Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.3.3
IV.3.3 Een exclusieve bevoegdheidsregel in art. 22 sub 2 EEX-Vo
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377324:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 10 mei 2001, JOR 2001/144 (Van der Weijde/ESI).
Art. 16 aanhef en sub 2 EEX-Verdrag luidde: 'Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd: 2. ten aanzien van de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen met plaats van vestiging in een verdragsluitende staat, dan wel ten aanzien van de besluiten van hun organen: de gerechten van die staat;'. Deze in art. 16 sub 2 EEX-Verdrag opgenomen onderwerpen zijn, met een enkele tekstuele wijziging, 'overgeheveld' naar art. 22 sub 2 EEX-Vo. Inhoudelijke wijziging is niet beoogd, zie Vlas (2000), p. 751. In art. 22 sub 2 EEX-Vo is na de opsomming van de onderwerpen waarvoor de exclusieve bevoegdheid geldt, een regel over de vaststelling van de plaats van vestiging van de vennootschap of rechtspersoon toegevoegd (zie de hoofdtekst). Een soortgelijke regel stond in art. 53 EEX-Verdrag. Zie verder Vlas (2000), p. 748.
Zie ook Vlas (2009), nr. 211-212; en Strikwerda (2008), p. 256-257. Voor de toepassing van art. 22 EEX-Vo is dus niet van belang of partijen de onbevoegdheid van de aangezochte rechter ter discussie stellen. De onbevoegdheid moet (desnoods) in iedere stand van het geding worden uitgesproken, mogelijk zelfs in cassatie. Dit volgt uit HvJ EG 15 november 1983, NJ 1984, 695 (Duijnstee/ Goderbauer).
Ik merk op dat de leer van de statutaire zetel en de incotporatieleer niet geheel identiek zijn. Voor het incorporatiestelsel geldt dat het recht van het land volgens hetwelk de vennootschap is opgericht, het aanknopingspunt is. Veelal zal de statutaire zetel eveneens in dit land gelegen zijn, zodat de uitkomst van de toepassing van de statutaire zetelleer en de cotporatieleer hetzelfde luidt.
Het incorporatiestelsel wordt behalve in Nederland (met varianten) gehanteerd door Denemarken, Noorwegen, Zweden, Engeland, Ierland, Zwitserland, en Liechtenstein. Een ander ipr-systeem is de leer van de werkelijke zetel, ofwel `siège réel'. De plaats van de werkelijke zetel (waar zit het bestuur of bevindt zich het centrum van de bestuursactiviteiten?) is het aanknopingspunt om de plaats van vestiging van de rechtspersoon of vennootschap vast te stellen. De leer van de werkelijke zetel wordt (met varianten) gehanteerd door Duitsland, Oostenrijk, Luxemburg, België, Italië, Frankrijk, Portugal, Spanje en Griekenland. Zie ook Van Solinge en Bulten (2002), p. 123, en de aldaar in noot 20 aangehaalde literatuur over de vraag of de beide zetelleren verenigbaar zijn met de vrijheid van vestiging van art. 43 jo. 48 EG-Verdrag (oud), thans opgenomen in art. 49 en 54 VwEU.
Van Solinge en Bulten (2002), p. 124. Zie ook Vlas (2009), nr. 214; en Van Solinge in zijn noot sub 2 onder Rb. Rotterdam 10 mei 2001, JOR 2001/144 (Van der Weijde/ESI). Struycken spreekt van 'een argument voor een regel van distributie', zie Struycken (1978), p. 32. Zie ook Rapport-Jenard (1986), p. 35: 'Om deze reden is het zonder twijfel de meest aangewezen weg de procedure te concentreren bij de gerechten van het land op welks grondgebied de zetel is gevestigd.'. Het Rapport-Jenard (Pb. EG 5 maart 1979, nr. C59, eveneens opgenomen in Losbl. Rp., Aanverwante stukken) behelst een toelichting bij het EEX-Verdrag, maar geldt eveneens voor art. 22 EEX-Vo, omdat art. 16 EEXVerdrag op dit punt niet gewijzigd is.
Het 'voortbestaan van de vennootschap' is niet als categorie opgenomen in art. 16 sub 2 EEX-Vo. De rechtbank stelt in ro. 3.3: '(...) — in ruimere zin en voor zover al van belang bij de beoordeling aan de hand van artikel 16, aanhef en sub 2, EEX — inzake het voortbestaan van deze vennootschap.'
Rb. Rotterdam 10 mei 2001, JOR 2001/144 (Van der Weijde BV/ESI), ro. 3.3-3.5. De zaak is inmiddels geschikt. Interessant is nog de aanvullende motivering in ro. 3.5ook niet gezegd kan worden dat de vordering van Van der Weijde (al dan niet indirect) de strekking heeft dat een beslissing wordt genomen over besluiten van organen van de vennootschap...') nu er geen impasse in de besluitvorming is. Het enige dat Van der Weijde te kennen geeft is afstand te doen van iedere vorm van formele zeggenschap bij de besluitvorming van de vennootschap, aldus de Rotterdamse rechter. De vraag is of hij anders zou hebben geoordeeld indien Van der Weijde de uitstoting van de Franse medeaandeelhouder had gevorderd. In casu was het instellen van de vordering van art. 2:336 gezien het te geringe aandelenbezit (14%) van Van der Weijde overigens geen mogelijkheid. Bij uitstoting kan namelijk wel sprake zijn van impasse in de besluitvorming of kunnen de besluiten schadelijk voor het belang van de vennootschap danwel in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Met een oordeel over de uitstotingsvordering wordt dan eveneens (al dan niet indirect) een oordeel over 'de besluiten van de organen van de vennootschap gegeven'. Aan het `strekkingsvereiste' wordt voldaan. De uitstotingsvordering zou aldus onder de exclusieve rechtsmachtbepaling van art. 16 sub 2 EEX-Verdrag vallen.
De oplossing voor de hiervoor geschetste jurisdictiegeschillen kan gevonden worden door aan te nemen dat de geschillenregeling valt onder de exclusieve bevoegdheidsregel van art. 22 sub 2 EEX-Vo. Ongeacht de woonplaats van eiser en gedaagde, heeft het in dit artikel aangewezen gerecht rechtsmacht. Indien een geschil onder een van de vijf bijzondere categorieën valt, is de aldaar aangewezen rechter bij uitsluiting bevoegd.
De Rotterdamse rechtbank wilde hier in 2001 echter niet aan. Zij verklaarde zich onbevoegd om van een tegen een buitenlandse aandeelhouder ingestelde uittredingsvordering kennis te nemen.1
De Nederlandse minderheidsaandeelhouder van ESI BV (Van der Weijde Consulting BV) stelde dat het voortduren van haar aandeelhouderschap niet langer van haar kon worden gevergd. Het gedrag van de enige andere aandeelhouder (ESI Group SA, een vennootschap naar het recht van Frankrijk, gezeteld in Parijs) had haar belangen zodanig aangetast, dat zij geen andere uitweg dan de uittreding zag. Zo was de managementovereenkomst met Van der Weijde opgezegd, ontbrak een businessplan en waren door (indirect) toedoen van de meerderheidsaandeelhouder een agentuur- en distributieovereenkomst die met de vennootschap waren gesloten, opgezegd. De meerderheidsaandeelhouder verweerde zich vervolgens met de stelling dat de Rotterdamse rechtbank onbevoegd was om van de vordering kennis te nemen. Weliswaar was zij de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap waarin de aandelen werden gehouden (zie art. 2:343 lid 1 jo. 2:336 lid 3 BW), doch ESI Group SA diende als buitenlandse gedaagde voor de Franse rechter te worden opgeroepen. Haar woonplaats was in Frankrijk en de hoofdregel van art. 2 EEX-Verdrag behoorde toegepast te worden. De Rotterdamse rechtbank kwam geen rechtsmacht toe, aldus ESI Group SA. Deze exceptie van onbevoegdheid ging volgens eiseres Van der Weijde niet op. Zij betoogde dat de geschillenregeling onder 16 sub 2 EEX-Verdrag zou vallen.
De exclusieve bevoegdheidsregels van art. 16 EEX-Verdrag waar de eisende aandeelhouder een beroep op deed, zijn thans opgenomen in art. 22 EEX-Vo.2
Het exclusieve karakter van art. 22 EEX-Vo brengt mee dat de andere bevoegdheidsregels van de verordening niet gelden. Zo wordt afgeweken van de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo, en is het niet de rechter van de woonplaats van de verwerende partij die bevoegd is om over het geschil te oordelen. Ook ontbeert een door partijen gemaakte forumkeuze rechtsgevolg, indien hiermee inbreuk wordt gemaakt op de bevoegdheid van de aangewezen gerechten van art. 22 EEX-Vo, zie art. 23 lid 5 EEX-Vo. Zelfs een stilzwijgende forumkeuze (art. 24 EEX-Vo), waarvan kan worden uitgegaan zodra een verweerder verschijnt en dit niet doet met het enige doel de bevoegdheid van de rechter te betwisten, sorteert geen effect. De exclusieve bevoegdheid van art. 22 EEX-Vo wordt tot slot onderstreept door art. 25 EEX-Vo. Mocht een aangezochte rechter tot de conclusie komen dat het hem voorliggende geschil onder een van de categorieën van art. 22 EEX-Vo is te scharen, en hij vervolgens derhalve niet de bevoegde rechter is, dan dient hij zich ambtshalve onbevoegd te verklaren.3
Voor de geschillenregeling is sub 2 van art. 22 EEX-Vo van belang. De regel luidt:
`Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:
2. voor de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen met plaats van vestiging in een lidstaat, dan wel van de besluiten van hun organen: de gerechten van die lidstaat. Om deze plaats van vestiging vast te stellen, past het gerecht de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe (...)'
De plaats van vestiging moet de geadieerde rechter vaststellen aan de hand van de eigen ipr-regels. Voor Nederland geldt ingevolge art. 2 WCC het incorporatiestelsel, ook wel de leer van de statutaire zetel genoemd.4 Van belang is de plaats waar op grond van de statuten de zetel van de vennootschap is. Ziet de vordering één van de in sub 2 genoemde onderwerpen en heeft de vennootschap haar statutaire zetel in Berlijn, dan dient de Nederlandse rechter zich (ambtshalve) onbevoegd te verklaren, omdat naar Nederlands ipr de plaats van vestiging niet in Nederland, maar in Duitsland ligt.5
De ratio van het afwijken van de hoofdregel van art. 2 EEX-Vo ede rechter van de woonplaats van de gedaagde is bevoegd') is de `Gleichlaur van het op de vennootschap toepasselijke materiële recht en de beoordeling hiervan door de eigen rechter. Het op de vennootschap toepasselijke recht en de rechterlijke bevoegdheden lopen in de pas.6
Terug naar Van der Weijde/ESI. De Rotterdamse rechter schaarde zich aan de zijde van de Franse aandeelhouder. Hij oordeelde onomwonden dat een uittredingsvordering niet ziet op de geldigheid, nietigheid, ontbinding of voorbestaan van de vennootschap.7 Ook was van besluiten van een orgaan van de vennootschap geen sprake, nu ESI Group SA als meerderheidsaandeelhouder slechts een (beslissende) stem had bij de totstandkoming van de besluiten van de aandeelhoudersvergadering. De rechtbank ging nog een stap verder en vond dat, voor zover dit al van belang was voor de toepassing van art. 16 sub 2 EEX-Verdrag, de vordering niet de strekking had dat een beslissing wordt genomen over besluiten van organen van de vennootschap.8 Ik kan mij niet vinden in dit oordeel. Omdat `Gleichlaur is geboden, zou de rechter van de woonplaats van de vennootschap in dit soort situaties wel bevoegd moeten zijn of zich niet onbevoegd moeten verklaren.