Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.2.3.3.2
6.2.3.3.2 De directe begunstiging (via de stichting)
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232211:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals ik schreef in 3.4.1.5 acht ik ten aanzien van de krachtens de conversielast opgerichte stichting als al bestaand bij het openvallen van de nalatenschap. Tegelijkertijd ben ik echter van mening dat deze stichting geen erfgenaam kan zijn omdat niet wordt voldaan aan de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid als bedoeld in artikel 4:115 BW.
Asser/Sieburgh 6-III 2018/568, alwaar ook wordt opgemerkt dat bij het effectueren van het beding moet kunnen worden vastgesteld wie de bevoordeelde is. Het is mogelijk dat een krachtens een last op te richten stichting gerechtigd is tot de uitkering van een levensverzekering. Hierdoor loopt de verzekeraar het risico dat, bij het (vooralsnog) ontbreken van de begunstigde, hij de uitkering aan een (voorlopig) andere begunstigde doet. Mocht dat het geval zijn, dan hoeft de verzekeraar niet nogmaals uit te keren, maar kan hij zich beroepen op artikel 6:34 BW, vgl. Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/727. In een voorkomend geval zou het onder bewindstellen van de uitkering (artikel 7:966 lid 1 letter b BW) een passende oplossing kunnen zijn voor de tussentijdse onzekerheid. De instelling van een bewind geschiedt door een schriftelijke mededeling aan de verzekeraar. De mededeling kan niet bij uiterste wilsbeschikking omdat dat een ongerichte rechtshandeling is, Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3, p. 37. Zie over het onder bewind stellen van een recht op een levensverzekeringsuitkering, Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/725.
HR 17 december 1926, NJ 1927/p. 257.
Zie hierover Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/693.
HR 10 maart 1922, NJ 1922/p. 439, zie over dit arrest Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/720.
Voor de vraag naar de uitleg van begunstigingsclausules en de invloed van het erfrecht daarop, zie F.M.H. Hoens, ‘De verbroken relatie en begunstiging krachtens levensverzekering van de ex-partner’, TE 2006/6 en ‘Het notariaat en de invoering van het nieuwe (levens-)verzekeringsrecht. Deel II’, De Notarisklerk november 2006.
T.J. Mellema-Kranenburg, De legitieme portie (diss. Leiden, Ars Notariatus, deel XXXVII), Deventer: Kluwer 1988, p. 18, spreekt van een omgekeerd wilsrecht. Vgl. de aanvaarding van een legaat. Dat hoeft ook niet uitdrukkelijk te worden aanvaard (artikel 4:201 lid 1 BW). De levensverzekering waarbij de verzekeringnemer en de verzekerde dezelfde persoon is, vertoont wel meer overeenkomst met een legaat, maar is geen legaat, zie ook Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/707 en de verwijzing daar naar de regeling van artikel 4:126 BW (de zogenoemde ‘quasi-legatenregeling’).
Zie ook R. Zwitser, Rond art. 1376 BW: overeenkomsten gelden vanwege en dus tussen partijen (diss. Leiden), Leiden: 1984, p. 88, en ‘Het derdenbeding’, Kwartaalbericht Nieuw BW 1986, p. 74. Zwitser hanteert liever de term ‘verplichting’ dan het woord ‘last’, omdat het woord ‘last’ ten onrechte zou suggereren dat de prestatie aan de derde in wezen om niet geschiedt.
Een recht op een uitkering uit een levensverzekering ontstaat op het moment dat de begunstigde de begunstiging aanvaardt.1 Daardoor is bij de directe begunstiging van de bij dode opgerichte stichting de bestaanseis niet van toepassing en wel bij de indirecte begunstiging als erfgenaam. Een erfgenaam moet immers voldoen aan de bestaanseis uit artikel 4:56 BW.2 Daardoor zijn de mogelijkheden die de directe begunstiging biedt veel groter dan die van de indirecte begunstiging. De directe begunstiging is ook mogelijk ingeval de erflater gebruik wenst te maken van de mogelijkheid een last op te leggen tot oprichting van een stichting (artikel 4:130 BW), of als de conversielast van artikel 4:135 lid 2 BW van toepassing is. In deze gevallen is sprake van de oprichting van een stichting krachtens uiterste wilsbeschikking.
De directe begunstiging vormt een derdenbeding ten behoeve van de stichting. Dat een derdenbeding gemaakt kan worden ten behoeve van een nog niet bestaande derde, is onomstreden,3 ook als die derde een nog niet bestaande rechtspersoon is.4 Een verzekeringsmaatschappij mag een aanwijzing als begunstigde slechts weigeren als dit de nakoming van de uitkeringsverplichtingen uit de polis onredelijk zou bemoeilijken (artikel 7:966 leden 1 en 2 BW).5 Bij de aanwijzing van een bij dode opgerichte stichting tot begunstigde zal dit niet snel het geval zijn.
Naast de bijzondere bepalingen ten aanzien van een derdenbeding in een polis van levensverzekering uit artikel 7:966 BW en artikel 7:967 BW, is op elk derdenbeding artikel 6:253 lid 1 BW van toepassing.
Zolang de begunstiging niet is aanvaard, heeft de begunstigde niet meer dan een kans op een uitkering uit de levensverzekering.6 Hoe zit dat bij de bij dode opgerichte stichting? De bij dode opgerichte stichting ontstaat pas door het overlijden van de erflater. Ook ontstaat de vordering van de begunstigde op de verzekeringsmaatschappij eerst op het tijdstip van overlijden, of zoveel later als in de polisvoorwaarden is bepaald.7 Door het samenvallen van het tijdstip van ontstaan van de bij dode opgerichte stichting en het onherroepelijk worden van de begunstiging, speelt aanvaarding bij leven van de erflater niet. Hierdoor heeft de bij dode opgerichte stichting vanaf haar ontstaan zekerheid ten aanzien van de vraag of zij een uitkering ontvangt uit een levensverzekering.
Anders ligt dit natuurlijk als de bij dode opgerichte stichting niet de eerste begunstigde is. Als een ander dan de bij dode opgerichte stichting eerste begunstigde is, moet de stichting maar afwachten of de eerste begunstigde de begunstiging wel of niet aanvaardt. Zolang hierover geen zekerheid bestaat, heeft ook de bij dode opgerichte stichting als tweede of latere begunstigde, slechts een kans op uitkering op een levensverzekering. Hierbij dient bedacht te worden dat zodra de begunstiging ter kennis is gekomen van de begunstigde, deze geldt als aanvaard indien zij om niet is geschied.8 Daardoor is de kans dat een tweede of latere begunstigde alsnog de uitkering op de levensverzekering zal ontvangen, erg klein. De beperking tot de gevallen waarin de begunstiging om niet is geschied, houdt verband met de mogelijkheid om aan de begunstiging een last te verbinden.9