Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.4.1
6.4.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940780:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 67cc tot en met 67f AWR.
Hoewel er geen wettelijke definitie van (belasting)fraude bestaat, heeft de Staatssecretaris van Financiën wel aangegeven dat om van fraude te kunnen spreken, ‘in elk geval sprake moet zijn van opzet of grove schuld’, zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 juni 2021, V-N 2021/29.4.
Een uitzondering moet worden gemaakt voor de discussie omtrent de boetegrondslag bij de toepassing van de omkering van de bewijslast. Zie daaromtrent uitgebreid hoofdstuk 16. De vraag naar de doorwerking van de heffing als boetegrondslag kan voorts ook in andere opzichten leiden tot problemen, waarover nader in paragraaf 9.3.3.3. Dat laat echter onverlet dat de omschrijving van het kale beboetbare feit als zodanig nauwelijks interpretatiekwesties oproept.
In de praktijk vormen de elementen ‘opzet’ en ‘grove schuld’ de belangrijkste bewijsobjecten bij de fiscale bestuurlijke boete. Deze elementen worden ook wel aangeduid als schuldgradaties. De betreffende schuldgradaties komen alleen voor bij vergrijpboetes, waarop de hoogste maximum straffen zijn gesteld.1 Ook ten aanzien van de ernst van het gemaakte verwijt spannen de beide gradaties de kroon.2 Desondanks zijn beide schuldgradaties in wezen open normen: zij zijn niet nader in de wet omschreven. De precieze inkleuring is derhalve overgelaten aan de rechtsontwikkeling. Hoewel daaruit verschillende bruikbare richtsnoeren kunnen worden afgeleid, is er zeker geen sprake van mathematische grootheden. Hierin onderscheiden de schuldgradaties bij vergrijpboetes zich van de andere elementen van het beboetbare feit. Doorgaans bestaat er ten aanzien van die elementen weinig of geen discussie, omdat die elementen veel beter objectief zijn vast te stellen. Een omissie in de aangifte of in het betalingspatroon is bijvoorbeeld tamelijk eenvoudig te constateren, en biedt ook minder ruimte voor discussie.3
Uit deze omstandigheden volgt, dat in het merendeel van de fiscale bestuurlijke boetezaken (ook) de aan- of afwezigheid van opzet dan wel grove schuld ter discussie staat. De precieze inhoud en betekenis van de elementen opzet en grove schuld vormen echter niet het voorwerp van het onderhavige onderzoek. Dat voorwerp is het bewijsrecht zoals dat in al zijn facetten in de fiscale bestuurlijke boetesfeer geldt. De aanwezigheid van opzet of grove schuld is in dit licht niet meer dan een (bij vergrijpboetes) vereist element van de delictsomschrijving: opzet of grove schuld is (soms) een onderdeel van het bewijsobject. Hoewel een uitputtende studie naar de betekenis van de beide schuldgradaties het bestek van dit onderzoek dus te buiten gaat, is het naar mijn opvatting wel van belang om een goed inzicht te hebben in die betekenis. In veel rechtsvormende jurisprudentie over het bewijsrecht zoals dat geldt voor fiscale bestuurlijke boete speelt het bewijs van de elementen opzet of grove schuld een prominente rol. Voor een goed begrip van de betreffende jurisprudentie, die in het vervolg van dit onderzoek aan de orde komt, is een beknopt overzicht van de belangrijkste aspecten van opzet en grove schuld onontbeerlijk. In het vervolg van deze paragraaf zet ik deze uitgangspunten op een rij, waarbij ik waar mogelijk het perspectief van het bewijsrecht kies.