Hof Amsterdam, 31-10-2023, nr. 200.297.040/01
ECLI:NL:GHAMS:2023:2605
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
31-10-2023
- Zaaknummer
200.297.040/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2023:2605, Uitspraak, Hof Amsterdam, 31‑10‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:441
ECLI:NL:GHAMS:2021:3254, Uitspraak, Hof Amsterdam, 26‑10‑2021; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2023/469
ERF-Updates.nl 2023-0519
JERF Actueel 2021/462
Uitspraak 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
erfrecht; waardering langhuisboerderij; taxatie met inachtneming van de actuele huur of een marktconforme huur; meerwaardeclausule.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.297.040/01
zaaknummer rechtbank : C/15/292603 / HA ZA 19-541
arrest van de meervoudige familiekamer van 31 oktober 2023
inzake
1. [eiser sub 1] ,
wonende te [plaats A] ,
2. [eiser sub 2],
wonende te [plaats A] ,
3. [eiser sub 3],
wonende te [plaats B] ,
appellanten,
advocaat: mr. D.W.J. Leijs te Hilversum ,
tegen:
[gedaagde] ,
wonende te [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C. Boussidi te Amsterdam, voorheen M.C. Leenhouts te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna wederom [eiseres] c.s. en [gedaagde] genoemd.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 26 oktober 2021. Daarbij heeft het hof de incidentele vordering van [eiseres] c.s., primair tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis van 9 juni 2023, subsidiair tot bepaling dat aan de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis door [gedaagde] zekerheid moet worden verbonden, afgewezen. De beslissing over de proceskosten in dit incident heeft het hof aangehouden, zodat het hof hierover in dit arrest nog dient te beslissen. Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol van 7 december 2021 voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van [eiseres] c.s.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties, van de zijde van [eiseres] c.s.;
- memorie van antwoord, met producties, van de zijde van [gedaagde] .
Partijen hebben de zaak ter zitting van 17 november 2022 doen bepleiten door hun respectieve advocaten, mr. Leijs aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [eiseres] c.s. hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[eiseres] c.s. hebben - na wijziging van eis - geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog:
I de verdeling van de goederen van de nalatenschap van de op [in] 2014 overleden [erflaatster] primair zal vaststellen, subsidiair de wijze van verdeling zal gelasten op de navolgende wijze, meer subsidiair de wijze van verdeling te gelasten of de verdeling vast te stellen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren, hieronder begrepen het vaststellen van de waarde van de langhuisboerderij c.a.;
II zal bepalen dat het hof een deskundige aanwijst bestaande uit de makelaars (i) ID Makelaars B.V., gevestigd te 1213 VR Hilversum aan de Soesdijkerstraatweg 24, in de persoon van de heer P. van Schelven of een andere door deze makelaar aan te wijzen persoon, (ii) Vuister Makelaardij, gevestigd te 1231 CN Loosdrecht aan de Lindelaan 104 in de persoon van de heer mr. P.A.L. Vuister of een andere door deze makelaar aan te wijzen persoon en (iii) John Stuivenberg Makelaardij B.V., gevestigd te 1217 AN Hilversum aan de Van Hengellaan 2, in de persoon van de heer J.F.P. Stuivenberg of een andere door deze makelaar aan te wijzen persoon, althans een door het hof aan te wijzen makelaar, de opdracht krijgen/krijgt de langhuisboerderij c.a., staande en gelegen aan de [A-straat] , met zomerhuis en werkplaats, [B-straat] bekend [plaats A] , sectie C nummer [00] en [000] , te taxeren, leeg en vrij van huur, met als peildatum de datum van taxatie, en voor het overige met inachtneming van de uitgangspunten zoals neergelegd in het taxatierapport van taxateurs P. van Schelven, mr. P.A.L. Vuister en J.F.P. Stuivenberg van 29 januari 2021;
III voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat [gedaagde] binnen een door het hof te bepalen termijn heeft aangetoond dat hij financieel in staat is de langhuisboerderij c.a. voor de in het taxatierapport bepaalde waarde met inachtneming van zijn erfdeel te verwerven, de langhuisboerderij c.a. zal toedelen aan [gedaagde] tegen de door de aangewezen makelaars bepaalde taxatiewaarde, althans tegen een door het hof te bepalen waarde, en daarbij zal bepalen dat de levering uiterlijk drie maanden na dit arrest, althans op een door het hof te bepalen datum, zal plaatsvinden voor een notaris die verbonden is aan het kantoor van [A] , notaris te [plaats C] , waarbij [gedaagde] drie vierde (3/4) deel van de onder III genoemde taxatiewaarde stort op een door deze notaris aan te geven derdenrekening en voorts onder door deze notaris te bepalen voorwaarden;
IV voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat [gedaagde] de langhuisboerderij krijgt toebedeeld, en hij binnen vijftien jaar, althans een binnen een door het hof te bepalen periode, na dit arrest de langhuisboerderij c.a. verkoopt aan een derde, [gedaagde] zal gelasten tot nadere verrekening met [eiseres] c.s. over te gaan in die zin dat [gedaagde] aan [B] , aan [eiser sub 1] en aan [C] elk een kwart betaalt van het verschil tussen de door het hof bij arrest te bepalen waarde waarvoor [gedaagde] het goed krijgt toebedeeld en de op de datum van de koopovereenkomst door [gedaagde] gerealiseerde verkoopprijs, of voor een verkoopprijs door een makelaar alsdan bepaald, welke makelaar is benoemd door twee makelaars, één benoemd door [gedaagde] en de andere door [eiseres] c.s., wanneer laatstgenoemde verkoopprijs hoger is dan de door [gedaagde] gerealiseerde verkoopprijs;
V zal bepalen dat wanneer de onder III genoemde voorwaarde niet wordt vervuld en [gedaagde] op grond van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Alkmaar van 9 juni 2021, de langhuisboerderij c.a. heeft geleverd gekregen, [gedaagde] binnen een maand na betekening van dit arrest de langhuisboerderij c.a. dient terug te leveren aan de nalatenschap, waarbij de kosten voor de levering door [gedaagde] worden gedragen;
VI zal bepalen dat wanneer de onder III genoemde voorwaarde niet wordt vervuld de langhuisboerderij c.a. onder door het hof te bepalen voorwaarden toebedeeld zal worden aan [eiseres] c.s., zo zij dit alsdan wensen en bij gebreke hiervan, de langhuisboerderij na betekening van dit arrest zal worden verkocht aan een derde en [gedaagde] zal gelasten medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de langhuisboerderij c.a. in die zin dat [eiseres] c.s. aan een door hen aan te wijzen makelaar opdracht geven de langhuisboerderij c.a. te verkopen, waarbij deze makelaar de vraagprijs bepaalt en de laatprijs wordt bepaald op de onder III genoemde taxatiewaarde en vervolgens na de door voormelde makelaar te realiseren verkoop medewerking te verlenen aan de levering van de langhuisboerderij c.a. voor een notaris die verbonden is aan het kantoor van [A] te [plaats C] en te doen al hetgeen deze notaris geraden acht te doen ter zake van de levering van de onroerende zaak;
VII zal bepalen dat wanneer de onder III genoemde voorwaarde niet wordt vervuld [gedaagde] uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit arrest het door hem in gebruik zijnde gedeelte nr. [4] en de werkplaats zal ontruimen en ontruimd houden;
VIII zal bepalen dat wanneer de woning aan een derde wordt verkocht de netto opbrengst van de verkoop wordt gestort op de ervenrekening en dat [gedaagde] tezamen met [eiseres] c.s. binnen veertien dagen nadat de koopsom is gestort op de ervenrekening aan een notaris die verbonden is aan het kantoor van [A] , notaris te [plaats C] , opdracht zullen geven een akte van verdeling te verlijden waarbij met inachtneming van dit arrest alle tot de nalatenschap behorende goederen en schulden in de verdeling worden betrokken, en [gedaagde] zal gelasten te doen al hetgeen deze notaris geraden acht te doen ter zake van deze akte van verdeling;
IX [gedaagde] zal veroordelen na betekening van dit arrest en uiterlijk op de datum van het verlijden van de onder VI vermelde akte van verdeling de foto’s en andere zaken die hij onder zich heeft en die betrekking hebben op het familieleven af te geven aan [eiseres] c.s. onder de verplichting voor [eiseres] c.s. [gedaagde] in de gelegenheid te stellen hiervan kopieën te vervaardigen: het betreft, niet limitatief, diploma’s van vader, gereedschap van vader, administratie waaronder Rabobank afschriften van vader, fotoalbums van vader en erflaatster;
X een dwangsom zal verbeuren van € 150,- per dag voor iedere dag dat [gedaagde] , na betekening van dit arrest, weigert aan de uitvoering van het onder II, III, IV, V, VI, VII, VIII of IX mee te werken;
XI dit arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren;
XII [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, al dan niet onder verbetering van de gronden, met veroordeling van [eiseres] c.s. in de kosten van beide instanties.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten en procesverloop
2.1.
De rechtbank heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 26 augustus 2020 onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.
2.2.
Partijen zijn de kinderen van [erflaatster] (hierna: erflaatster), overleden te [plaats A] op [in] 2014, en ieder voor een gelijk (1/4) aandeel erfgenaam in haar nalatenschap. Tot de nalatenschap behoort, voor zover in dit hoger beroep van belang, een onroerend goed, te weten een zogeheten langhuisboerderij, gesplitst in een aantal woningen, plaatselijk bekend als [A-straat] nummers [1] , [2] , [3] en [4] met werkplaats ( [B-straat] bekend als gemeente [plaats A] , sectie C, nummer [00] en het bijbehorende zomerhuis ( [B-straat] bekend als gemeente [plaats A] , sectie C nummer [000] ) .
2.3.
[gedaagde] bewoont met zijn gezin de woning met nummer [4] . Verder gebruikt [gedaagde] de werkplaats bedrijfsmatig. Zowel het zomerhuis als de nummers [1] , [2] en [3] zijn verhuurd aan derden.
2.4.
Bij tussenvonnis van 26 augustus 2020 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de navolgende vragen:
1. Op welk bedrag waardeert u – met inachtneming van de vigerende huurovereenkomsten – per datum van de taxatie de waarde in het economisch verkeer van de langhuisboerderij, plaatselijk bekend als [A-straat] nummers [1] , [2] , [3] en [4] met werkplaats ( [B-straat] bekend als gemeente [plaats A] , sectie C nummer [00] ) en het bijbehorende zomerhuis ( [B-straat] bekend als gemeente [plaats A] , sectie C nummer [000] ) (hierna tezamen aangeduid als langhuisboerderij c.a.);
2. Kunt u daarbij aangeven welke waarde aan het geheel kan worden toegekend en welke waarde aan de afzonderlijke wooneenheden, het zomerhuis en de werkplaats?
3. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn.
Als deskundige zijn benoemd: P.A.L. Vuister, J.F.P Stuivenberg en P. van Schelven.
De rechtbank heeft verder in rechtsoverweging 4.10 nog overwogen dat zij geen aanleiding ziet om tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis toe te staan.
2.5.
Het taxatierapport van de deskundigen is gedateerd 29 januari 2021. De deskundigen hebben bij het tot stand komen van de waardering rekening gehouden met de huidige huursituatie. De opgegeven huurinkomsten zijn als uitgangspunt genomen. De in het taxatierapport genoemde marktwaarde betreft die in verhuurde staat en wel voor het getaxeerde in zijn geheel. De berekening van de marktwaarde op basis van de huidige huurinkomsten leidt echter tot een (lager) bedrag dan dat er naar mening van de taxateurs gelet op de marktontwikkeling / schaarste in de huidige woningmarkt mogelijk door een belegger voor het geheel in verhuurde staat zal worden betaald. Daar de taxateurs van mening zijn dat de opgegeven actuele huurinkomsten niet realistisch (meer) zijn, hebben zij een tweede berekening van de marktwaarde in verhuurde staat uitgevoerd op basis van volgens hen thans reële / marktconforme huuropbrengsten. Verder zijn de taxateurs op basis van de hun bekende feiten alsook de actuele situatie van mening dat aan de afzonderlijke wooneenheden, het zomerhuis en de werkplaats geen separate waardering kan worden toegekend. Het getaxeerde perceel / de getaxeerde percelen zijn niet [B-straat] gesplitst. In de huidige opzet zal voor afzonderlijke wooneenheden geen markt zijn. Concluderend kennen de taxateurs aan de onroerende zaak bij de actuele huur een marktwaarde toe van € 615.000,-, en bij een marktconforme huur een marktwaarde van € 730.000,-.
2.6.
Bij het bestreden eindvonnis van 9 juni 2021 is het aandeel van [eiseres] c.s. in de langhuisboerderij c.a. toegedeeld aan [gedaagde] , onder de verplichting om wegens overbedeling de (over)waarde van het aandeel van [eiseres] c.s. aan hen te vergoeden, uitgaande van een aan de langhuisboerderij c.a. toe te kunnen waarde van € 615.000,-. De verdeling van de nalatenschap is gelast ten overstaan van mr. [D] , notaris te [plaats D] . Partijen zijn gelast hun medewerking te verlenen aan de verdere afwikkeling van de nalatenschap en de kosten van de notaris bij helfte te dragen. De proceskosten zijn gecompenseerd.
2.7.
Bij vonnis in kort geding van 25 januari 2022 van de rechtbank Noord-Holland zijn [eiseres] c.s. op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag tot een maximum van € 50.000,- veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verdeling zoals deze is gelast bij voormeld vonnis van 9 juni 2021, waaronder het tekenen van de door de notaris opgestelde verdelingsakte en het ontvangen van gelden op de door hen op te geven rekeningnummers binnen één week na daartoe te zijn opgeroepen door de notaris.
3. Beoordeling
Vooraf
3.1.
[eiseres] c.s. zijn op 26 november 2020 in hoger beroep gekomen van het in deze zaak op 26 augustus 2006 door de rechtbank gewezen tussenvonnis. Het hof heeft [eiseres] c.s. bij arrest van 20 april 2021 niet-ontvankelijk verklaard, daartoe overwegende dat van een tussenvonnis, tenzij in het tussenvonnis anders is bepaald, niet eerder hoger beroep kan worden ingesteld dan gelijk met het eindvonnis. [eiseres] c.s. zijn vervolgens na het eindvonnis niet alleen van dat vonnis maar ook van het tussenvonnis in hoger beroep gekomen.
3.2.
[eiseres] c.s. hebben vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd die het hof hierna zal bespreken, zo mogelijk gezamenlijk. [eiseres] c.s. hebben daarnaast hun vorderingen in hoger beroep enigszins gewijzigd. Zij lijken daarbij voort te bouwen op hetgeen in eerste aanleg is gevorderd en hebben daaraan onder andere een zogenaamd meerwaardebeding toegevoegd. Uitgangspunt in hoger beroep is dat het een partij vrijstaat in de memorie van grieven zijn eis te wijzigen, ook als dat betekent dat slechts in één feitelijke instantie op dat onderdeel zal worden beslist. Hetgeen [gedaagde] als bezwaren aanvoert – ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat en er wordt anders slechts in een instantie beslist – is dus onvoldoende (gemotiveerd) om van dat uitgangspunt af te wijken.
De grieven
3.3.
Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 26 augustus 2020 dat geen aanleiding bestaat om tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis toe te staan, alsmede tegen hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 2.6 van het eindvonnis van 9 juni 2021 heeft overwogen, namelijk dat de rechtbank in het tussenvonnis van 26 augustus 2020 een bindende eindbeslissing heeft genomen voor wat betreft de vraag of waardering dient plaats te vinden op grond van een marktconforme huur (standpunt) [eiseres] c.s.) of op basis van de bestaande huur (standpunt [gedaagde] ), waarop niet kan worden teruggekomen.
3.4.
Het hof overweegt dat grief I, waarin bezwaren tegen de procesgang in eerste aanleg (waaronder de beslissing van de rechtbank om niet terug te komen op een bindende eindbeslissing in een eerder tussenvonnis) naar voren worden gebracht, zelfstandige betekenis mist en daarom faalt. Zelfs indien de bezwaren van [eiseres] c.s. in hoger beroep terecht worden opgeworpen, dan nog kan dat, gezien de herkansingsfunctie van het hoger beroep, geen zelfstandige grond voor vernietiging van het bestreden vonnis opleveren. [eiseres] c.s. kunnen, zoals zij ook hebben gedaan in de grieven II en III, hun standpunt omtrent de wijze van waardering wederom in hoger beroep bepleiten. Ook de bedoelde eindbeslissing door de rechtbank kunnen zij ter discussie stellen. Of de rechtbank ten onrechte geen tussentijds hoger beroep heeft toegestaan dan wel niet is teruggekomen op haar bindende eindbeslissing, wordt door het hof om die reden in het midden gelaten. [eiseres] c.s. missen dus belang bij een afzonderlijke beoordeling van grief I.
3.5.
Het hof zal de grieven II en III van [eiseres] c.s. gezamenlijk bespreken. Grief II van [eiseres] c.s. richt zich tegen het tussenvonnis van 26 augustus 2020 waarin de rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te zien om de bestaande huurverhoudingen met betrekking tot de afzonderlijke onderdelen van de langhuisboerderij c.a. in het kader van de waardering buiten beschouwing te laten. Grief III richt zich tegen de toedeling van de langhuisboerderij c.a. aan [gedaagde] tegen een waarde van € 615.000,-.
3.6.
[eiseres] c.s. stellen (in de toelichting op grief III) dat in algemene zin de waarde van de langhuisboerderij c.a. in verhuurde staat kan worden aangenomen, maar dat er in dit geval feiten en omstandigheden zijn die maken dat een waarde in verhuurde staat strijd oplevert met de redelijkheid en billijkheid die de deelgenoten jegens elkaar in acht hebben te nemen. Kern van het betoog van [eiseres] c.s. is dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat als waarde van de langhuisboerderij c.a. tussen hen gold de waarde leeg en vrij van huur, waarmee [gedaagde] het eens was. Volgens [eiseres] c.s. heeft [gedaagde] in het verleden voorgesteld om het zomerhuis dat bij de langhuisboerderij c.a. hoort op te knappen, zodat erflaatster daarheen kon verhuizen en [gedaagde] kon verhuizen van nummer [5 ] naar nummer [4] . [gedaagde] zou respectievelijk € 400,- en € 250,- per maand huur blijven betalen voor de woning en werkplaats en te zijner tijd, na het overlijden van erflaatster, zou hij in de gelegenheid zijn het geheel voor de waarde leeg en vrij van huur te verwerven. In de loop der jaren zijn verschillende – uiteenlopende - taxaties uitgevoerd, mede in verband met de aangifte erfbelasting. Notaris mr. [E] , die in 2009 de nalatenschap van de vader van partijen had begeleid, heeft vervolgens partijen begeleid als onpartijdig deskundige. Een en ander resulteerde in een taxatie op 12 juli 2016 die uitkwam op een bedrag van € 680.000,-, leeg en vrij van huur. [eiseres] c.a. stellen zich op het standpunt dat zij destijds op het punt van toedeling van de langhuisboerderij c.a. in onverhuurde staat aan [gedaagde] overeenstemming hebben bereikt, althans wanneer [gedaagde] de financiering rond kon krijgen.
3.7.
[gedaagde] betwist de stellingen van [eiseres] c.s. Hij ontkent dat partijen destijds overeenstemming hebben bereikt over taxatie in onverhuurde staat. Volgens [gedaagde] heeft hij in 2016 hiertegen bezwaar gemaakt, maar is hij om een doorbraak te forceren in de afwikkeling van de nalatenschap, akkoord gegaan met de - vervolgens gelaste – driemans-taxatie. Die taxatie kwam uit op € 680.000,-, met welke waarde [eiseres] c.s. niet akkoord waren. Partijen hebben (voorts) onderhandeld over welke bedragen met de koopprijs zouden moeten worden verrekend. [gedaagde] heeft in 2016 geschreven dat juridisch gezien de waarde in bewoonde staat had moeten worden opgenomen in het taxatierapport, maar dat hij als genereus aanbod bereid was het pand in onbewoonde staat over te nemen, waarbij hij eenmalig aanbood het onroerend goed te kopen op basis van de onbewoonde staat, vrij van schulden maar met verrekening van de door hem gemaakte en gespecificeerde kosten. [eiseres] c.s. zijn op dat voorstel niet ingegaan, zodat er geen overeenstemming was, aldus [gedaagde] .
3.8.
[eiseres] c.s. hebben de door [gedaagde] geschetste gang van zaken onvoldoende gemotiveerd betwist. Partijen hebben vanaf medio 2016 tot november 2016 onder begeleiding van de notaris Van der Wilt geprobeerd in onderling overleg tot een regeling te komen. Daarbij was een taxatie op basis van onbewoonde staat een onderdeel waarop [gedaagde] wilde toegeven, maar is het partijen uiteindelijk toch niet gelukt er uit te komen. De feitelijke gang van zaken blijkt uit de producties 9, 10 en 11 bij dagvaarding en de reactie op deze feitelijke gang van zaken als door [gedaagde] geschetst bij conclusie van antwoord onder 30 tot en met 36, onder verwijzing naar de daarbij gevoegde producties 13 tot en met 22. Gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde producties over dit onderwerp concludeert het hof dat - anders dan [eiseres] c.s. stellen - in 2016 geen overeenstemming is bereikt over de voorwaarden en de prijs waartegen [gedaagde] de langhuisboerderij c.a. toegedeeld zou krijgen. Onder de geschetste omstandigheden kunnen [eiseres] c.s. [gedaagde] dan ook niet houden aan overname tegen een waarde leeg en vrij van huur.
3.9.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 26 augustus 2020 overwogen geen aanleiding te zien om de bestaande huurverhoudingen met betrekking tot de afzon-derlijke onderdelen van de langhuisboerderij c.a. in het kader van de waardering buiten beschouwing te laten. Dit geldt, aldus de rechtbank, eens te meer nu eventuele verkoop van (onderdelen van) de langhuisboerderij c.a. in beginsel geen gevolgen heeft voor bestaande huurovereenkomsten. In het eindvonnis van 9 juni 2021 heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat de deskundigen ook een taxatie hebben uitgevoerd op basis van een meer marktconforme huur, geen steun vindt in de aan hen in het tussenvonnis voorgelegde vraagstelling. Omdat partijen ook op ander vlak de bevindingen van de deskundigen niet inhoudelijk hebben bestreden, heeft de rechtbank de langhuisboerderij c.a. in de beoordeling betrokken voor een waarde van € 615.000,-.
3.10.
Ook voor het hof is de feitelijke situatie uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag voor welke waarde de langhuisboerderij c.a. in de verdeling dient te worden betrokken. De feitelijke situatie is zo dat onderdelen van de langhuisboerderij al jaren worden verhuurd en dat de huurders huurbescherming genieten. Onder die omstandigheden is er voor het hof geen aanleiding uit te gaan van hogere huren dan die daadwerkelijk worden ontvangen en dus ook niet van een andere waarde dan die de rechtbank in aanmerking heeft genomen. Evenmin ziet het hof aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van een andere, hogere waarde dan door de deskundigen in verhuurde staat aangegeven. [eiseres] c.s. hebben onvoldoende gesteld om het beroep op de redelijkheid en billijkheid die de deelgenoten in acht hebben te nemen te doen slagen. In 2016 hadden partijen de overname door [gedaagde] kunnen bezegelen tegen een waarde van € 680.000,-, waarbij [gedaagde] zou worden gecompenseerd voor het opknappen van delen van de onroerende zaken. [eiseres] c.s. hebben daarmee niet ingestemd. Het hof is van oordeel dat zij zich thans, zeker nu duidelijk is dat de diverse onderdelen van de langhuisboerderij c.a. niet afzonderlijk zijn te verkopen, niet kunnen beroepen op een andere hogere waarde dan is vastgesteld op basis van de feitelijke situatie. Het hof ziet verder geen aanleiding te twijfelen aan het deskundigenrapport als zodanig en de grieven richten zich ook niet tegen het rapport of de deskundigheid van de deskundigen als zodanig. De door [eiseres] c.s. uitgewerkte rekenvoorbeelden in de memorie van grieven zijn dan ook niet relevant. De grieven II en III falen.
3.11.
Grief IV richt zich tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [eiseres] c.s. tot afgifte van foto’s en andere zaken. De rechtbank heeft overwogen dat [eiseres] c.s. geen gemotiveerde stellingen hebben betrokken op basis van welke grondslag [gedaagde] gehouden is tot afgifte. Bovenal is de vordering onvoldoende specifiek en te vaag van aard, aldus de rechtbank. In hoger beroep stellen [eiseres] c.s. dat het zaken zijn die betrekking hebben op het familieleven, waarbij [gedaagde] in de gelegenheid wordt gesteld kopieën te vervaardigen. Het betreft meer specifiek maar niet limitatief diploma’s van vader, gereedschap van vader, administratie waaronder Rabobankafschriften van vader, fotoalbums van vader en erflaatster. [gedaagde] stelt dat hij bereid is genoemde zaken zoals foto’s, diploma’s, administratie en gereedschap over te dragen aan [eiseres] c.s., die dan meteen kopieën van de laatste afschriften van de ervenrekening aan [gedaagde] kunnen doen toekomen.
3.12.
Wat er zij van de standpunten van partijen, [eiseres] c.s. hebben ook in hoger beroep de grondslag van hun vordering tot afgifte niet onderbouwd. De enkele stelling dat het zaken zijn die betrekking hebben op het familieleven, is daartoe onvoldoende. Voorts acht het hof de wijze waarop [eiseres] c.s. in hoger beroep hun vordering onderbouwen nog steeds te vaag en onvoldoende bepaald. Zo is onduidelijk welke diploma’s moeten worden afgegeven, om hoeveel jaren administratie het gaat, op welk gereedschap van vader de vordering ziet, etc. Indien het hof deze onbepaalde vordering zou toewijzen is de volgende bron van geschil tussen partijen geboren. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dan ook bekrachtigen, zodat grief IV faalt. Dat neemt niet weg dat het [gedaagde] vrij staat de door hem genoemde zaken aan [eiseres] c.s. over te dragen, zoals hij ook ter mondelinge behandeling heeft aangeboden.
3.13.
In grief V stellen [eiseres] c.s. dat de rechtbank ten onrechte hun bewijsaanbod heeft afgewezen. In hoger beroep doen [eiseres] opnieuw een bewijsaanbod, evenals [gedaagde] .
3.14.
Het hof overweegt dat, gelet op het falen van alle grieven van [eiseres] c.s. als besproken in het voorgaande, geen aanleiding bestaat tot het horen van getuigen. De meest relevante vraag die in hoger beroep beantwoord diende te worden, is die naar de (wijze van) waarde(ring) van de langhuisboerderij. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de door partijen aangedragen standpunten. Nu partijen in 2016 geen overeenstemming hebben bereikt, gaat het over de huidige feitelijke situatie die na de taxatie bij wege van deskundigenbericht, uitgevoerd door de drie taxateurs die [eiseres] c.s. nota bene hebben aangedragen, duidelijk is. Het bewijsaanbod van beide partijen wordt derhalve gepasseerd. Ook grief V faalt.
3.15.
[eiseres] c.s. vorderen ten slotte nog – kort gezegd – te bepalen dat [gedaagde] met [eiseres] c.s. alsnog een bedrag dient af te rekenen, indien hij de langhuisboerderij c.a. verkoopt binnen 15 jaar, althans een door het hof te bepalen termijn
3.16.
Met betrekking tot de gevorderde meerwaardeclausule overweegt het hof als volgt. De huurverhouding van [gedaagde] met het onroerend goed is, naast de andere verhuurde onderdelen, (mede) bepalend geweest als waardedrukkende factor van de langhuisboerderij c.a. Met andere woorden, met de toedeling tegen de waarde in verhuurde staat profiteert [gedaagde] (nogmaals) van het voordeel dat hij al geniet, omdat hij als huurder voor een relatief gering bedrag een deel van de onroerende zaken kan gebruiken. Bovendien kan een verhoging van de huur van de aan derden verhuurde onroerende zaken van grote invloed zijn op de waarde. Onder die omstandigheid acht het hof het redelijk dat, indien [gedaagde] de langhuisboerderij c.a. verkoopt tegen een waarde hoger dan € 615.000,- binnen vijf jaar na heden, aanleiding bestaat [eiseres] c.s. ieder voor één vierde (1/4e) deel te laten meedelen in die hogere waarde, waarbij dan wel nog geldt dat van de verkoopprijs eerst nog afgetrokken worden de eventuele investeringen in de onroerende zaken (anders dan regulier onderhoud), die [gedaagde] na de toedeling aan hem heeft gedaan.
Slotsom
3.17.
De slotsom van het voorgaande is dat alle grieven van [eiseres] c.s. falen, zodat de toedeling van de langhuisboerderij c.a. aan [gedaagde] tegen een waarde van € 615.000,- in stand blijft. De vorderingen van [eiseres] c.s. die zien op een andere (wijze van) verdeling worden dan ook afgewezen. Het hof is van oordeel dat de vordering strekkende tot het opnemen van een zogenaamd meerwaardebeding in de gegeven omstandigheden – onder een nader aangegeven voorwaarde en voor een duur van vijf jaren – dient te worden toegewezen.
3.18.
Gelet op de familieverhoudingen tussen partijen is er aanleiding de proceskosten van het hoger beroep te compenseren op na te melden wijze. Er is geen aanleiding tot een kostenveroordeling zoals over en weer gevorderd. Het voorgaande geldt tevens voor de kostenveroordeling in het incident. Ook deze kosten zullen worden gecompenseerd als na te melden.
4. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
bepaalt - in aanvulling daarop - dat, indien [gedaagde] binnen vijf jaar na heden de langhuisboerderij c.a. verkoopt aan een derde tegen een waarde hoger dan € 615.000,-, [eiseres] c.s. alsdan ieder recht hebben op een vierde (1/4e ) deel van het meerdere boven dit bedrag, waarbij heeft te gelden dat van de verkoopprijs eerst nog worden afgetrokken de eventuele investeringen die [gedaagde] in de langhuisboerderij c.a. (anders dan regulier onderhoud) vanaf de toedeling aan hem tot aan de datum verkoop en transport heeft gedaan;
verklaart voormelde bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten zowel in het incident als in het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, H.A. van den Berg en R.M. Troost en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023.
Uitspraak 26‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Incident ex artikel 351 Rv tot schorsing van de tenuitvoerlegging, subsidiair ex artikel 235 Rv tot zekerheidstelling. Vordering afgewezen.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.297.040/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/15/292603 / HA ZA 19-541
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 oktober 2021
inzake
1. [appellant sub 1] ,
wonend te [woonplaats] ,
2. [appellant sub 2],
wonend te [woonplaats] ,
3. [appellante sub 3],
wonend te [woonplaats] ,
appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. D.W.J. Leijs te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellanten] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 18 juni 2021 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 26 augustus 2020 en het eindvonnis van 9 juni 2021 van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [appellanten] als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie.
[appellanten] hebben bij incidentele conclusie, met een productie, gevorderd, primair, dat het hof op de voet van artikel 351 Rv de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis zal schorsen, subsidiair, dat het hof op de voet van artikel 235 Rv zal bepalen dat aan de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis de voorwaarde wordt verbonden dat [geïntimeerde] voor een bedrag van € 162.500,- zekerheid dient te stellen, althans voor een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, kosten rechtens.
[geïntimeerde] heeft daarop bij conclusie, met producties, geantwoord en geconcludeerd dat het hof de incidentele vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incident.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
2. Beoordeling
in het incident
2.1.
Het gaat hier - samengevat en voor zover voor het incident van belang - om het volgende.
2.1.1.
Op [overlijdensdatum] 2014 is mevrouw [X] (hierna: erflaatster) overleden. [geïntimeerde] en [appellanten] zijn de kinderen van erflaatster en ieder voor een gelijk aandeel (1/4) erfgenaam in haar nalatenschap. Tot de nalatenschap behoort onder meer een zogenoemde langhuisboerderij, gesplitst in een aantal woningen plaatselijk bekend als [adres] nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] met werkplaats en het bijbehorende zomerhuis (hierna: de langhuisboerderij c.a.). [geïntimeerde] bewoont met zijn gezin de woning met nummer [nummer] en hij heeft de werkplaats bedrijfsmatig in gebruik. Zowel het zomerhuis als de nummers [nummer] , [nummer] en [nummer] zijn verhuurd aan derde partijen. De langhuisboerderij c.a. is onverdeeld gebleven.
2.1.2.
[geïntimeerde] heeft, onder meer, (subsidiair) gevorderd dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, op de voet van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling van de gemeenschap waarin de erven deelgenoot zijn, vaststelt of zelf de verdeling vaststelt. [appellanten] hebben in reconventie eveneens (primair) gevorderd dat de rechtbank (ook bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis) de verdeling van de goederen van de nalatenschap vaststelt. Partijen zijn verdeeld over de vraag over de wijze waarop de langhuisboerderij c.a. dient te worden getaxeerd. Volgens [geïntimeerde] dient deze in verhuurde staat te worden getaxeerd, terwijl [appellanten] uitgaan van een lege staat, vrij van huur.
2.1.3.
Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank met instemming van partijen onderzoek door een deskundige bevolen en een deskundige benoemd. Aan de deskundige is, onder meer, de vraag voorgelegd op welk bedrag deze de waarde in het economisch verkeer van de langhuisboerderij c.a. waardeert, met inachtneming van de vigerende huurovereenkomsten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij, samengevat, geen aanleiding ziet om de bestaande huurverhoudingen met betrekking tot de afzonderlijke onderdelen van de langhuisboerderij c.a. in het kader van de waardering daarvan buiten beschouwing te laten, zoals door [appellanten] wordt voorgestaan.
2.1.4.
Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank - kort samengevat - in conventie en in reconventie:
- het aandeel van [appellanten] in de langhuisboerderij c.a. toegedeeld aan [geïntimeerde] , onder de verplichting om wegens overbedeling de (over)waarde van het aandeel van [appellanten] aan hen te vergoeden, uitgaande van een aan de langhuisboerderij c.a. toe te kennen waarde van € 615.000,-;
- de verdeling gelast van de nalatenschap ook ten aanzien van de overige boedelbestanddelen ten overstaan van een bij dit vonnis benoemde notaris;
- partijen gelast hun medewerking te verlenen aan de verdere afwikkeling van de nalatenschap;
- bepaald dat partijen de kosten van de notaris bij helfte dienen te dragen.
De rechtbank heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Bij de bepaling van de waarde van de langhuisboerderij c.a. heeft de rechtbank de door haar bij het bestreden tussenvonnis benoemde deskundige gevolgd, met dien verstande dat de rechtbank is uitgegaan van de door de deskundige getaxeerde marktwaarde op basis van de actuele huur. In zijn deskundigenbericht heeft de deskundige daarnaast opgenomen dat de marktwaarde op basis van een meer marktconforme huur € 730.000,- bedraagt.
2.2.
Ter onderbouwing van hun incidentele vordering hebben [appellanten] , kort gezegd, het volgende aangevoerd. Naar [appellanten] hebben begrepen is [geïntimeerde] voornemens om uitvoering te geven aan het bestreden eindvonnis. Op dat moment eindigt de gemeenschap van de nalatenschap en kan [geïntimeerde] de langhuisboerderij c.a. leveren aan een derde. Een dergelijke gang van zaken maakt de procedure in hoger beroep illusoir. Aan doorlevering zonder onherroepelijke uitspraak zijn voor [appellanten] grote financiële risico’s verbonden. Partijen hebben afgesproken dat de waarde van de langhuisboerderij c.a. leeg en vrij van huur zou zijn, in het geval dat [geïntimeerde] deze wilde verwerven. In de procedure in eerste aanleg hebben [appellanten] aangeboden om deze stelling te bewijzen. De rechtbank is daaraan echter zonder deugdelijke motivering voorbij gegaan, hetgeen een kennelijke misslag oplevert. [appellanten] hebben vanaf aanvang betoogd dat zij [geïntimeerde] het door hem bewoonde gedeelte van de langhuisboerderij c.a. “gunnen”, maar wel tegen de tussen hen overeengekomen waarde. In de visie van [appellanten] bedraagt de waarde van de langhuisboerderij c.a. € 1.200.000,-; de in eerste aanleg benoemde deskundige heeft de waarde uitgaande van een marktconforme huur bepaald op € 730.000,-. Wanneer het hof de waarde bepaalt op een van deze genoemde bedragen, bestaat de kans dat [geïntimeerde] niet in staat zal zijn om die te kunnen financieren. Ervan uitgaande dat [geïntimeerde] een bedrag van € 615.000,- kan financieren, dient hij - voor dat geval en indien het hof de executie van het bestreden eindvonnis niet schorst -zekerheid te stellen voor een bedrag van in totaal € 162.500,- (€ 125.000,-, te vermeerderen met 30% rente en opslag), althans een bedrag zoals het hof in goede justitie zal bepalen, aldus [appellanten]
2.3.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.4.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
2.5.
Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er omstandigheden zijn die meebrengen dat hun belang bij behoud van de bestaande situatie zolang niet op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis. Daartoe acht het hof het volgende redengevend. [appellanten] hebben gesteld dat de rechtbank van een te lage waarde van de langhuisboerderij c.a. is uitgegaan en dat dit bij doorlevering aan een derde gedurende de loop van de procedure in hoger beroep financiële risico’s oplevert. [geïntimeerde] heeft echter, onderbouwd met stukken, gesteld dat hij [appellanten] reeds de garantie heeft gegeven dat hij tijdens de procedure in hoger beroep niet tot levering aan een derde zal overgaan. Hierop hebben [appellanten] niet meer kunnen reageren, maar deze stelling dient, zo nodig, te worden gezien als een door [geïntimeerde] aan [appellanten] gedane toezegging waaraan hij in beginsel is gebonden. Om die reden zijn de voormelde stellingen van [appellanten] onvoldoende voor toewijzing van de onderhavige incidentele vordering. Voor het geval het hof de waarde van de langhuisboerderij c.a. op een hogere waarde zou vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan, zal alsdan moeten worden beoordeeld in hoeverre [geïntimeerde] in staat zal zijn aan een daarop gebaseerde (hogere) verplichting wegens overbedeling gevolg te geven en welke termijn hem daarvoor moet worden gegund. Uit het voorgaande volgt dat teruglevering dan nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Verder is niet gebleken dat het bestreden tussenvonnis op een kennelijke - feitelijke of juridische - misslag berust. Daartoe is immers ten minste vereist dat reeds op het eerste gezicht, dus zonder relevant nader feitelijk of juridisch onderzoek, zonder meer duidelijk is dat een feitelijk of juridisch oordeel in een bepaalde rechtsoverweging of in het dictum onjuist is. Dit kan niet worden gezegd over het oordeel van de rechtbank dat, ondanks het door [appellanten] gestelde, bij de bepaling van de waarde van de langhuisboerderij c.a. niet van de leegwaarde dient te worden uitgegaan, aangezien [geïntimeerde] uitdrukkelijk heeft betwist dat partijen die wijze van waardering zijn overeengekomen. Een en ander vergt nader onderzoek, waarvoor in dit incident geen plaats is. Op grond van al het voorgaande oordeelt het hof dat er geen - door [appellanten] aangevoerde - omstandigheden zijn die kunnen rechtvaardigen dat van het hiervoor onder 2.4. opgenomen uitgangspunt wordt afgeweken, zodat de incidentele vordering van [appellanten] tot schorsing van de tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
2.6.
Bij de beoordeling van de subsidiaire vordering tot zekerheidstelling gelden op overeenkomstige wijze de maatstaven die hiervoor onder 2.4. zijn geformuleerd (zoals ook blijkt uit het genoemde HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
2.7.
[appellanten] leggen aan hun vordering tot zekerheidstelling dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag als aan hun vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging. Ook bij de beoordeling van die vordering dienen de belangen van partijen te worden afgewogen. Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt er in dit geval toe dat ook deze afweging in het nadeel van [appellanten] uitvalt. Aan het belang van [appellanten] bij de door hen verlangde zekerheidstelling komt niet meer gewicht toe dan aan het belang van [geïntimeerde] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden eindvonnis zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Op deze grond zal de subsidiaire incidentele vordering tot zekerheidstelling worden afgewezen.
2.8.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.9.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van [appellanten] Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 7 december 2021 voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van [appellanten] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2021.