Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/4.3.2
4.3.2 Het Beklamel-arrest
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS346094:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nr. 5 in het arrest van het hof.
Zie r.o. 3.2.
Zie bijvoorbeeld de constaterende opmerkingen van Timmerman 1996, p. 134 en Timmerman 1991, p. 197; Verstijlen 1994, p. 704 die de in Beklamel bevestigde norm ook dienstbaar acht als beoordelingskader voor het handelen van de faillissementscurator en Van der Vlught 1993.
Gedoeld wordt op HR 5 september 2014, NJ 2015/22 m.nt. P. van Schilfgaarde (RCI Financial Services/Kastrop).
HR 5 september 2014, NJ 2015/22 m.nt. P van Schilfgaarde (RCI Financial Services/Kastrop).
Het arrest betrof het klassieke geval van een vennootschap die een koopovereenkomst sluit die zij niet kan nakomen omdat zij niet in staat blijkt te zijn de koopprijs te voldoen. Stimulan B.V. (hierna: de wederpartij) had diervoeder geleverd aan Beklamel B.V. (hierna: Beklamel) waarvan Beklamel op vordering niet in staat bleek de overeengekomen koopsom te betalen. De bestuurder (tevens enig aandeelhouder) had hierop een onderhoud met de wederpartij en partijen kwamen overeen dat het voeder zou worden doorverkocht aan een door de wederpartij aan te wijzen partij, kennelijk met de bedoeling om de wederpartij te voldoen uit de door de derde aan Beklamel te betalen koopprijs. Conform de afspraak werd het voeder doorverkocht aan een partij die, zoals later bleek, in een rechtsbetrekking stond met Beklamel, aangezien zij zich rechtsgeldig op verrekening kon beroepen ten aanzien van de vordering tot betaling van de koopprijs terzake van het voeder. Toen Beklamel enkele maanden later failliet werd verklaard, bleef de wederpartij met lege handen achter en sprak hij hierop de bestuurder van Beklamel aan. De grondslag van de vordering vormde de onrechtmatige daad die er volgens de wederpartij onder meer in bestond dat de bestuurder goederen had gekocht van de wederpartij ‘terwijl hij moet hebben geweten dat Beklamel haar verplichtingen uit hoofde van die koopovereenkomst niet kon nakomen’. In de grief, die zich keerde tegen de afwijzing van de vordering door de rechtbank, werd door de wederpartij aangevoerd dat de beoordeling van het handelen van de bestuurder in dit geval diende plaats te vinden aan de hand van de vraag of de bestuurder bij het aangaan van de litigieuze koopovereenkomst voldoende serieus kon menen dat Beklamel de uit die koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen kon voldoen.1 Deze formulering van de norm, waarin de perspectieven van nakoming in plaats van niet-nakoming centraal staan, vond geen genade bij het hof noch de Hoge Raad.
Het hof oordeelde dat de norm waaraan het gedrag van de bestuurder in dit geval diene te worden getoetst, luidde of de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst als bestuurder van Beklamel wist of er niet aan behoefde te twijfelen dat Beklamel niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen én geen verhaal zou bieden voor de schade die de wederpartij ten gevolge van de wanprestatie zou lijden. Het hof liet de twee onderdelen, namelijk de (geobjectiveerde) wetenschap van de niet-nakoming en de (geobjectiveerde) wetenschap van de daaruit voortvloeiende schade, cumuleren in de toe te passen norm. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat was ingesteld tegen dit door het hof gehanteerde criterium en overwoog dat het hof een juiste maatstaf had aangelegd bij de beoordeling van het handelen van de bestuurder met dien verstande dat de objectivering van de wetenschap tot uitdrukking diende te worden gebracht in de term ‘redelijkerwijze behoorde te begrijpen’.2
Aan de beschouwingen in de literatuur waarin deze uitspraak wordt genoemd, is te bemerken dat deze niet als hemelbestormend werd beschouwd, maar integendeel gezien werd als de bevestiging van een bestaande, eerder in de (lagere) rechtspraak reeds toegepaste zorgvuldigheidsnorm.3 Wel vormt de uitspraak een mijlpaal in de zin dat sinds dit arrest de door ons hoogste rechtscollege geaccordeerde norm als beoordelingskader dient voor de aansprakelijkheid van de bestuurder bij het aangaan van verplichtingen namens de vennootschap.
Uit de bespreking van de rechtspraak die vóór het Beklamel-arrest gold, blijkt dat de door de Hoge Raad gehanteerde tweeslag in Beklamel niet altijd als zodanig werd toegepast. In de lagere rechtspraak en in de literatuur stond lange tijd het eerste onderdeel centraal, namelijk het aangaan van verplichtingen in de (geobjectiveerde) wetenschap dat de vennootschap deze niet zal nakomen. Het vereiste van wetenschap dat de vennootschap bovendien óók geen verhaal zou bieden voor de ontstane schade is een belangrijke toevoeging die in de tot dan aan de orde gekomen zaken waarschijnlijk niet tot een ander oordeel had geleid, maar die een kleine vijfentwintig jaar later cruciaal bleek te zijn. In dat arrest,4 dat in het kader van hoofdstuk 6 uitgebreid wordt behandeld, oordeelde de Hoge Raad dat voor aansprakelijkheid niet voldoende is dat de bestuurder wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap de gesloten overeenkomst niet zou kunnen nakomen, maar dat daarnaast dient vast te staan dat die wetenschap ook betrekking had op het verhaal terzake van de door de wanprestatie veroorzaakte schade.5
Dat de wetenschap van de niet-nakoming onvoldoende is voor aansprakelijkheid omdat de bestuurder ook de daaruit voortvloeiende verhaalsschade moet hebben (kunnen) voorzien zegt mijns inziens iets over de plaats die de bestuurdersaansprakelijkheid volgens de Hoge Raad in dit kader toekomt naast de aansprakelijkheid van de vennootschap.