NJB 2019/2357:Specificering van voorwerpen bij inbeslagneming, art. 94b Sv: deze bepaling bevat enkele voorschriften over verschillende wijzen van inbeslagneming. Daarnaast verklaart art. 94c Sv de vierde Titel van het Derde Boek van Rv, behoudens de in dat artikel genoemde uitzonderingen, van overeenkomstige toepassing op het leggen van strafvorderlijk conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv. Voor de inachtneming van deze voorschriften is vereist dat duidelijk is wat de aard is van het voorgenomen beslag. Daarnaast bevatten onder meer art. 94a lid 4 en lid 5 Sv enkele uitzonderingen en aanvullende bepalingen op Rv, die van invloed zijn op de aard van het te leggen conservatoir beslag. Uit de door de Hoge Raad aangeduide wettelijke regeling en de eisen van een redelijke en doeltreffende toepassing daarvan volgt dat de officier van justitie in de vordering tot machtiging zo duidelijk mogelijk moet vermelden wat de aard is van het voorgenomen beslag. In sommige gevallen (bijvoorbeeld bij beslag op te boek staande schepen of luchtvaartuigen) volgt daaruit dat het concrete voorwerp waarop de vordering betrekking heeft, in de vordering zal worden genoemd. Een algemene verplichting om in iedere vordering tot machtiging tot het leggen van conservatoir beslag op voorhand ook de concrete voorwerpen waarop dat beslag betrekking heeft te omschrijven, volgt daaruit echter niet. Overigens kan de rechter-commissaris zich, voor zover de vordering niet de informatie verschaft die hij noodzakelijk acht, door de officier van justitie nader laten informeren omtrent de voorgenomen inbeslagneming. Onjuist is de opvatting dat in een vordering tot machtiging van de Officier van justitie tot het leggen van conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a en 103 Sv steeds concrete voorwerpen moeten worden genoemd waarop het voorgenomen beslag betrekking heeft