Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:18908.
Rb. Den Haag, 21-11-2025, nr. NL25.54598
ECLI:NL:RBDHA:2025:21997
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
21-11-2025
- Zaaknummer
NL25.54598
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2025:21997, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 21‑11‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 21‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Vervolgberoep bewaring – zicht op uitzetting Libië en Tunesië – voortvarend handelen – lichter middel – beginsel van non-refoulement – beroep ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54598
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 24 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 14 november 2025.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 oktober 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.1.Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 8 oktober 2025.
4. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 oktober 2025 geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is ten aanzien van Libië en Tunesië voor ongedocumenteerde vreemdelingen zoals eiser. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting, omdat hij periodiek rappels stuurt en regelmatig vertrekgesprekken met eiser houdt. De enkele omstandigheid dat de Libische en Tunesische autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvragen om een laissez-passer is onvoldoende voor een ander oordeel. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser sinds 20 september 2025 in vreemdelingenbewaring is gesteld en pas vanaf 24 september op basis van een terugkeerbesluit. Daarnaast betrekt de rechtbank bij haar oordeel dat uit het verslag van het vertrekgesprek van 30 oktober 2025 volgt dat eiser zelf geen moeite wil doen om een laissez-passer te verkrijgen.
5. Eiser wordt verder niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder ook kan volstaan met het opleggen van een lichter middel. In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
6. Tot slot slaagt de beroepsgrond dat terugkeer naar Libië of Tunesië zal leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement niet. De rechtbank verwijst wederom naar haar uitspraak van 14 oktober 2025 waar zij hierover reeds een oordeel heeft gegeven. Niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen.
7. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep ongegrond;
- -
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2025