Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.1
3.3.1 Behoorlijke oproeping
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS303686:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Waard (1987), p. 246, maakt in dit verband gewag van het 'actieve' en 'passieve' aspect van het verdedigingsbeginsel: men heeft niet alleen het recht om (actief) informatie aan de rechter te verschaffen, maar tevens het recht om (passief) informatie te ontvangen over hetgeen waartegen men zich teweer heeft te stellen en het recht op voldoende gelegenheid voor de voorbereiding van de verdediging van het eigen standpunt.
Ook Dommering in zijn noot onder het Dombo-arrest (EHRM 27 oktober 1993, serie A, vol 274, NJ 1994, 534 (HJS en EJD)) geeft aan dat het uit art. 6 EVRM afgeleide hoor- en wederhoorbeginsel onderv andere betekent dat de procespartijen behoorlijk moeten worden opgeroepen.
HR 29 oktober 1982, NJ 1983, 196 (BW); HR 12 april 1991, NJ 1992, 215 (HJS). Zie ook HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242 (WHH en LWH), doch niet met een uitdrukkelijk beroep op art. 6 EVRM. Ook de hoger beroepsrechter dient te letten op een behoorlijke oproeping; zie HR 18 oktober 1996, NJ 1997, 67.1s dat niet gebeurd, en is daardoor de betrokkene niet in appel verschenen, dan kan deze - ondanks art. 426 lid 1 Rv, dat cassatie slechts toelaat aan 'degenen die in een der vorige instantiën is verschenen' - tóch bij de Hoge Raad terecht; zie HR 7 december 2001, NJ 2002, 38.
HR 9 juni 1989, NJ 1990, 56.1s men verschenen ondanks mogelijke gebreken in de betekening van het inleidend verzoekschrift, dan wordt zulks gesauveerd indien men door die gebreken niet in zijn verdediging is geschaad; zie HR 21 december 2001, NJ 2002, 282 (ThMdB), alsmede HR 13 juli 2007, NJ 2007, 409.
In HR 3 november 1995, RvdW 1995, 224 komt naar voren dat de oproeping slechts de naam van de op te roepen (rechts-)persoon hoeft te bevatten en niet ook de naam van degene die die rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt. Indien een medewerker van de rechtspersoon de oproep in ontvangst neemt, heeft een geldige oproep plaatsgevonden, ook al komt die oproep 'intern' niet terecht waar hij moet wezen.
In ontbindingszaken is een oproep per gewone brief van de werknemer onvoldoende, zo blijkt uit HR 29 september 2000, NJ 2001, 302 (PAS). De Hoge Raad verwijst daarbij naar A-G Spier die betoogt dat in een voor de werknemer zeer wezenlijke kwestie als ontbinding van de arbeidsovereenkomst in beginsel zelfs een kleine kans dat hij van de behandeling niet op de hoogte wordt gesteld, voldoende is voor strijd met het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor. In HR 30 maart 2001, NJ 2001, 303, meent A-G Wesseling-van Gent (onder 2.12) dat oproeping per aangetekend schrijven in een verzoekschriftprocedure eigenlijk wel het minste zou moeten zijn. Een onvoldoende geoordeelde oproeping van de werkgever in een ontbindingszaak betreft Rb. Zutphen 15 juli 1999, NJ 1999, 763: daar was het ontbindingsverzoek door de advocaat van de werknemer simpelweg aan de DAS-medewerker gestuurd die het dossier voor de werkgever behandelde.
Burg. Rv (E.L. Schaafsma-Beversluis), art. 279, aant. 8, alsmede art. 272, aant. 4 en 5.
Burg. Rv (E.L. Schaafsma-Beversluis), art. 272, aant. 3.
In dit verband zij ook verwezen naar HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 646, waarbij in een echtscheidingszaak betekening van het echtscheidingsverzoek ex art. 816 lid 1 Rv aan de procureur van de wederpartij in de voorafgaande procedure tot het treffen van voorlopige voorzieningen 'gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor dat dat voorschrift beoogt te dienen', niet voldoende wordt geacht in verband met de mogelijkheid dat de betreffende echtgenoot niet meer door de bewuste procureur wordt vertegenwoordigd.
Is er wel een oproep voor een voorafgaand verhoor, dan mag die oproep niet op zodanig korte termijn plaatsvinden dat dit verhoor door gebrek aan voorbereiding voor de ouder(s) een zinloze zaak wordt. Zie HR 26 maart 2004, NJ 2004, 637 OdB) waarin de Hoge Raad oordeelde dat i.c. de moeder aldus niet effectief had kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces en niet op een redelijke en toereikende manier de argumenten naar voren had kunnen brengen ten gunste van haar nadien ingenomen standpunt dat zij wel degelijk in staat was haar kind een behoorlijke zorg en bescherming te bieden; de Hoge Raad oordeelde evenwel dat uiteindelijk van strijd met (art. 6 en art. 8 van) het EVRM geen sprake was omdat de gebrekkige rechterlijke behandeling in eerste aanleg in hoger beroep kon worden hersteld, en toetsing aan de EVRM-bepalingen in haar geheel moeten worden bezien.
Haardt (1970), p. 145.
Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 136, alwaar ook een korte beschrijving van de systematiek van de Europese Betekeningsverordening en het Haags Betekeningsverdrag.
Zie bijv. HR 12 april 1996, NJ 1996, 451.
Zie HR 1 april 2005, NJ 2005, 348.
Zie ECRM 9 december 1981, 9099/80, DR 27, p. 209 e.v.
De Europese Betekeningsverordening van 31 mei 2001 voorziet in verzending van de dagvaarding aan de ontvangende instantie in het land waar gedaagde woont of verblijft (de 'aangezochte staat') in de officiële taal van de aangezochte staat, tenzij de gedaagde de Nederlandse taal begrijpt. Zie nader over de vertaling van stukken bij betekening volgens de EG-Betekeningsverordening, H.B. Krans in WPNR 200616655, p. 140-147.
Op gepaste wijze in de gelegenheid gesteld worden, betekent onder meer op correcte en begrijpelijke wijze op de hoogte gesteld worden van de inhoud van het geschil c.q. de zaak. Het recht om gehoord te worden veronderstelt met andere woorden een recht op een behoorlijke oproeping.1 Hoewel dit aspect bij mijn weten tot op heden nog niet als zodanig bij de Straatsburgse instanties aan de orde is gekomen, kan het wel uit het recht op een fair trial in de zin van art. 6 EVRM - en dan meer specifiek het recht om gehoord te worden - worden afgeleid.2
In procedures voor de Nederlandse rechter is het recht op een behoorlijke oproeping met een beroep op art. 6 EVRM wel reeds uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Door de Hoge Raad is in enkele verzoekschriftprocedures, (mede) met het oog op het recht van hoor en wederhoor, uitgemaakt dat de rechter zich ervan dient te vergewissen dat een behoorlijke, dat wil zeggen tijdige en overeenkomstig de ter zake geldende voorschriften gedane oproeping heeft plaatsgevonden, indien een partij in de procedure niet was verschenen.3 Heeft een behoorlijke oproeping plaatsgevonden, dan is de rechter niet verplicht zijn beslissing aan te houden en een nader onderzoek in te stellen omtrent de reden van dat niet verschijnen.4
De vraag is bij dit alles wat onder een behoorlijke oproeping dient te worden verstaan.
De wijze van oproeping met betrekking tot verzoekschriftprocedures in het algemeen is geregeld in art. 271-277 Rv. In beginsel worden verzoeker en verschenen belanghebbenden opgeroepen bij gewone brief (zie art. 271 Rv); niet in de procedure verschenen belanghebbenden worden in beginsel opgeroepen bij aangetekende brief (zie art. 272 Rv).5 De rechter kan echter in beide gevallen een andere wijze van oproeping bepalen.6
De wijze van oproeping van onbekende belanghebbenden is niet geregeld. Aannemelijk is dat dit dient te geschieden op een door de rechter te bepalen wijze, zoals het plaatsen van advertenties in een of meer dagbladen. Ook bij oproeping van belanghebbenden zonder bekende woon- of verblijfplaats ligt plaatsing van een of meerdere advertenties in dagbladen voor de hand.7 Voor verzoekers en belanghebbenden met bekende woon- of verblijfplaats buiten Nederland geldt ofwel - voor EUinwoners (met uitzondering van Denen) ingevolge art. 277 Rv - de EG-Betekeningsverordening, ofwel - voor niet-EU inwoners - het Rechtsvorderingsverdrag van 1905 of 1954 resp. het Haags Betekeningsverdrag 1965.8
Daarnaast kent de wet nog oproepingsbepalingen met betrekking tot specifieke vormen van rechtspleging, zoals in zaken betreffende het personen- en familierecht (art. 800 en art. 809 Rv voor niet-scheidingszaken; art. 816 Rv voor scheidingszaken dat voorschrijft de betekening van een afschrift van het echtscheidingsverzoek aan de wederpartij door een deurwaarder),9 in zaken van rechtspersonen (art. 995 Rv) en bij faillissement (art. 6 Fw; aangetekende oproep met bericht van ontvangst). Vermelding verdient dat in het bijzonder bij de maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing/voogdij oproeping (en horen) van ouders en de minderjarige achterwege kan blijven indien de maatregel niet afgewacht kan worden; verhoor vindt dan ingevolge art. 800 lid 3 Rv achteraf, binnen twee weken, plaats.10
In de civiele dagvaardingsprocedure is een behoorlijke oproeping in de eerste plaats een kwestie van partijen, of beter, van de ene partij ten opzichte van de andere. Dagvaarding geschiedt bij deurwaardersexploot en bevat de gegevens vermeld in art. 45 en art. 111 Rv. In art. 45 en art. 46 Rv wordt precies beschreven hoe het exploot uitgebracht moet worden, terwijl art. 48 e.v. Rv een opsomming bevatten van bijzondere wijzen van betekening voor bijzondere situaties.
De diversiteit en de in beginsel magere wijze van oproeping in verzoekschrift-procedures (namelijk bij gewone brief) steken af tegen de wijze van in kennis stellen in de dagvaardingsprocedure. Dit onderscheid lijkt mij niet goed verdedigbaar in het licht van art. 6 EVRM. Niet valt in te zien waarom in de dagvaardingsprocedure tal van waarborgen ingebouwd zijn opdat de gedaagde kennisneemt van de vordering, maar lichtere of verschillende maatstaven gehanteerd worden ten aanzien van verzoekers en belanghebbenden in verzoekschriftprocedures.
Doch ook op de dagvaardingsprocedure is wel wat aan te merken. Merkwaardig uit een oogpunt van hoor en wederhoor blijft een bepaling als art. 54 Rv (voorheen art. 4 onder 7 en 8 (oud) Rv), dat ten aanzien van hen die geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, uitgaat van openbare c.q. fictieve betekening. Haardt acht dit systeem - terecht - niet te verdedigen nu in veel gevallen een 'minimum van opsporingswerkzaamheden zijdens politie of bevolkingsregister of een aangetekende brief met bewijs van ontvangst uitkomst zouden kunnen brengen'. Onomwonden stelt hij: 'Wij maken de deurwaarderstussenkomst tot een comedie en doen afbreuk aan het beginsel "audi et alteram partem".'11 Men kan er inderdaad vraagtekens bij stellen of door de openbare resp. fictieve betekening wel alles in het werk wordt gesteld om de betrokkene in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.
Voor hen wier woonplaats of werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is, wordt een en ander 'rechtgetrokken' door de waarborgen voor de opgeroepene, neergelegd in de Europese Betekeningsverordening van 31 mei 2001 (bedoeld voor EUinwoners (behalve Denen), aan welke verordening gerefereerd wordt in art. 56 Rv) respectievelijk het Betekeningsverdrag van 15 november 1965 (voor niet-Europeanen en Denen, aan welk verdrag gerefereerd wordt in art. 55 Rv). In het bijzonder het Betekeningsverdrag wordt door Snijders, Ynzonides en Meijer beschreven als 'een eerbewijs voor het beginsel van hoor en wederhoor'.12
Op deze plaats zij nog gewezen op het belang van art. 69 Rv. Onder het tot 1 januari 2002 geldende recht leidde het kiezen van de verkeerde rechtsingang onverbiddelijk tot niet-ontvankelijkheid.13 Toch was niet in alle gevallen duidelijk welke rechtsingang gekozen moest worden. Om een verkeerde keuze (dagvaarding in plaats van verzoekschrift, of andersom) niet meer fataal te laten zijn, heeft de wetgever in het kader van een verdere deformalisering van het burgerlijk procesrecht in 2002 de wisselbepaling van art. 69 Rv geïntroduceerd: zodra de rechter merkt dat een zaak op het verkeerde spoor zit, moet hij de wissel omzetten. Ook als men pas in hoger beroep ontdekt dat een procedure in eerste aanleg verkeerd is ingeleid, kan een beroep op de wisselbepaling gedaan worden. De appelrechter die zulks niet honoreert (ook al was de procedure onder het oude recht aangevangen), handelt in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.14
Een laatste aspect van de behoorlijke oproeping betreft de taal van de oproeping. Volgens de Europese Commissie kan op partijen in civiele zaken in voorkomende gevallen de plicht rusten voor vertalingen van oproepingen te zorgen. Art. 6 lid 3 onder a EVRM, inhoudende dat een vervolgde persoon onverwijld op de hoogte moet worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging in een taal die hij verstaat, is slechts geschreven voor strafzaken. Dit sluit niet uit dat ook in civiele zaken, gezien de omstandigheden van het geval, naar analogie een beroep op dit artikellid gedaan zou kunnen worden.15 Dit zal met name van belang zijn bij oproepingen in het buitenland van buitenlandse (rechts-)personen,16 maar ik kan mij voorstellen dat zulks evenzeer geldt voor de dagvaarding van een buitenlandse (rechts-)persoon in Nederland waarvan de eiser bekend is dat deze de Nederlandse taal niet machtig is. Van belang is dat de gedagvaarde of opgeroepen persoon begrijpt waartegen hij zich heeft te verweren.