De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.5
2.4.2.5 Artikel 779 OBW
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS384800:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 27 november 1953, NJ 1954/129, p. 275. Nadruk toegevoegd.
A-G Langemeijer hanteerde in zijn conclusie een meer verbintenisrechtelijke zienswijze en oordeelde afwijkend dat de rechtsverhouding was beëindigd door tijdsverloop omdat de erfverpachter aan de erfpachter had doen blijken dat hij geen voortzetting van het erfpachtrecht wenste. Art. 779 OBW was er in zijn visie uitsluitend voor de gevallen dat partijen zich niet verklaarden.
Asser/Beekhuis 1977, p. 216 en J. Drion in zijn noot onder het arrest in NJ 1954/129, p. 278 waren van mening dat in geval van opzegging de erfverpachter een redelijke opzeggingstermijn in acht moest nemen. Zo ook De Vries Lentsch-Kostense 1980, p. 915.
HR 26 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6479, NJ 1979/452, m.nt. W.M. Kleijn (Van der Waal/’s-Gravenhage).
Aaftink 1980, p. 579. Aaftink begon zijn beschouwing met de constatering dat ‘het terrein dat door de goede trouw wordt beheerst zich [blijft] uitbreiden’. Kleijn, NJ 1979/452, par. 3 wees ook op de analogie met de verhouding tussen echtgenoten en mede-erfgenamen waarvoor de Hoge Raad inmiddels de werking van de goede trouw had erkend en vond dat er veel voor te zeggen was om die analogie door te trekken naar de verhouding tussen zakelijk gerechtigde en bloot-eigenaar. Vgl. De Vries Lentsch-Kostense 1980, p. 916 die concludeerde ‘dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat de verhouding tussen eigenaar en ex-zakelijk gerechtigde, die het goed feitelijk blijft gebruiken, onder bepaalde omstandigheden een verhouding kan zijn die door de goede trouw wordt beheerst. Welke die omstandigheden zijn is vooralsnog in het midden gebleven’. In het licht van art. 6:2 NBW kon naar haar mening de verplichting van de erfpachter het goed te ontruimen worden beschouwd als een verbintenis die te goeder trouw diende te worden uitgevoerd.
Struycken 2007, p. 440, noot 183 vermoedde dat dit arrest een voorloper was van HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2879, NJ 1999/446 (Stichting Belangenbehartiging Erfpachters Den Haag c.s./’s-Gravenhage). Dit arrest wordt behandeld in par. 2.4.3.1.
HR 3 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5012, NJ 1986/323, m.nt. M. Scheltema (Zuiderbad/Amsterdam).
Vergelijk HR 17 december 1965, NJ 1967/40 (Buys/Staat) waarin de mogelijkheid werd overwogen dat een recht van uitplant gevestigd in 1805 een opstalrecht kon inhouden. Annotator Beekhuis zag naar aanleiding van art. 762 OBW wel iets in een retentierecht van de opstalhouder op de bomen in kwestie totdat de vergoeding was voldaan. Deze opvatting werd gecodificeerd in het latere art. 5:105 lid 3 BW.
Op grond van art. 779 OBW liep een erfpachtrecht door tot wederopzegging nadat het recht door tijdsverloop was geëindigd. De uitleg van deze bepaling vormde een toetssteen voor de vraag naar de rechtsverhouding tussen erfverpachter en erfpachter. Een arrest uit 1953 betrof de vraag op welke grondslag de erfpachter de grond in gebruik had na het einde van zijn recht.1 De Hoge Raad verduidelijkte dat art. 779 OBW aldus moest worden verstaan,
‘dat, indien ondanks het verstreken zijn van de in den titel bepaalden tijd de erfpachter zonder verzet van de zijde van den eigenaar in het bezit van het goed is gebleven, het recht van erfpacht blijft voortbestaan, doch de eigenaar te allen tijde gerechtigd is om door opzegging aan dat recht een einde te maken’.2
De stelling dat voor het blijven voortbestaan van het recht een daad van de eigenaar of een uitdrukkelijk verklaarde wil van partijen nodig was, was onjuist. In dit geval had de erfverpachter het recht niet volgens de regels opgezegd zodat het was blijven doorlopen.3 Naar aanleiding van dit arrest werd de vraag gesteld of de grondeigenaar bij het opzeggen van het recht een redelijke opzegtermijn in acht moest nemen.4
Over die vraag oordeelde de Hoge Raad in 1979, in een ander arrest over art. 779 OBW.5 De gemeente Den Haag vorderde ontruiming van een perceel na het einde van een tijdelijk erfpachtrecht. Verlenging van het recht was niet mogelijk, een tijdelijk huurrecht van de opstallen wel. De erfpachter ging niet op dit aanbod in en omdat geen formele opzegging had plaatsgevonden was naar zijn mening het erfpachtrecht op grond van art. 779 OBW blijven bestaan. Het hof achtte dit onjuist en de Hoge Raad was het daarmee eens. Uit de correspondentie bleek dat de gemeente zich had verzet tegen voortzetting van het erfpachtrecht en dat was voldoende om art. 779 OBW buiten toepassing te laten. Dat de gemeente had medegedeeld dat het recht zou eindigen en niet zou worden verlengd was voldoende om ‘enig verzet van de zijde van de eigenaar’ in de zin van art. 779 OBW aan te nemen:
“Het Hof heeft vastgesteld dat bij schrijven van 17 juli 1970 de gemeente aan Van de Waal heeft medegedeeld dat het erfpachtsrecht per 30 nov. 1971 zou eindigen en dat geen verlen[g]ing van de duur daarvan zou kunnen worden bevorderd. Terecht heeft het Hof geoordeeld dat onder die omstandigheden niet kan worden gezegd dat Van de Waal zonder verzet van de eigenaar als erfpachter in het bezit van het goed is gebleven, dat mitsdien de bepaling van art. 779 op de onderhavige situatie niet van toepassing is en opzegging van het erfpachtsrecht niet nodig was.”6
Dat de gemeente de erfpachter een aanbod tot voortzetting van het gebruik onder een andere titel had gedaan en niet direct maatregelen tot ontruiming had genomen, maakte dat niet anders. Geconstateerd werd dat er na beëindiging van het erfpachtrecht van rechtswege tussen partijen in het geheel geen rechtsverhouding meer bestond:
“Het Hof heeft aangenomen dat tussen pp. geen huur- of andere overeenkomst is tot stand gekomen. Nu het middel ervan uit gaat dat dit wel het geval was, mist het in zoverre feitelijke grondslag, terwijl het niet inhoudt dat het Hof buiten het geval van een zodanige overeenkomst o.g.v. de goede trouw tot een andere beslissing had moeten komen, en het middel ook geen omstandigheden vermeldt die hiertoe zouden moeten leiden.”7
De rechtsvraag luidde of er na beëindiging van de erfpachtverhouding nog een rechtsverhouding tussen de voormalige erfpachter en de grondeigenaar bestond en zo ja, wat voor rechtsverhouding dat zou zijn en of op die rechtsverhouding de werking van de goede trouw van toepassing was. In casu deed de Hoge Raad daarover geen uitspraak omdat Van der Waal zich in cassatie alleen beriep op de werking van de goede trouw bij een overeenkomst tussen hem en de grondeigenaar en niet in andere gevallen, en een overeenkomst niet werd aangetoond. Annotator Kleijn maakte een helder onderscheid tussen de overeenkomstige toepassing van de verbintenisrechtelijke goede trouw op enerzijds zakenrechtelijke verhoudingen en anderzijds op feitelijke verhoudingen.8 Op zakenrechtelijke verhoudingen was de goede trouw altijd van toepassing, op feitelijke verhoudingen alleen onder voorwaarden. Aaftink merkte op dat uit de overweging van de Hoge Raad dat het middel niet inhield dat het hof buiten het geval van een overeenkomst op grond van de goede trouw tot een andere beslissing had moeten komen, gelezen kon worden als een erkenning door de Hoge Raad van de mogelijkheid dat de goede trouw werking had in een zakenrechtelijke verhouding, ook indien deze reeds beëindigd was.9 Dit arrest wordt daarom wel aangeduid als de voorloper van het arrest Haagse Erfpacht uit 1999 waarin werd geconstateerd dat tussen grondeigenaar en erfpachter na beëindiging van een tijdelijk erfpachtrecht een rechtsverhouding bleef bestaan waarop de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van toepassing waren.10
In 1985 onderzocht de Hoge Raad wederom de werking van art. 779 OBW.11 In dit geval legden de erfverpachter en de erfpachter na afloop van het erfpachtrecht in een notariële akte vast dat het erfpachtrecht tegen canonbetaling zou doorlopen totdat het door één der partijen werd opgezegd. Daarmee bestond naast de goederenrechtelijke rechtsverhouding vanaf dat moment ook een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding. De erfpachter protesteerde vergeefs tegen de opzegging van het recht en de weigering van de gemeente het recht te converteren naar een eeuwigdurend erfpachtrecht. Omdat bij vestiging van het erfpachtrecht in 1897 was bepaald dat de opstallen bij het einde van het recht zonder vergoeding eigendom van de gemeente zouden worden bestond evenmin recht op een opstalvergoeding.12