Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.3.2:13.3.2 Vervreemding aandelen in het zicht van liquidatie vennootschap
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/13.3.2
13.3.2 Vervreemding aandelen in het zicht van liquidatie vennootschap
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS459000:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de toelichting op de (eerste) nota van wijziging Tweede Kamer. Kamerstuknr. 24 761, nr. 8, blz. 15.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.2 is reeds aangegeven dat art. 31, derde lid, Wet IB als doel heeft claimverlies te voorkomen, indien de aandelen in het zicht van liquidatie van de vennootschap worden vervreemd aan een ander dan een binnenlandse belastingplichtige particulier. Art. 25, achtste lid, onderdeel a, Wet IB bepaalt iets soortgelijks met betrekking tot de zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen, zijnde winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen. Doordat de vernieuwd vormgegeven bron 'winst uit aanmerkelijk belang' per 1 januari 1997 op een geheel eigen wijze omvattend is geregeld in afdeling 2a van hoofdstuk II van de Wet IB, waarvoor de bron 'inkomsten uit vermogen' niet langer relevant is, heeft dit tevens tot gevolg gehad dat er met ingang van genoemde datum een sfeerovergang is bijgekomen, t.w. de overgang van de aandelen naar de aanmerkelijkbelangsfeer.
Als gevolg van deze additionele sfeerovergang naar de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' sedert 1 januari 1997 is bij eerste nota van wijziging in art. 31, derde lid, Wet IB aan het slot toegevoegd '(...) en niet behoren tot een aanmerkelijk belang.' Dit betekent dat met ingang van 1 januari 1997 vervreemding van aandelen in het zicht van liquidatie van de vennootschap aan een binnenlandse belastingplichtige particulier bij wie de aandelen gaan behoren tot een aanmerkelijk belang, eveneens de toepassing van art. 31, derde lid, Wet IB oproept bij de verkopende particuliere aandeelhouder. Deze uitbreiding van art. 31, derde lid, Wet IB met de aanmerkelijkbelangsfeer was noodzakelijk om, gedacht vanuit de inkomstenuitvermogensfeer, geen lek in de belastingheffing te laten ontstaan. De aanmerkelijkbelanghouder wordt bij liquidatie van de vennootschap immers belast voor het verschil tussen de liquidatie-uitkering(en) en zijn subjectieve verkrijgingsprijs (art. 20c, vijftiende lid, Wet IB, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.2.2) en niet langer voor het verschil tussen de liquidatie-uitkering^en) en het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal (art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB). Vanuit de optiek van de bron 'inkomsten uit vermogen' zou aldus op eenvoudige wijze de liquidatieheffing van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB kunnen worden ontgaan door de aandelen in een vennootschap welke in liquidatie is getreden of binnenkort in liquidatie zal treden, te vervreemden aan iemand bij wie de aandelen tot het aanmerkelijk belang gaan behoren.1 Dit betekent dat bij vervreemding van de aandelen en winstbewijzen aan een aandeelhouder bij wie de aandelen en winstbewijzen tot een aanmerkelijk belang gaan behoren, de verkopende aandeelhouder wordt geconfronteerd met belastingheffing over het verschil tussen zijn vervreemdingsprijs en het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal.