Rb. Den Haag, 28-05-2020, nr. 18 / 5637
ECLI:NL:RBDHA:2020:4930
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
28-05-2020
- Zaaknummer
18 / 5637
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2020:4930, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 28‑05‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2019:14814
ECLI:NL:RBDHA:2019:14814, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 31‑07‑2019; (Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2020:4930
Uitspraak 28‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Hoogte schadevergoeding na onrechtmatig geachte uitzetting. Materiële en immateriële schadevergoeding. Beoordelingscriteria.
RECHTBANK Den Haag
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: 18/5637
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W.H.J. Semeijn).
Procesverloop
Verzoeker heeft verweerder op 11 oktober 2017 verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft in zijn reactie van 7 maart 2018 de aansprakelijkheid afgewezen en verzoeker ‘onverplicht’ € 500,- aangeboden ter vergoeding van de reiskosten naar Nederland.
Op 26 juli 2018 heeft verzoeker de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. De gronden van het verzoek dateren van 26 juli 2018 en zijn aangevuld bij brief van 8 april 2019.
Bij tussenuitspraak van 31 juli 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt en verzoeker in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de eerder gestelde schade, begroot op € 56.286,80, nader te onderbouwen.
Verzoeker heeft bij brief van 24 september 2019 een stuk getiteld ‘nadere onderbouwing schade’ ingediend.
Verweerder heeft bij brief van 21 oktober 2019 op het ingebrachte stuk gereageerd.
Bij brief van 31 oktober 2019 heeft verzoeker een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
2. Anders dan in de tussenuitspraak van 31 juli 2019 abusievelijk is vermeld, is verzoeker bij de behandeling ter zitting van 25 april 2019 bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T. de Boer.
3. Na de tussenuitspraak, in de brief van 31 oktober 2019, heeft verzoeker de rechtbank verzocht de procedure aan te houden teneinde hem in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verkrijgen en/of te overleggen, alsmede een nader onderzoek te doen uitvoeren bij het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO). Verzoeker heeft voorts te kennen gegeven nog een schriftelijke ronde te wensen, waarna de zaak wat hem betreft mogelijk met een zitting afgesloten zou kunnen worden.
4. Zoals partijen bij brief van 3 december 2019 is medegedeeld is het aanhoudingsverzoek niet gehonoreerd en is het onderzoek zonder nadere schriftelijke ronde en zonder nadere zitting gesloten. Op grond van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter na toepassing van artikel 8:51a van die wet bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft indien partijen hun zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren hebben gebracht. In het onderhavige geval is in strikte zin geen toepassing gegeven aan artikel 8:51a van de Awb. Verweerder is immers bij de tussenuitspraak niet in de gelegenheid gesteld om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank heeft verzoeker bij de tussenuitspraak de gelegenheid geboden de door hem gestelde schade nader te onderbouwen. Op die wijze heeft de rechtbank een definitieve beslechting van het geschil willen bevorderen. Bij die beslissing heeft een rol gespeeld dat verweerder geen verweerschrift heeft ingediend en zich eerst ter zitting heeft uitgelaten over de hoogte van het gestelde schadebedrag. Ter zitting heeft verweerder zich vervolgens hoofdzakelijk op het standpunt gesteld dat de gestelde schade niet voldoende is onderbouwd. Door deze gang van zaken heeft verzoeker verweerders standpunt op dit onderdeel niet bij de voorbereiding van de zitting kunnen betrekken, bijvoorbeeld door alsnog een nadere onderbouwing in te dienen. Door verzoeker met de genoemde tussenuitspraak (nogmaals) de gelegenheid te bieden de gestelde schade (nader) te onderbouwen, en verweerder op zijn beurt op deze nadere onderbouwing te laten reageren, heeft de rechtbank een mogelijk gerezen ongelijkheid in de verdediging voldoende weggenomen. Het nogmaals verlenen van een termijn om nadere informatie ter onderbouwing van de gestelde schade te verkrijgen, of voor het doen uitvoeren van nader onderzoek, zoals dat van het iMMO, zal de onderhavige procedure aanzienlijk vertragen. De rechtbank vindt dat niet wenselijk omdat het ervoor gehouden moet worden dat verzoeker voldoende gelegenheid heeft gehad om de gestelde schade te onderbouwen of nader onderzoek te doen opstarten. Omdat het aanhoudingsverzoek, dat is ingegeven door de wens om nader onderzoek te doen en nadere informatie aan te leveren, niet wordt gehonoreerd, neemt de rechtbank aan dat een nadere zitting geen toegevoegde waarde meer heeft. De rechtbank acht daarom termen aanwezig om artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb analoog toe te passen.
5. De rechtbank stelt vast dat in deze einduitspraak vervolgens uitsluitend nog de vraag voorligt op welk bedrag de door verzoeker begrote schade moet worden vastgesteld.
6. Verzoeker heeft primair aangevoerd dat geconcludeerd moet worden dat een groot deel van de in het verzoekschrift opgevoerde schadeposten in rechte vast staat. Verweerder heeft de gestelde schadeposten immers eerst ter zitting en, zoals verzoeker betoogt, op ontoereikende wijze weersproken.
7. De rechtbank is van oordeel dat dit primaire betoog niet op gaat. In de eerste plaats biedt het bestuursrecht geen wettelijke basis om dergelijke vergaande consequenties te verbinden aan het (enkele) ontbreken van een verweerschrift. Daarnaast heeft verweerder de hoogte van het door verzoeker gestelde schadebedrag wel degelijk (op onderdelen) weersproken. Dit blijkt ook uit de tussenuitspraak (zie rechtsoverweging 11). De omstandigheid dat verweerder eerst ter zitting op de gestelde hoogte van het schadebedrag heeft gereageerd, is bovendien meegewogen in het besluit van de rechtbank om verzoeker bij de tussenuitspraak de gelegenheid te bieden de gestelde hoogte van het schadebedrag nader te onderbouwen (zie het voorgaande onder punt 4). De daarop door verweerder ingediende reactie wijst er allerminst op dat (een deel van) de gestelde schadeposten onweersproken tussen partijen zou vaststaan.
8. De rechtbank concludeert dan ook dat alle gestelde schadeposten nog ter beoordeling voorliggen en overweegt hierover het volgende.
9. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1367), is het aan verzoeker om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken.
10. Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd, en met een schriftelijke verklaring van zijn hand onderbouwd, dat hij drie dagen na zijn gedwongen terugkeer naar Pakistan is aangevallen door een groep mannen die tot dezelfde groep behoorden als de personen die zijn broer hebben vermoord. Hij werd uitgescholden, aangevallen met een mes en vaak en hard geslagen, onder meer met een stok. Hij is meermalen met een mes gestoken en heeft daar littekens aan overgehouden aan zijn pols. Hij is bewusteloos geraakt en werd voor dood op straat achtergelaten. Hij is door een voorbijganger naar het ziekenhuis is gebracht en daar behandeld voor zijn verwondingen. De kosten van die behandeling bedragen volgens verzoeker € 1.100,- . Vervolgens is hij gedurende twee maanden ondergedoken. Begin mei 2015 heeft hij Pakistan verlaten. Hij is via Iran, Turkije, Griekenland en de Balkanroute naar Duitsland gereisd. In september 2015 is hij in Duitsland aangekomen. In december 2015 heeft hij van zijn advocaat vernomen dat hem in Nederland legaal verblijf werd verleend en is hij naar Nederland teruggekeerd.
11. Door de aanval, die het gevolg was van de onrechtmatig geachte uitzetting naar Pakistan, heeft verzoeker naar zijn zeggen zowel fysieke als psychische schade geleden. De geleden fysieke schade kan volgens verzoeker worden aangetoond door het litteken op zijn pols. Verder heeft hij aan de aanval de volgende psychische klachten overgehouden: rusteloosheid, slapeloosheid, nachtmerries, angst- en zweetaanvallen en hartkloppingen. Ter onderbouwing van de gestelde psychische schade heeft hij een verklaring van zijn arts dr. T. te Broekhorst overgelegd.
12. De in het verzoekschrift om schadevergoeding genoemde vordering ten bedrage van € 56.286,80, die vermeerderd met wettelijke rente € 60.648,85 (P.M.) bedraagt, valt volgens verzoeker uiteen in de volgende drie (hoofd)schadeposten.
Immateriële schade:
- kosten onrechtmatige vreemdelingendetentie € 240,-;
- immateriële schade wegens uitzetting € 35.000,-.
Materiële schade:
- kosten ziekenhuis in Pakistan € 1.100,-;
- totale kosten vlucht uit Pakistan € 15.024,-;
- advocaatkosten € 4.446,80.
Wettelijke rente € 4.838,05 P.M.
13. De rechtbank stelt allereerst op grond van verweerders brief van 21 oktober 2019 vast dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gestelde kosten in verband met onrechtmatige vreemdelingendetentie ten bedrage van € 240,-. De rechtbank wijst de vordering op dit onderdeel dan ook zonder nadere beoordeling toe.
14. Voor de gestelde overige immateriële schade ten bedrage van € 35.000,- heeft verweerder er op gewezen dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling zoveel mogelijk aansluiting moeten worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. In artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de benadeelde voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam, of op een andere wijze in zijn persoon, is aangetast. Verweerder heeft er eveneens op gewezen dat de Hoge Raad heeft geoordeeld (bijvoorbeeld in het arrest van 8 juli 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0665) en het arrest van 27 april 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1337)) dat de rechter bij de begroting van immateriële schade (onder meer) dient te letten op bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met inachtneming van de geldontwaarding.
15. Verzoeker heeft naar zijn zeggen bij het begroten van de overige immateriële schade, ten bedrage van € 35.000,-, aansluiting gezocht bij de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en heeft zich beroepen op verschillende arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over schendingen van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van verschillende aangehaalde overwegingen van het EHRM in de arresten M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUDO03069609), Kasymakhunov tegen Rusland van 14 november 2013 en X. tegen Zwitserland van26 januari 2017 concludeert verzoeker dat de door hem geleden immateriële schade uiteen valt in de volgende onderdelen:
a. de angst van verzoeker tijdens de uitzetting en tijdens de eendaagse detentie in Pakistan direct na de uitzetting;
b. het letsel opgelopen door de mishandeling door moslimfundamentalisten in Pakistan, zowel fysiek (litteken hand/pols) als mentaal (de psychische problemen na terugkeer in Nederland);
c. de ontberingen tijdens de nieuwe vlucht uit Pakistan en de reis van bijna vijf maanden naar Duitsland.
16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het gestelde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 35.000,- uit de pas loopt met bedragen die in (juridisch) min of meer vergelijkbare zaken zijn toegekend. Ter vergelijking heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 augustus 2014, waarin de aanspraak op immateriële schadevergoeding in een volgens verweerder ernstiger situatie dan die van verzoeker is vastgesteld op € 15.000,-. Ook heeft verweerder gewezen op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2008 (ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5104), waarin de aanspraak op immateriële schadevergoeding is inbegrepen in de vergoeding voor detentie in Turkije en bepaald op € 200,- per dag. Daarnaast heeft verweerder gewezen op het tweede in voornoemde arresten van de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt bij de begroting van immateriële schade, te weten: dat de rechter in geval van letsel rekening dient te houden met de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. In dit kader heeft verweerder zich in de brief van 21 oktober 2019 gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verzoeker het gestelde geestelijk letsel dat aanleiding zou kunnen zijn voor vergoeding van immateriële schade niet naar objectieve maatstaven heeft aangetoond, terwijl van het gestelde lichamelijk letsel niet meer blijkt dan een litteken van een relatief oppervlakkige wond, waarvan volgens verweerder de oorzaak niet is aangetoond.
17. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de gevorderde immateriële schade in een geval als het onderhavige, niet alleen de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene van belang zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dienen ook de aard en ernst van de normschending bij het bepalen van de omvang van de immateriële schadevergoeding als factor mee te wegen. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de uitzetting van eiser onrechtmatig geacht en geoordeeld dat het verbod van refoulement is geschonden. Dat betekent dat sprake is geweest van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding zal de rechtbank dan ook mede acht slaan op de bedragen die door het EHRM worden toegekend, nu naar Nederlands recht nog geen uitgekristalliseerde jurisprudentie voorhanden is waarbij aan de hoogte van een schadevergoeding een schending van artikel 3 van het EVRM ten grondslag ligt.
18. Wat betreft de door verzoeker (onder a) verzochte vergoeding vanwege de gestelde angst tijdens de uitzetting en tijdens de eendaagse detentie in Pakistan direct na de uitzetting acht de rechtbank een vergoeding (van een deel van) het hier gevorderde bedrag toewijsbaar. Aangezien de uitzetting van verzoeker onrechtmatig is geacht en zijn asielrelaas reden is geweest om alsnog over te gaan tot het verlenen van een asielvergunning, acht de rechtbank aannemelijk dat verzoeker te maken heeft gehad met ernstige gevoelens van angst, zowel tijdens de uitzetting als tijdens de eendaagse detentie in Pakistan direct na de uitzetting.
19. Wat betreft de verzochte vergoeding vanwege het letsel opgelopen door de mishandeling door moslimfundamentalisten in Pakistan, zowel fysiek (litteken hand/pols) als mentaal (de psychische problemen na terugkeer in Nederland), door verzoeker genoemd onder b, geldt dat verweerder er met juistheid op heeft gewezen dat van enig functieverlies van verzoekers pols, hand of vingers geen melding is gemaakt en dat ook de overgelegde verklaring van verzoekers huisarts hiervan geen blijk geeft. De rechtbank heeft bij het meenemen van een vergoeding hiervoor mede acht geslagen op de bedragen genoemd in het Smartengeldboek ANWB 2020 (letsel aan arm en hand na mishandeling).
Ter onderbouwing van het (gestelde) geestelijk letsel zijn een verklaring van de huisarts en een verklaring van de huisarts in opleiding, van 18 september 2019 overgelegd. Een verklaring van een specialist met betrekking tot de psychische problemen ontbreekt. Zoals in het voorgaande is overwogen, acht de rechtbank niet alleen de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene van belang is, maar wordt tevens rekening gehouden met de ernst van de normschending. Gezien de ernst van de normschending en het gegeven dat met de verklaring van de huisarts van verzoeker in ieder geval een begin van onderbouwing is gegeven, wordt ook het gestelde geestelijk letsel betrokken bij het bepalen van de omvang van de (immateriële) schadevergoeding.
20. Verzoeker heeft verder bij zijn verzoek om immateriële schadevergoeding (onder c) gewezen op de ontberingen tijdens de nieuwe vlucht uit Pakistan en de reis van bijna vijf maanden naar Duitsland. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn verweer dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, om aan mishandeling en vervolging te ontkomen, terug moest keren naar West-Europa, in het bijzonder Duitsland. Dat betekent dat de rechtbank voor de hoogte van de in dit verband verzochte schadevergoeding slechts voor een deel de gestelde ontberingen meeneemt.
21. Wat is overwogen onder 18., 19. en 20. leidt de rechtbank tot een in billijkheid te bepalen bedrag van € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding.
22. Wat betreft de materiële kosten heeft verzoeker de volgende kosten gesteld:
- kosten ziekenhuis in Pakistan € 1.100,-;
- totale kosten vlucht uit Pakistan € 15.024,-;
- advocaatkosten € 4.446,80.
23. Over de door verzoeker begrote ziekenhuiskosten heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze kosten enkel zijn onderbouwd door het (voor het eerst) noemen van de naam van het op 35 kilometer afstand gelegen ziekenhuis waar hij naartoe zou zijn gebracht. Ook de gegevens van degene die hem al dan niet belangeloos naar dat ziekenhuis zou hebben gebracht ontbreken. Verweerder wijst er terecht op dat verzoeker ook zonder te beschikken over de schriftelijke medische informatie van het desbetreffende ziekenhuis, meer informatie had kunnen verstrekken om de door hem gestelde schade aannemelijk te maken. Onduidelijk blijft immers ook welke diagnose zou zijn gesteld, welke behandeling(en) verzoeker zou hebben ondergaan, of een of meerdere van de gestelde verwondingen door messteken zouden zijn gehecht, of verzoeker opgenomen is geweest en, zo ja, hoe lang die opname geduurd zou hebben. De gestelde kosten van de behandeling in het ziekenhuis in Pakistan komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.
24. De totale kosten van zijn vertrek uit Pakistan en zijn clandestiene reis naar Duitsland heeft verzoeker begroot op € 15.024,-. Dit bedrag kan volgens verzoeker worden onderverdeeld in een bedrag van € 11.000,- dat is betaald aan smokkelaars, een bedrag van € 3.000,- dat is betaald aan de Pakistaanse politie om het land te mogen verlaten en een bedrag van € 1.500,- aan andere kosten, zoals aanvullende reiskosten en overnachtingen. Ook wat betreft deze kosten is de rechtbank van oordeel dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat de gestelde kosten (en het causaal verband met de aan verweerder verweten gedraging) niet zijn onderbouwd of anderszins op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de beweerdelijk betaalde steekpenningen en kosten onderweg enkel zijn onderbouwd met het relaas van verzoeker zelf. Het gestelde dat de geclaimde reiskosten gangbaar zijn voor vluchtelingen om Europa te bereiken heeft verweerder eveneens ontoereikend kunnen achten. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals hierboven is overwogen, niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker, om basale veiligheid te vinden, naar West-Europa heeft moeten reizen. De gestelde reiskosten ten bedrage van € 15.024,- komen derhalve niet (geheel) voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank neemt wel in aanmerking dat verzoeker in Nederland asiel is verleend en hij onrechtmatig is uitgezet naar Pakistan, zodat op Nederland een rechtsplicht zou hebben gerust om verzoeker naar Nederland terug te halen. Dat maakt dat een vergoeding voor reiskosten in de vorm van een vliegticket voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank begroot deze kosten op € 500,-.
25. Wat betreft de door verzoeker gestelde advocaatkosten heeft verweerder er met verwijzing naar de artikelen 8:75, eerste lid, en 8:94, eerste lid, van de Awb terecht op gewezen dat bij de behandeling van een verzoek om schadevergoeding de proceskostenveroordeling plaatsvindt overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, die een exclusieve regeling inhoudt en maakt dat er voor aan (aanvullende) vergoeding van proceskosten met toepassing van artikel 8:88 van de Awb geen plaats is.
Resumerend.
26. Voor vergoeding komen in aanmerking:
- -
Kosten onrechtmatige vreemdelingendetentie € 240,-
- -
Immateriële schadevergoeding € 15.000,-
- -
De kosten van een vliegticket van Pakistan naar Nederland € 500,-
€ 15.740,-
De bedrag wordt verminderd met het bedrag van € 500,- dat verweerder al betaald heeft, zodat het bedrag aan schadevergoeding per saldo € 15.240,- bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift (26 juli 2018).
27. Omdat het beroep op betalingsonmacht voor het betalen van griffierecht is gehonoreerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
28. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke aanvulling na de tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- -
veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker tot een bedrag van € 15.240,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2018;
- -
wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.312,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier, op
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderdde uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:28 mei 2020
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.
Uitspraak 31‑07‑2019
Inhoudsindicatie
Verzoek schadevergoeding na verlening vluchtelingenstatus. Declaratoire kracht van erkenning als vluchteling. Daaraan voorafgegane uitzetting onrechtmatig geacht. Aansprakelijkheid overheid voor schade. Toewijzing verzoek.
Partij(en)
RECHTBANK Den Haag
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: 18/5637
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2019 in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. W.H.J. Semeijn).
Procesverloop
Verzoeker heeft verweerder op 11 oktober 2017 verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft in zijn reactie van 7 maart 2018 de aansprakelijkheid afgewezen en verzoeker “onverplicht” € 500,- aangeboden ter vergoeding van de reiskosten naar Nederland.
Op 26 juli 2018 heeft verzoeker de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. De gronden van het verzoek dateren van 26 juli 2018 en zijn aangevuld bij brief van 8 april 2019.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ringelens, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig D. Mahabir-Gajadhao.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Pakistaanse nationaliteit.
2. Aan het aan verweerder gerichte verzoek om schadevergoeding heeft hij ten grondslag gelegd dat verweerder hem met ingang van 16 februari 2015 de vluchtelingenstatus heeft verleend. Verweerder heeft aannemelijk geacht dat hij in zijn land van herkomst, Pakistan, gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat hij behoort tot de Ahmadi-minderheid. Ondanks zijn gegronde vrees is hij op 18 februari 2015 uitgezet naar Pakistan. Na zijn uitzetting is hij in Pakistan slachtoffer geworden van mishandeling vanwege zijn geloofsovertuiging. Hij is aangevallen met een mes door een groep mannen en heeft daarbij letselschade opgelopen. Uiteindelijk heeft hij Pakistan weten te ontvluchten en is hij teruggekeerd naar Nederland, waar hem inmiddels een verblijfsvergunning is verleend. Verzoeker acht verweerders handelen, en daarmee het handelen van de Staat, jegens hem onrechtmatig en acht de Staat aansprakelijk voor de door de uitzetting ontstane schade.
Zoals blijkt uit het verzoekschrift heeft verzoeker deze schade begroot op een bedrag van
€ 56.286,80, vermeerderd met wettelijke rente.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om voor schadevergoeding in aanmerking te komen. In dit kader heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de uitzetting van verzoeker rechtmatig was. Verweerder heeft er hiertoe op gewezen dat verzoeker zich in het kader van zijn vijfde asielaanvraag enkel heeft beroepen op hetgeen hij eerder in zijn daaraan voorafgaande asielprocedure heeft aangevoerd. Dat de vijfde asielaanvraag van verzoeker in een later stadium, na zijn uitzetting, alsnog bij besluit van 8 december 2015 is ingewilligd, vloeit volgens verweerder voort uit het ontstaan van nieuwe jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over Ahmadi’s in Pakistan. Daardoor was er volgens verweerder ten tijde van het inwilligende besluit een andere ‘beoordelingssituatie’ aan de orde dan ten tijde van verzoekers daadwerkelijke uitzetting.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Met ingang van 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet is in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Ingevolge artikel 8:90, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek schriftelijk ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.
Ingevolge het tweede lid vraagt de belanghebbende ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Bij de beantwoording van de vraag of een bestuursorgaan wegens onrechtmatig handelen in het kader van een bestuursrechtelijke besluitbevoegdheid schadevergoedingsplichtig is, dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht.
Ingevolge artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
5. Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is vereist dat een daad van de overheid te kwalificeren is als onrechtmatig en deze de overheid is toe te rekenen. Voorts moet de geschonden norm ertoe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste), moet sprake zijn van schade en moet er voldoende causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.
6. Gelet op het hiervoor geschetste kader ziet de rechtbank zich allereerst geplaatst voor de vraag of sprake is van een toerekenbare onrechtmatige overheidsdaad. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend, waartoe zij het volgende overweegt.
7. De rechtbank stelt op grond van het procesdossier vast dat verzoeker in de periode van 2012 tot 2014 vier asielaanvragen in Nederland heeft ingediend, die geen van allen hebben geresulteerd in de verlening van een verblijfsvergunning asiel. Op 16 februari 2015 heeft verzoeker, die op dat moment in vreemdelingenbewaring was gesteld, zijn vijfde asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van dezelfde datum, 16 februari 2015, heeft verweerder geconcludeerd dat verzoeker tijdens het gehoor van 16 februari 2015 geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd en verzoekers aanvraag voorlopig aangemerkt als een herhaalde aanvraag. Onder verwijzing naar artikel 3.1, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft verweerder vervolgens reden gezien de uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten. Daarbij heeft verweerder bepaald dat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en het land onmiddellijk dient te verlaten omdat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eveneens op
16 februari 2015 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit, alsmede tegen zijn feitelijke uitzetting naar Islamabad (Pakistan) op 18 februari 2015 om 10:00 uur. Bij uitspraak van 17 februari 2015 (zaaknummer AWB 15/3122) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het aan dit bezwaar connexe verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Op 18 februari 2015 is verzoeker daadwerkelijk uitgezet naar Pakistan. Bij brief van 6 maart 2015 is het bezwaar gericht tegen voornoemd 3.1-besluit van 16 februari 2015 ingetrokken. Bij besluit van 16 augustus 2015 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 16 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Nadat verzoeker tegen dit besluit beroep heeft ingesteld en de beroepsgronden heeft ingediend, heeft verweerder dit besluit bij brief van 8 september 2015 ingetrokken. Volgens het tot het procesdossier behorende memo intrekking besluit van 8 september 2015 is besloten tot intrekking van het besluit wegens “uitspraak AbRS”. In het desbetreffende memo is dit verder uitgewerkt. Bij besluit van 8 december 2015 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker ingewilligd en hem met ingang van 16 februari 2015 een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
8. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de uitzetting van verzoeker rechtmatig was heeft verweerder erop gewezen dat verzoeker in zijn vijfde asielprocedure niets heeft aangedragen dat op dat moment zou kunnen leiden tot een heroverweging van de eerdere afwijzende beslissing in de voorafgaande asielprocedure van verzoeker. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in eerder genoemde uitspraak van 17 februari 2015, één dag voor de daadwerkelijke uitzetting van verzoeker, geoordeeld dat verzoeker zich louter heeft beroepen op de algemene situatie van Ahmadi’s in Pakistan en niet op individuele omstandigheden, waardoor de zogenoemde Bahaddar-clausule niet van toepassing werd geacht, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening werd afgewezen en verzoeker kon worden uitgezet. Dat de vijfde asielaanvraag van verzoeker in een later stadium, nà zijn uitzetting, alsnog is ingewilligd, verandert volgens verweerder niets aan het rechtmatig karakter van de uitzetting. De uiteindelijke inwilligende beslissing van
8 december 2015 is volgens verweerder ingegeven doordat ongeveer zes maanden na de daadwerkelijke uitzetting van verzoeker nieuwe jurisprudentie van de Afdeling is ontstaan over Ahmadi’s in Pakistan. Omdat verzoeker zich in het kader van zijn vijfde asielaanvraag enkel heeft beroepen op hetgeen hij in de voorgaande asielprocedure had aangevoerd én de reden van de uiteindelijke inwilliging is gelegen in later ontstane Afdelingsjurisprudentie, waarmee er een andere beoordelingssituatie is ontstaan dan ten tijde van de daadwerkelijke uitzetting, is de uitzetting van verzoeker op 18 februari 2015 volgens verweerder rechtmatig.
9. De rechtbank deelt vorenstaand standpunt van verweerder niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder verzoeker bij besluit van 8 december 2015 de vluchtelingenstatus heeft verleend, met terugwerkende kracht met ingang van 16 februari 2015. De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht. De uitzetting van verzoeker heeft plaats gehad op 18 februari 2015. In retrospectief, moet het er derhalve voor gehouden worden dat verzoeker op het moment dat hij werd uitgezet de vluchtelingenstatus had. De rechtbank concludeert reeds hierom dat de uitzetting van verzoeker op 18 februari 2015 onrechtmatig is geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de door verweerder aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter betrekking heeft op een naar zijn aard voorlopig besluit, zijnde het zogenoemde 3.1-besluit. De effectuering van een besluit dat naar zijn aard een voorlopig karakter heeft, brengt altijd een zeker risico met zich. Een dergelijk risico dient echter naar zijn aard - in dit geval schending van het refoulementverbod - voor rekening van de Staat te blijven. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat het inwilligende besluit is ingegeven door een na de uitzetting tot stand gekomen wijziging in de Afdelingsjurisprudentie ten aanzien van de Ahmadi’s in Pakistan is ook dit een omstandigheid die gezien het karakter van de erkenning van vluchtelingschap voor rekening en risico van de Staat dient te blijven. Nu naar achteraf is komen vast te staan, verzoeker op het moment dat zijn uitzetting werd geëffectueerd de vluchtelingenstatus had, concludeert de rechtbank dat de uitzetting van verzoeker onrechtmatig is geweest.
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om schadevergoeding van verzoeker moet worden toegewezen.
11. Verweerder heeft de hoogte van de door verzoeker gestelde schade gemotiveerd betwist. Ter zitting is met partijen afgesproken dat, indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het verzoek voor toewijzing gereed ligt, verzoeker in de gelegenheid zal worden gesteld om de gestelde schade nader te onderbouwen.
12. De rechtbank stelt daarom verzoeker in de gelegenheid om de eerder gestelde schade, begroot op € 56.286,80, nader te onderbouwen en verleent hem hiertoe een termijn van acht weken. Indien verzoeker gebruik maakt van die gelegenheid zal de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de opgave van verzoeker.
13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het verzoek. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt verzoeker in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gestelde schadevergoeding nader te onderbouwen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.