstoot van de auto op basis van de Scandinavische rekenmethode op 325 gram per kilometer dient te worden vastgesteld en anders op grond van artikel 9, lid 11, van de Wet bpm op 350 gram per kilometer. Zij heeft daarbij betoogd dat, blijkens een door haar overgelegd overzicht, in Nederland één andere Maserati Gran Coupé 4.7 rondrijdt waarvoor de CO2-uitstoot op 325 gram per kilometer is vastgesteld, welke auto op 28 mei 2018 in Nederland is geregistreerd.
2.6
Naar het oordeel van het Hof kan de Scandinavische rekenmethode in dit geval geen toepassing vinden, omdat die methode slechts geldt als voor een auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele typegoedkeuring is verleend. In dit geval is een typegoedkeuring verleend. Het Hof heeft ervan afgezien prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU voor te leggen over de uitleg van de Scandinavische rekenmethode.
2.7
Belanghebbendes beroep op het overgelegde overzicht slaagt evenmin, omdat daarop geen referentieauto’s zijn vermeld met een lagere CO2-uitstoot dan 358 gram per kilometer die waren ingevoerd op of voor de datum van registratie van haar auto in het kentekenregister. Op grond van artikel 110 van het VwEU hoeft geen rekening te worden gehouden met later ingevoerde auto’s, in welk kader het Hof verwijst naar het arrest in de zaak X, waarin het Hof van Justitie overweegt over ‘gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen’.4.De theoretische kans dat auto’s op de nationale markt zouden kunnen verkeren waarvoor de CO2-uitstoot lager is vastgesteld, acht het Hof onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 110 van het VwEU. Daarop strandt ook het beroep op het toepassen van de CO2-uitstootwaarde van 350 gram per kilometer uit artikel 9, lid 11, van de Wet bpm 1992.
2.8
Voorts is het Hof gekomen tot afwijzing van diverse betogen van belanghebbende die erop neerkomen dat de handelsinkoopwaarde lager dient te worden vastgesteld, althans dat een hogere percentuele afschrijving in aanmerking dient te worden genomen.
3. Het geding in cassatie
3.1
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben elkaar niet van re- en dupliek gediend.
3.2
De klacht in het beroepschrift in cassatie behelst dat artikel 110 van het VwEU is geschonden doordat het Hof de berekening van de verschuldigde bpm uitgaande van 358 gram CO2-uitstoot per kilometer in stand heeft gelaten en niet is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 325 gram per kilometer. Tot die laatste waarde zou de door belanghebbende voorgestane Scandinavische rekenmethode leiden. Ook is dat de voor een andere, in 2018 in Nederland geregistreerde, Maserati in aanmerking genomen waarde.
3.3
Het verweer van de Staatssecretaris is met name dat de beoordeling in het kader van artikel 110 van het VwEU (slechts) een vergelijking met daadwerkelijk op de nationale markt aanwezige vergelijkbare voertuigen behelst op het tijdstip van registratie.
4. Beoordeling van de klachten
4.1
Wat er ook zij van belanghebbendes betoog strekkende tot berekening van de CO2-uitstoot van de auto volgens de Scandinavische rekenmethode, het kan mijns inziens vanwege het ontbreken van de nodige feitelijke grondslag nergens toe leiden. In onderdeel 6 van de conclusie in zaak 18/01389 is besproken dat een voorwaarde voor toepassing van die rekenmethode is dat de auto voldoet aan bepaalde California Regulations. Dat is in casu gesteld noch gebleken.
4.2
Evenmin is gesteld dat ooit Maserati Gran Coupé 4.7’s zijn geleverd, al dan niet in Californië, die aan deze Regulations voldoen en waarvoor bij import in Nederland daarom de CO2-uitstoot volgens de Scandinavische rekenmethode zou kunnen worden berekend. Daardoor ontbreekt het deze klacht aan feitelijke grondslag.
4.3
Een schending van het gebod van artikel 110 van het VwEU - als dat ruimer besproken in onderdeel 5 van de conclusie in de zaak 18/01389 - kan ook niet volgen uit de concrete vergelijking met een later geregistreerde Maserati Gran Coupé 4.7. Dat voertuig was namelijk niet op de nationale markt beschikbaar toen belanghebbende haar auto kocht. Daarom valt niet in te zien hoe de heffing van bpm belanghebbende had kunnen afhouden van de koop van ‘haar’ Maserati in een andere EU-lidstaat ten gunste van een - immers niet aanwezige - auto op de nationale markt. Zie nader het arrest in de zaak Commissie/Griekenland, geciteerd in onderdeel 5.14 van de conclusie in zaak 18/01389. Daarop stuit deze klacht af.
5. Conclusie
De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑09‑2019
Hof ’s-Hertogenbosch 6 december 2018, nr. 18/00105, ECLI:NL:GHSHE:2018:5166; vermeld in NTFR 2019/908.
De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.
Rb Zeeland-West-Brabant 17 januari 2018, nr. BRE 16/3567, ECLI:NL:RBZWB:2018:266 (niet gepubliceerd).
HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punt 31.
Beroepschrift 25‑09‑2019
Onderwerp: Aanvulling van de gronden van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 06-12-2018 met kenmerk 18/00105
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, [X] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [Z] en vul ik de gronden van het beroep in cassatie, gericht tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 06-12-2018 met kenmerk 18/00105.
1. Feiten en procesverloop
Op 18-11-2014 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
— | Merk: | Maserati |
— | Type: | Gran Cabrio |
— | VIN: | […] |
Op 19-12-2014 werd de auto geregistreerd, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Wet BPM.
Bij besluit van 11-12-2015 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 17-12-2015 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 20-04-2016 vond een hoorgesprek plaats te Maastricht.
Bij besluit van 12-05-2016 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift ongegrond.
Bij brief van 01-06-2016 diende ik beroep in tegen de uitspraak op bezwaar.
Op 06-12-2017 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 17-01-2018, verzonden op 24-01-2018, verklaarde de rechtbank het beroep deels gegrond.
Bij brief van 01-03-2018 diende ik pro-forma hoger beroep in. Bij brief van 30-03-2018 vulde ik de gronden van het hoger beroep aan.
Op 21-11-2018 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats te Den Bosch.
Bij uitspraak van 06-12-2018 verklaarde het hof het hoger beroep ongegrond.
Bij brief van 15-01-2019 diende ik pro-forma beroep in cassatie in. Bij deze vul ik de gronden aan.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
- 2.
Komt belanghebbende ingevolge artikel 110 WVEU een beroep toe op de CO2-uitstoot en Bruto BPM, vastgesteld conform de Scandinavische rekenmethode?
- 3.
Dient in het kader van artikel 110 VWEU belanghebbendes auto, op het moment waarop deze in Nederland wordt geregistreerd, te worden vergeleken met reeds op dat moment geregistreerde referentie overtuigen, of dient de vergelijking tevens worden gemaakt met auto's die nadien werden geregistreerd?
3. Overwegingen
3.1. Scandinavische rekenmethode
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de CO2-uitstoot vast op 358 gr/km. Daarbij baseerde de inspecteur zich op de typegoedkeuring, althans het certificaat van overeenstemming.
Belanghebbende is van mening dat zij een beroep toekomt op een CO2-uitstoot van 325 gr/km. Daarbij baseert zij zich op de Scandinavische rekenmethode van artikel 6a, aanhef en onder c,
Uitvoeringsregeling Wet BPM juncto de Verordening van de Europese Unie van 22-02-2011, nr. 183/2011, Publicatieblad 26-02-2011, L 53/4, dat strekt tot wijziging van de bijlagen IV en VI bij Richtlijn 2007/46/EG. De formule luidt als volgt:
Voor de beoordeling van de CO2-emissies worden de volgende formules gebruikt:
Benzinemotor en handgeschakelde versnellingsbak:
CO2 = 0,047 m + 0,561 p + 56.621 Benzinemotor en automatische versnellingsbak:
CO2 = 0,102 m + 0,328 p + 9.481 Benzinemotor en hybride elektrisch:
CO2 = 0,116 m — 57,147
Dieselmotor en handgeschakelde versnellingsbak:
CO2 = 0,108 m — 11,371
Dieselmotor en automatische versnellingsbak:
CO2 — 0,116 m — 6,432
Waarbij: ‘CO2’ staat voor de gecombineerde CO2-massa-emissie in g/km, ‘m’ voor de massa in kg van het voertuig in rijklare toestand en ‘p’ voor het maximaal geleverde motorvermogen in kW.
De gecombineerde CO2-massa wordt berekend tot één cijfer achter de komma en daarna als volgt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal:
- a)
als het cijfer achter de komma lager dan 5 is, wordt het totaal naar beneden afgerond:
- b)
als het cijfer achter de komma 5 of hoger is, wordt het totaal naar boven afgerond.
Ingevolge de bovenstaande formule bedraagt de CO2-uitstoot voor belanghebbendes auto ((0,102 * 2.055) + (0,328 * 323) + 9,481) = 325 gr/km. Deze berekening is tussen partijen niet in geschil.
Als belanghebbendes auto zou zijn ingevoerd, zonder dat daarbij een typegoedkeuring of CVO werd overgelegd, en geen individuele goedkeuring, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994, zou zijn uitgevoerd, dan zou de CO2-uitstoot zijn berekend overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften; met andere woorden de Scandinavische rekenmethode.
Volgens artikel 110 VWEU moet het systeem van de Wet zodanig zijn ingericht, dat in alle gevallen is uitgesloten dat een ingevoerde auto zwaarder wordt belast in relatie tot belasting die nog rust in de restwaarde van eerder ingevoerde referentievoertuigen. Aangezien het niet is uitgesloten dat er referentievoertuigen rondrijden, waarvan de CO2-uitstoot werd vastgesteld op basis van de Scandinavische rekenmethode, dient belanghebbendes auto ook op basis daarvan in de heffing te worden betrokken.
In casu is aangetoond — en bovendien tussen partijen niet in geschil — dat er in Nederland tenminste één referentievoertuig rondrijdt, waarvan de CO2-uitstoot is vastgesteld op 325 gr/km, conform de Scandinavische rekenmethode. Dit betreft de referentieauto met kenteken [AA — OO — AA]. Deze auto is in de heffing van BPM betrokken naar het tarief zoals dat geldt bij een CO2-uitstoot van 325 gr/km. Ik ben van mening dat belanghebbende daarbij aansluiting mag zoeken, omdat zijn auto anders zwaarder wordt belast dan het referentievoertuig.
Het gerechtshof vindt van niet, omdat belanghebbendes auto is gebouwd conform een Europese typegoedkeuring, en dit van de auto met kenteken [AA — OO — AA] niet is aangetoond. Ik ben van mening dat het gerechtshof het recht hier heeft geschonden. Dat niet is komen vast te staan dat het referentievoertuig is gebouwd conform een Europese typegoedkeuring, betekent naar mijn mening niet dat geen sprake is (of kan zijn) van een vergelijkbaar voertuig.
Vast staat dat belanghebbendes auto en de auto met kenteken [AA — OO — AA] gelijk zijn, dat wil zeggen zijn gebouwd met exact dezelfde hoofdonderdelen (chassis, carrosserie en aandrijflijn). De auto's hebben hetzelfde aantal cilinders, cilinderinhoud, gewicht, brandstof en vermogen. Het zijn aldus dezelfde auto's, althans auto's die in eenzelfde economische context en concurrentiepositie staan. Het gerechtshof had naar mijn mening in het licht van deze feiten moeten oordelen of sprake is van fiscale discriminatie.
Het hof komt niet toe aan de beoordeling van deze vraag, omdat volgens het hof de door belanghebbende ingevoerde auto op het moment van invoer/registratie moet worden vergeleken met de op dat moment in Nederland geregistreerde referentievoertuigen. En omdat referentievoertuig met kenteken [AA — OO — AA] eerst op 28-05-2018 in Nederland werd geregistreerd, terwijl de door belanghebbende ingevoerde auto op 19-12-2014 in Nederland werd geregistreerd, kan volgens het hof tussen deze auto's geen vergelijking worden gemaakt.
Volgens mij heeft het gerechtshof het recht hier geschonden. Naar mijn mening is in het kader van de beantwoording van de vraag of in strijd is gehandeld met artikel 110 VWEU niet slechts relevant de vergelijking met referentievoertuigen die in Nederland geregistreerd waren op het moment dat belanghebbendes auto werd geregistreerd. Voor de vergelijking met de in het referentievoertuig rustende bedrag aan belasting is naar mijn mening ook relevant de nadien op de nationale markt geregistreerde referentievoertuigen.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college, namens belanghebbende:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraak van het gerechtshof partieel te vernietigen;
- —
De uitspraak van de rechtbank partieel te vernietigen;
- —
De uitspraak op bezwaar te vernietigen;
- —
Primair: de naheffingsaanslag vast te stellen op € 2.572 (inkoopwaarde rechtbank en Bruto BPM € 60.893 op basis van Scandinavische CO2-uitstoot van 325 gr/km).
- —
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten.