Voor dit delict is de medebetrokkene, [medebetrokkene] , in zijn strafzaak vrijgesproken op de (‘technische’) grond dat de pleegplaats van dit delict onjuist zou zijn ten laste gelegd.
HR, 22-02-2022, nr. 19/02611
ECLI:NL:HR:2022:160
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-02-2022
- Zaaknummer
19/02611
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:160, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑02‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1269
ECLI:NL:PHR:2021:1269, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑12‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:160
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0049
Uitspraak 22‑02‑2022
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Methode van gemeenschappelijke kasopstelling. Kon hof bij schatting w.v.v. gebruik van gemeenschappelijke kasopstelling? Met zo’n gemeenschappelijke kasopstelling kan onder bepaalde omstandigheden een adequate schatting van w.v.v. worden verkregen, i.h.b. in gevallen waarin betrokkene met een ander of anderen een economische eenheid vormt. Geen rechtsregel staat aan gebruik van zo’n gemeenschappelijke kasopstelling in de weg. Dat neemt echter niet weg dat (mede gelet op reparatoir karakter van ontnemingsmaatregel) bij bepaling van w.v.v. steeds moet worden uitgegaan van voordeel dat betrokkene zelf in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR:2015:3364). Het gebruik van een gemeenschappelijke kasopstelling mag er dus niet in resulteren dat van een van betrokkenen meer voordeel wordt ontnomen dan hij daadwerkelijk heeft verkregen. HR herhaalt overwegingen uit samenhangende zaak HR:2022:159 m.b.t. ’s hofs overwegingen. Nu hof is uitgegaan van gemeenschappelijke kasopstelling waarvan totaalbedrag volgens bepaalde verdeelsleutel aan betrokkene en medebetrokkene is toegedeeld, brengt onbegrijpelijkheid van berekening van dit totaalbedrag t.a.v. medebetrokkene mee dat ook toedeling van resterend deel van dit totaalbedrag aan betrokkene niet z.m. begrijpelijk is. Ook is niet begrijpelijk dat hof bij uitgavenpost ‘contante uitgaven 11.470 gram hennep’ een bedrag van € 19.270 heeft opgenomen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/02612 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/02611 P
Datum 22 februari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 mei 2019, nummer 20-001234-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de beslissing van het hof om bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebruik te maken van een zogenoemde gemeenschappelijke kasopstelling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 8.261,50 en aan hem een betalingsverplichting opgelegd ter ontneming van dat bedrag. Het hof heeft in dit verband onder meer het volgende overwogen:
“Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank van 4 april 2017 onder parketnummer 03/702585-14 veroordeeld tot straf ter zake dat hij:
“feit 1:
op 27 juni 2014 (...) tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 9.200 gram hennep (...).”
“feit 2:
omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 juni 2014 (...) tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid hennep (...).”
“feit 3
op 27 juni 2014 (...) tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (...) ongeveer 11.470 gram hennep (...)”.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het bewezenverklaarde feit onder 2 - kort gezegd: de hennephandel - een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Het hof overweegt omtrent de wettelijke grondslag nog het navolgende.
De rechtbank heeft in de onderliggende strafzaak omtrent het bewezenverklaarde feit 2 onder meer en voor zover van belang het navolgende overwogen:
(vonnis, blz. 3 en 4)
“Medeverdachte [medebetrokkene]
Het telefoonnummer dat toebehoort aan de medeverdachte [medebetrokkene] heeft ook veelvuldig contact met buitenlandse nummers in de periode dat er getapt wordt. Er wordt ook in die gesprekken naar gewenste hoeveelheden gevraagd en gesproken over de mate van kwaliteit van de al dan niet voorradige hennep en over witte, kanonnen en amnesia. Ook blijkt uit gesprekken dat [medebetrokkene] niet alleen potentiële verkopen afhandelt, maar ook betrokken is bij de inkoop van hennep”
(vonnis, blz. 2 en 3)
“Verdachte [betrokkene ]
Uit de aard van de gesprekken blijkt voorts dat er niet alleen wordt verkocht door [betrokkene ] maar dat hij ook de inkoop regelt. Tussen 4 juni 2014 en 8 juni 2014 zijn er bijvoorbeeld telefoongesprekken met ene [betrokkene 1] uit Nuenen, die gaan over de mogelijkheid tot inkoop van bepaalde hoeveelheden.”
(vonnis, blz. 5)
Uit de inhoud van de tapgesprekken tussen verdachte (hof: [betrokkene ] ), (...) en [medebetrokkene] blijkt de rechtbank dat de verdachten samen de voorraad (hof: bedoeld zal zijn hennep) beheerden. Uit de inhoud van de tapgesprekken blijkt ook dat de verdachten contacten onderhielden met potentiële kopers (hof: van hennepproducten).
Het hof neemt vorenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.
Uit deze overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat [betrokkene ] en [medebetrokkene] hennep hebben ingekocht en verkocht en dat zij gezamenlijk een voorraad hennep beheerden.
Uit de bewezenverklaringen in de hoofdzaak ten aanzien van feit 1 en 3 blijkt tevens van betrokkenheid van [betrokkene ] bij 9.200 gram en 11.470 gram hennep.
Berekeningsmethodiek
Om te bepalen wat het voordeel is dat [betrokkene ] en [medebetrokkene] met de hennephandel (feit 2) hebben behaald is in de ontnemingsrapportage (proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, nummer: 2014054218-B) gebruik gemaakt van de berekeningsmethodiek van de eenvoudige kasopstelling.
Het hof stelt voorop dat de berekeningswijze van de eenvoudige kasopstelling kan worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van artikel 36e Sr indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e Sr.
De rechtbank heeft eveneens voormelde berekeningsmethodiek toegepast en het voordeel bepaald aan de hand van de navolgende kasopstelling:
Inkomsten:
Beginsaldo kas € 7.490,-
Contante opnamen: € 12.660,-
Beschikbaar voor contante uitgaven € 20.150,-
Uitgaven:
Geldstortingen € 5.460,-
Contante uitgaven 9.200 gram hennep € 15.088,-
Contante uitgaven 11.470 gram hennep € 19.270,-
Eindsaldo kas € 395,-
Totale contante uitgaven € 40.213,-.
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op (€ 40.213,-) -/- € 20.150,- = € 20.063,-
De rechtbank heeft het door medeveroordeelde [medebetrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een aanzienlijk hoger bedrag, te weten € 38.828,-, zulks terwijl de rechtbank beide veroordeelden in gelijke mate verantwoordelijk heeft geacht voor het behalen van dit voordeel.
Dat laatste is onjuist omdat [medebetrokkene] in de strafzaak is vrijgesproken ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de aangetroffen 9.200 gram hennep, zodat de Geerings-jurisprudentie eraan in de weg staat aan [medebetrokkene] enig bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegeschat inzake genoemde hoeveelheid hennep.
Het hof acht het zuiverder dat eerst de totale omvang van het door beide veroordeelden wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld en zal hieronder dit voordeel door middel een ten dele andere berekeningsmethodiek vaststellen. Vervolgens zal het hof met toepassing van een verdelingsmaatstaf het vastgestelde voordeel aan ieder van de veroordeelden toerekenen.
Als verdeelsleutel zal worden gehanteerd de mate waarin ieder der veroordeelden heeft bijgedragen aan de contante betaling voor de inkoop van de aangetroffen hoeveelheden hennep.
Eerst zal het hof evenwel de standpunten van de verdediging bespreken ten aanzien van de inkomsten en de uitgavezijden van de kasopstelling.
(...)
Ten aanzien van de uitgavenzijde van de kasopstelling.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de 9.200 gram en 11.470 gram hennep telkens goedkope Spaanse wiet betroffen en dat daaraan minder is uitgegeven dan in de kasopstelling aan contante uitgaven is opgenomen.
Voor wat betreft de 9.200 gram hennep heeft [betrokkene ] specifiek verklaard dat daarop een bedrag van € 4.500,- is aanbetaald en dat het restant van € 17.000,- pas betaald hoefde te worden als de hennep was verkocht.
(...)
Anders dan de rechtbank zal het hof in het voordeel van [betrokkene ] zijn meer specifieke verklaring volgen ten aanzien van de in de Audi aangetroffen 9.200 gram hennep en de contante uitgave daarvoor vaststellen op € 4.500,-.
(...)
De vaststelling van de totale omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Ter vaststelling van deze omvang zal het hof de kasopstellingen van beide veroordeelden samennemen, zodat een gemeenschappelijke kasopstelling ontstaat, aldus:
Inkomsten
Beginsaldo kas [medebetrokkene] : € 670,-
“ “ [betrokkene ] : € 7.490,-
Contante opnamen [medebetrokkene] € 290,-
“ “ [betrokkene ] € 12.660,- +
Beschikbaar voor contante uitgaven € 21.110,-
Uitgaven
Geldstortingen [medebetrokkene] € 3.055,-
“ [betrokkene ] € 5.460,-
Contante uitgaven 9.200 gram hennep € 4.500,-
“ “ 11.470 “ “ € 19.270,-
Eindsaldo kas [medebetrokkene] € 2.315,-
“ “ [betrokkene ] € 395,- +
Totale contante uitgaven € 34.995,-.
Het totaal van de contante uitgaven aan hennep is (€ 19.270,- + € 4.500,- =) € 23.770,-.
Het hof stelt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
(€ 34.995,- -/- €21.110,- =) € 13.885,-.
Totale contante uitgaven € 29.625,-
Anders dan de rechtbank stelt het hof het door [betrokkene ] verkregen wederrechtelijke verkregen voordeel vast op: (€ 29.625,- -/- € 20.150,-) = € 9.475,-.
Het hof is van oordeel dat dit voordeel gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in voldoende mate is gerelateerd aan de veroordeling ter zake feit 2 - kort gezegd de in vereniging gedreven hennephandel.
Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.
Toerekening
Veroordeelde [medebetrokkene] is in de strafzaak vrijgesproken ter zake van betrokkenheid bij het aantreffen van 9.200 gram hennep. Ten aanzien van beide veroordeelden is betrokkenheid bij het aantreffen van 11.470 gram hennep bewezenverklaard.
Dit leidt tot de volgende toerekening van de contante uitgaven aan hennep ad € 23.770,-:
aan [betrokkene ] : € 4.500,- + (1/2 x € 19.270,-) = € 14.135,-, ofwel (afgerond) 59,5 %
aan [medebetrokkene] : 1/2 x € 19.270,- = € 9.635,-, ofwel (afgerond) 40,5 %.
Het aandeel van veroordeelde [betrokkene ] in het wederrechtelijk verkregen voordeel ad
€ 13.885,- bedraagt dan: 59,5 % van € 13.885,- = (afgerond) € 8.261,50
Het aandeel van veroordeelde [medebetrokkene] in het wederrechtelijk verkregen voordeel ad € 13.885,- bedraagt dan: 40,5 % van € 13.885,- = (afgerond) € 5.623,50.”
2.2.2
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel steunt verder op - voor zover in cassatie van belang - het volgende bewijsmiddel:
“1. Proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de politie Eenheid Limburg, Joint Hit Team, proces-verbaalnummer 2014054218-C, betreffende de verdachte [betrokkene ] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(...)
Naar aanleiding van een onderzoek verricht door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) werd door het BOOM een rapport samengesteld onder de naam “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht”, kortweg BOOM-rapport genoemd.
In 2010 vond er een update van dit rapport plaats. Hierbij werd de opbrengst van een kilo hennep voor de teler op € 3.280,- per kilo gesteld.
Uit het onderzoek van het JHT is niet gebleken van wie de verdachten [medebetrokkene] en [betrokkene ] de hennep afnamen. Bij het vaststellen van de inkoopprijs voor [medebetrokkene] en [betrokkene ] ben ik uitgegaan van het feit dat zij de hennep afnamen van de teler van de hennep en dat de koopprijs gelijk is aan de verkoopprijs van de teler genoemd in het BOOM-rapport, zijnde € 3.280,- per kilo.”
2.3
Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van een zogenoemde gemeenschappelijke kasopstelling. Met zo’n gemeenschappelijke kasopstelling kan onder bepaalde omstandigheden een adequate schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden verkregen, in het bijzonder in gevallen waarin de betrokkene met een ander of anderen een economische eenheid vormt. Anders dan het cassatiemiddel betoogt, staat geen rechtsregel aan het gebruik van zo’n gemeenschappelijke kasopstelling in de weg. Dat neemt echter niet weg dat - mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel - bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel steeds moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene zelf in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3364). Het gebruik van een gemeenschappelijke kasopstelling mag er dus niet in resulteren dat van een van de betrokkenen meer voordeel wordt ontnomen dan hij daadwerkelijk heeft verkregen.
2.4.1
In zijn arrest van vandaag in de zaak van de medebetrokkene [medebetrokkene] (19/02612 P), ECLI:NL:HR:2022:159 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“Blijkens zijn hiervoor onder 2.2.1 weergegeven oordeel is het hof ervan uitgegaan dat de omstandigheid dat de betrokkene in de strafzaak is vrijgesproken ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de aangetroffen 9.200 gram hennep, eraan in de weg staat dat aan hem enig bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegerekend inzake die hoeveelheid hennep. Door in de gemeenschappelijke kasopstelling desondanks uit te gaan van een totaalbedrag dat mede is ontleend aan de uitgavenpost ‘contante uitgaven 9.200 gram hennep’ is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. De toedeling van een deel van dit totaalbedrag aan de betrokkene [ [medebetrokkene] ] volgens een bepaalde verdeelsleutel bewerkstelligt immers dat - in strijd met de kennelijke bedoeling van het hof - in het verkregen voordeel van de betrokkene een percentage van deze uitgavenpost is verdisconteerd. Het cassatiemiddel slaagt in zoverre.”
2.4.2
Nu het hof is uitgegaan van een gemeenschappelijke kasopstelling waarvan het totaalbedrag volgens een bepaalde verdeelsleutel aan de betrokkene en de medebetrokkene is toegedeeld, brengt de onbegrijpelijkheid van de berekening van dit totaalbedrag ten aanzien van de medebetrokkene mee dat ook de toedeling van het resterende deel van dit totaalbedrag aan de betrokkene niet zonder meer begrijpelijk is.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt ook voor zover het klaagt dat het hof bij de uitgavenpost ‘contante uitgaven 11.470 gram hennep’ een bedrag van € 19.270 heeft opgenomen. De berekening van dat bedrag is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit de bewijsvoering blijkt dat de koopprijs van een kilogram hennep is gelijkgesteld aan de verkoopprijs van de teler, te weten € 3.280 per kilogram, en dat de uitgavenpost onderdeel is van een gemeenschappelijke kasopstelling waarin het totaal van de door de betrokkenen gedane uitgaven is opgenomen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2022.
Conclusie 07‑12‑2021
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Profijtontneming. Gebruik van gemeenschappelijke kasopstelling. Hof heeft het w.v.v. berekend aan de hand van een zgn. gemeenschappelijke kasopstelling. Met zo’n gemeenschappelijke kasopstelling kan onder bepaalde omstandigheden een adequate schatting van het w.v.v. worden verkregen, i.h.b. in gevallen waarin betrokkene met een ander of anderen een economische eenheid vormt. Geen rechtsregel staat aan het gebruik van zo’n gemeenschappelijke kasopstelling in de weg. Dat neemt echter niet weg dat - mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel - bij de bepaling van het w.v.v. steeds moet worden uitgegaan van het voordeel dat betrokkene zelf in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald (vgl. HR:2015:3364). Het gebruik van een gemeenschappelijke kasopstelling mag er dus niet in resulteren dat van een van de betrokkenen meer voordeel wordt ontnomen dan hij daadwerkelijk heeft verkregen. HR herhaalt overweging in samenhangende zaak 19/02612 en overweegt dat nu het hof is uitgegaan van een gemeenschappelijke kasopstelling waarvan het totaalbedrag volgens een bepaalde verdeelsleutel aan betrokkene en medebetrokkene is toegedeeld, de onbegrijpelijkheid van de berekening van dit totaalbedrag t.a.v. medebetrokkene meebrengt dat ook de toedeling van het resterende deel van dit totaalbedrag aan betrokkene niet z.m. begrijpelijk is. Ook is niet begrijpelijk dat het hof bij de uitgavenpost ‘contante uitgaven 11.470 gram hennep’ een bedrag van € 19.270 heeft opgenomen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 19/02612.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/02611 P
Zitting 7 december 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene.
De procedure in cassatie
1. Bij arrest van 29 mei 2019 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch de hoogte van het voordeel dat de betrokkene wederrechtelijk heeft verkregen vastgesteld op een bedrag van € 8.261,50 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medebetrokkene, [medebetrokkene] , 19/02612. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is namens het Openbaar Ministerie (OM) ingesteld door de advocaat-generaal bij het genoemde gerechtshof. Mr. W.J.V. Spek, advocaat-generaal, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de vaststelling van de hoogte van de ontnemingsmaatregel.
Het bestreden arrest
5. Ter inleiding het volgende. Bij strafvonnis van de rechtbank Limburg van 4 april 2017 is de betrokkene in zijn strafzaak veroordeeld wegens:
(1) het medeplegen van het opzettelijk vervoeren van 9.200 gram hennep op 27 juni 2014, een hoeveelheid die is aangetroffen in een door medebetrokkene, [medebetrokkene] , bestuurde auto, nadat hij op de snelweg A2 tot stoppen was bewogen,1.
(2) het medeplegen van de handel in hennep omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 juni 2014, en wegens
(3) het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 11.470 gram hennep (die in de geparkeerde BMW van de betrokkene is aangetroffen).
Tegen het strafvonnis is geen rechtsmiddel aangewend.
6. Omtrent de handel in hennep (feit 2) overweegt het hof in het bestreden ontnemingsarrest (p. 3):
“dat [betrokkene] en [medebetrokkene] hennep hebben ingekocht en verkocht en dat zij gezamenlijk een voorraad hennep beheerden. Uit de bewezenverklaringen in de hoofdzaak ten aanzien van feit 1 en 3 blijkt tevens van betrokkenheid van [betrokkene] bij 9.200 gram en 11.470 gram hennep.
7. Wat betreft de grondslag van de ontnemingsmaatregel overweegt het hof enerzijds (zie p. 2) dat de betrokkene door middel van het bewezen verklaarde feit onder 2 – kort gezegd: de hennephandel – voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr heeft verkregen. Anderzijds brengt het hof tevens tot uitdrukking (p. 3):
“dat de berekeningswijze van de eenvoudige kasopstelling kan worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van artikel 36e Sr indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e Sr.”
8. Mede hieruit maak ik op dat het hof de voordeelsontneming heeft gegrond op artikel 36e lid 1 en lid 2 Sr en dat het hof daarbij het oog heeft op de ontneming van voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van zowel het strafbare feit waarvoor hij onder 2 is veroordeeld, als andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. Ter berekening van de omvang van het aldus verkregen voordeel heeft het hof gebruikgemaakt van de methode van de eenvoudige kasopstelling. De onderzochte periode loopt – blijkens de financiële rapportages die het hof tot het bewijs heeft gebezigd – van 1 januari 2013 tot en met 27 april 2014.2.Aangezien bewezen is verklaard de hennephandel voor zover begaan “omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 juni 2014”, moet het hof – tevens – de in artikel 36e lid 2 Sr bedoelde ‘andere’ strafbare feiten in de voordeelberekening hebben betrokken.3.
9. Vervolgens geeft het hof in zijn arrest een beschrijving van de kasopstelling die de rechtbank heeft opgenomen in haar ontnemingsuitspraak. Die geef ik hieronder schematisch weer. Het hof wijkt echter op een significant onderdeel af van de kasopstellingen van de rechtbank en motiveert die afwijking als volgt (p. 3-4):
“De rechtbank heeft het door medeveroordeelde [medebetrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een aanzienlijk hoger bedrag, te weten € 38.828,--, zulks terwijl de rechtbank beide veroordeelden in gelijke mate verantwoordelijk heeft geacht voor het behalen van dit voordeel.
Dat laatste is onjuist omdat [medebetrokkene] in de strafzaak is vrijgesproken ten aanzien van zijn betrokkenheid bij de aangetroffen 9.200 gram hennep, zodat de Geerings-jurisprudentie eraan in de weg staat [dat] aan [medebetrokkene] enig bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegeschat inzake genoemde hoeveelheid hennep.
Het hof acht het zuiverder dat eerst de totale omvang van het door beide veroordeelden wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld en zal hieronder dit voordeel door middel [van] een ten dele andere berekeningsmethodiek vaststellen. Vervolgens zal het hof met toepassing van een verdelingsmaatstaf het vastgestelde voordeel aan ieder van de veroordeelden toerekenen.
Als verdeelsleutel zal worden gehanteerd de mate waarin ieder der veroordeelden heeft bijgedragen aan de contante betaling voor de inkoop van de aangetroffen hoeveelheden hennep.”
10. Wat betreft het bedrag waartegen hennep door de betrokkenen werd ingekocht, gaat het hof – volgens de financiële rapportages die het hof als bewijsmiddelen heeft gebruikt – uit van een bedrag van € 3.280,- per kilo.4.,5.Voor de partij van 9.200 gram hennep maakt het hof echter, anders dan de rechtbank, een uitzondering. Het hof gaat ervan uit dat de betrokkene hiervoor € 4.500,- heeft aanbetaald en dat het restant zou worden afgelost na verkoop van deze partij.6.
11. Hieronder geef ik schematisch de eenvoudige kasopstellingen van de rechtbank in de zaken van beide betrokkenen weer, alsook de ‘gemeenschappelijke’ (eenvoudige) kasopstelling die het hof heeft vervaardigd. Alle bedragen zijn zonder valutateken weergegeven en zij betreffen (hele) euro’s.

12. Het hof merkt de volgende bedragen aan als de belangrijkste kengetallen uit de gemeenschappelijke eenvoudige kasopstelling (mijn vraagteken komt hieronder bij de derde deelklacht ter sprake):
gezamenlijke contante uitgaven aan hennep: 4.500 + 19.270 + ? = 23.770
gezamenlijk wederrechtelijk verkregen voordeel: 34.995 – 21.110 = 13.885
13. Nadat het hof aldus de omvang van het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel heeft vastgesteld, gaat het hof over tot een toerekening ervan aan de twee betrokkenen. De eerste stap is het bepalen van een verdeelsleutel. Die vindt het hof in de verhouding van de (veronderstelde) contante uitgaven aan hennep door de twee betrokkenen:
totaal contante uitgaven aan hennep: 4.500 + 19.270 = 23.770
[betrokkene] : 4.500 + ½ x 19.270 = 14.135
[medebetrokkene] : ½ x 19.270 = 9.635
14. Vervolgens rekent het hof het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel ad € 13.885,- conform de verdeelsleutel aan de twee betrokkenen toe. Die toerekening leidt zodoende tot de volgende rekenkundige bewerking (ik laat ‘s hofs berekening en toepassing van percentages als tussenstap weg):

Vanwege afrondingsperikelen met percentages (hof: 59,5%, respectievelijk 40,5%) herleidt het hof iets andere uitkomsten dan mijn calculator berekent, namelijk (hof:) € 8.261,50, respectievelijk € 5.623,50. Het zijn deze twee bedragen waarop het hof de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de twee (mede)betrokkenen, [betrokkene] en [medebetrokkene] , becijfert.7.
De deelklachten van het middel
15. Het middel valt uiteen in drie klachten:
(1) het toepassen van een ‘gemeenschappelijke’ (eenvoudige) kasopstelling getuigt in deze zaak van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is ontoereikend gemotiveerd;
(2) de verdelingsmaatstaf die het Hof heeft toegepast om het aandeel van de betrokkene en dat van de medebetrokkene [medebetrokkene] in het totale wederrechtelijk verkregen voordeel van € 13.885,- te berekenen, leidt ertoe dat het aan de betrokkene toegerekende aandeel in dat totale voordeel is vastgesteld op een te laag bedrag;
(3) de motivering van de hoogte van het voordeel bevat een (aanmerkelijke) rekenfout/onjuistheid.
De eerste deelklacht
Omschrijving
16. Allereerst wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het samenvoegen van twee separate kasopstellingen tot één gemeenschappelijke kasopstelling, zoals het hof heeft gedaan, alleen is toegestaan indien er sprake is van een economische eenheid. In het thans bestreden arrest heeft het hof geen overwegingen gewijd aan de vraag of de betrokkene en [medebetrokkene] een economische eenheid vormen. Voor zover hierin het oordeel ligt besloten dat een gemeenschappelijke kasopstelling ook kan worden gehanteerd in gevallen waarin degenen op wie die kasopstelling betrekking heeft geen economische eenheid vormen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Subsidiair is dat oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien het hof geen feitelijke vaststellingen heeft gedaan waaruit kan volgen dat de betrokkene en [medebetrokkene] een economische eenheid vormen, dan wel dat er tussen hen een zodanige feitelijke en financiële verwevenheid bestaat dat gebruik kan worden gemaakt van een gemeenschappelijke kasopstelling, aldus de steller van het middel.
De bespreking van de eerste deelklacht
17. Ik geef de steller van het middel toe dat het samenstellen van een gemeenschappelijke (eenvoudige) kasopstelling doorgaans alleen zin heeft als de personen op wie die kasopstelling betrekking heeft tezamen een economische eenheid vormen, dat wil zeggen: een gezamenlijke financiële huishouding voeren. De verwevenheid van ontvangsten en uitgaven die zo’n huishouding typeert, maakt het betrekkelijk arbitrair om te bepalen aan welke partner binnen die eenheid de gezamenlijke contante ontvangsten en uitgaven zouden moeten worden toegerekend en in welke mate. Het is voor de financiële recherche bovendien ondoenlijk, zo niet onmogelijk, om na te gaan hoeveel contant geld de ene partner aan de andere partner heeft gegeven, respectievelijk wat de ander van de een heeft ontvangen. Doordat dergelijke informatie ontbreekt kunnen afzonderlijke kasopstellingen van de twee partners binnen een economische eenheid geen accuraat beeld schetsen van de werkelijkheid. Dit manco manifesteert zich vooral wanneer de ene partner verantwoordelijk is voor de ontvangst van (illegaal) chartaal geld en de andere partner zich hoofdzakelijk bezighoudt met het uitgeven daarvan.
18. Ten opzichte van de situatie waarin de cashflows van betrokkenen over een bepaalde periode worden geanalyseerd met behulp van separate kasopstellingen, gaat in andere gevallen dan die van een economische eenheid met het construeren van een gemeenschappelijke kasopstelling voornamelijk cruciale informatie verloren. Indien een gemeenschappelijke eenvoudige kasopstelling getuigt van een surplus waarmee het totaal aan contante uitgaven en bankstortingen gedurende de onderzochte periode (vermeerderd met het eindsaldo aan contant geld), het totaal aan het in die periode legaal verkregen en voor uitgave beschikbare contante geld overtreft, kan daaruit slechts worden afgeleid dat één of meer van de betrokkenen gedurende die periode moet(en) hebben beschikt over een ‘onverklaarde’ bron van contant geld,8.maar niet wie van hen, noch wat voor iedere betrokkene afzonderlijk de omvang was van die bron ingeval meer van hen over een onverklaarde bron van contant geld zouden hebben beschikt.
19. Kortom, voor het vervaardigen van een gemeenschappelijke kasopstelling moet een goede reden zijn, anders is het niet verstandig. Daarmee is niet gezegd dat het combineren van twee eenvoudige kasopstellingen – anders dan in geval van een economische eenheid – het recht schendt c.q. getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ik ken geen regel van recht in de zin van artikel 79 RO die, buiten het geval van een economische eenheid, het compileren van twee kasopstellingen tot één gemeenschappelijke kasopstelling verbiedt. Hooguit zou de motivering van de ontnemingsmaatregel zodoende aan begrijpelijkheid kunnen inboeten. Dát het combineren van twee kasopstellingen zonder meer tot onbegrijpelijkheid (van de motivering) van de ontnemingsmaatregel leidt, is evenmin gezegd. Wellicht weet de ontnemingsrechter namelijk het aldus berekende gezamenlijke voordeel voor ieder hun deel toe te rekenen aan de betrokkenen met behulp van een – op andere gronden treffend gekozen – verdeelsleutel.
20. Dat verlegt het probleem naar de verdeelsleutel. Daartoe strekt de eerste deelklacht zich echter niet uit, zodat ik hier kan eindigen. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
Omschrijving
21. Teneinde tegemoet te komen aan de vrijspraak van de medebetrokkene, [medebetrokkene] , van feit 1 in zijn strafzaak, dat ziet op de hoeveelheid van 9.200 gram hennep die in het voertuig van de medebetrokkene was aangetroffen, heeft het hof een verdeelsleutel toegepast die in effect neerkomt op een schending van de Geerings-jurisprudentie. Hierdoor is het aan de medebetrokkene toegerekende aandeel in het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een te hoog bedrag. Dientengevolge is aan de betrokkene een te laag bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel toegerekend, aldus de steller van het middel.
De bespreking van de tweede deelklacht
22. Mijn standpunt over de wijze waarop het hof is omgegaan met de Geerings-jurisprudentie heb ik kenbaar gemaakt in mijn conclusie in de zaak van de medebetrokkene. De gedachtegang die het hof heeft uiteengezet in het bestreden arrest is (inderdaad) niet in volle omvang goed te doorgronden. Niettemin meen ik dat de tweede deelklacht niet tot cassatie hoeft te leiden, en dat is omdat de steller van het middel ervan uitgaat dat het hof – had het (wat ik meen dat het is) de onvolkomenheid ingezien – ervoor zou hebben gekozen om het voordeel dat aan de medebetrokkene (vanwege de Geerings-jurisprudentie) bij nader inzien te veel zou worden ontnomen ‘dan maar’ bij de betrokkene ‘op te halen’. De gedachtegang die ten grondslag ligt aan de tweede deelklacht brengt in feite mee dat de betrokkene bij de voordeelsontneming repercussies moet ondervinden van de technische vrijspraak die de medebetrokkene door een voor hem gelukkige omstandigheid ten deel is gevallen.
23. Er valt echter slechts te speculeren over de wijze waarop het hof het voordeel zou hebben herberekend en aan de betrokkenen toegerekend, ingeval het hof zou hebben ingezien dat met de thans gevolgde wijze van toerekening van voordeel aan de medebetrokkene niet het door het hof beoogde resultaat zou worden bereikt. Als gevolg daarvan faalt de tweede deelklacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
24. De tweede deelklacht sorteert geen effect.
De derde deelklacht
Omschrijving
25. Met betrekking tot de partij hennep van 11.470 gram die de politie in de BMW van de betrokkene heeft aangetroffen, heeft het hof in de gemeenschappelijke kasopstelling zonder toelichting in totaal slechts de helft van de aanschafprijs in aanmerking genomen. Hierdoor is de ontnemingsmaatregel ontoereikend gemotiveerd, aldus klaagt de steller van het middel.
De bespreking van de derde deelklacht
26. Het bestreden arrest bevat (inderdaad) een opmerkelijke inconsistentie. Blijkens de bewijsmiddelen in de aanvulling op het verkorte arrest heeft het hof vastgesteld dat de hennep door de (mede)betrokkenen werd ingekocht tegen een bedrag van € 3.280,- per kilo.9.In lijn hiermee had het op de weg van het hof gelegen om in de gemeenschappelijke kasopstelling voor de betaling van de hoeveelheid van 11.470 gram hennep een bedrag van € 38.540,- in aanmerking te nemen. In de gemeenschappelijke kasopstelling heeft het hof deze door hemzelf vastgestelde aanschafprijs echter – zonder redengeving – gehalveerd. Dat is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
27. De derde deelklacht is terecht voorgesteld.
Slotsom
28. Het middel slaagt ten dele.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑12‑2021
Zie bewijsmiddel 1, p. 3 van de aanvulling op het bestreden arrest, en zie bewijsmiddel 2, p. 7 van de aanvulling.
Daar staat dan weer tegenover dat het hof op p. 6 van het arrest overweegt: “Het hof is van oordeel dat dit voordeel gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in voldoende mate is gerelateerd aan de veroordeling ter zake feit 2 - kort gezegd de in vereniging gedreven hennephandel.” Deze overweging verdraagt zich slecht met het verschil tussen enerzijds de pleegperiode van het feit onder 2 (namelijk: omstreeks de periode van 27 mei 2014 tot en met 27 juni 2014) en anderzijds de door middel van de kasopstelling onderzochte periode (te weten: van 1 januari 2013 tot en met 27 juni 2014). Dat laatste betekent immers dat het hof ook (eventuele) strafbare feiten die voorafgegaan zijn aan de pleegperiode van feit 2 bij de voordeelberekening in aanmerking heeft genomen. Aangezien de steller van het middel hierover geen klacht heeft voorgesteld, en ik ook niet inzie welk belang het OM zou hebben bij het slagen ervan, laat ik dit punt verder rusten.
Bewijsmiddel 1 en bewijsmiddel 2 in de aanvulling op het bestreden arrest (zie met name p. 4 en 7). De twee financiële rapportages verwijzen voor het bedrag van € 3.280,- per kilo naar het BOOM-rapport Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht (toevoeging D.A.: versie van 1 november 2010).
Ik wijs in dit verband op hetzij een rekenfout, hetzij de onjuiste vermelding van het gewicht van de tweede partij hennep.Bij een kiloprijs van € 3.280,- en een hoeveelheid van 11.470 gram hennep bedraagt de inkoopprijs € 37.621,60 en géén € 38.540,- (en dus ook géén € 19.270,- per persoon, zoals opgenomen in de hierboven weergegeven kasopstellingen). Anderzijds gaan de financiële rapportages (zie met name bewijsmiddelen 1 en 2, op p. 4, 7 en 8 van de aanvulling) ervan uit dat de tweede partij hennep een hoeveelheid betrof van 11.750 gram. In dát geval is de aankoopsom correct berekend. Deze kwestie speelt in cassatie verder geen rol. Ik houd het erop dat de partij van “11.470 gram hennep” volgens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is aangekocht voor € 38.540,- (en dus voor € 19.270,- per persoon).
Zie met name p. 8 van de aanvulling op het verkorte arrest.
In het bestreden arrest, op p. 6 vrijwel bovenaan, is een passage opgenomen die niet strookt met de resterende overwegingen en met de door het hof gekozen lijn van redeneren (die uitmondt in de gebruikmaking van een ‘gemeenschappelijke’ kasopstelling). Dat betreft de volgende passage:“Totale contante uitgaven € 29.625,- Anders dan de rechtbank stelt het hof het door [betrokkene] verkregen wederrechtelijke verkregen voordeel vast op: (€ 29.625,- -/- € 20.150,-) = €9.475,-.”Zoals het schema van kasopstellingen dat ik heb opgenomen onder randnummer 11 laat zien, betreffen de door het hof in deze passage genoemde bedragen de eenvoudige kasopstelling van de betrokkene indien het hof die separaat van die van de medebetrokkene [medebetrokkene] zou hebben opgesteld. Ik houd het er – evenals de steller van het middel (zie p. 3 van de schriftuur) – op dat deze passage abusievelijk in het arrest is blijven staan en dat daarop in cassatie geen acht moet worden geslagen.
Met een ‘onverklaarde’ bron van contant geld bedoel ik dat voor de geldstroom – op het eerste gezicht – geen herkomst valt aan te wijzen, en in elk geval geen legale herkomst.
Zie voetnoten 4 en 5 hierboven, met inbegrip van de rekenfout die in cassatie niet aan de orde is.