Zie onder meer: HR 9 januari 1998 (LJN: ZC2538), NJ 1998, 456 m.nt. F.C.B. van Wijmen en HR 3 november 2000 (LJN: AA8079), NJ 2000, 717. Zie voorts: Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. C.2.2 op art. 5 (W. Dijkers). De problemen als gevolg van de geleidelijk uitgebreide inwerkingtreding van art. 7:464 BW kunnen m.i. in deze zaak onbesproken blijven.
HR, 26-03-2010, nr. 10/00281
ECLI:NL:HR:2010:BL4089
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
26-03-2010
- Zaaknummer
10/00281
- Conclusie
Mr. F.F. Langemeijer
- LJN
BL4089
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL4089, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 26‑03‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL4089
ECLI:NL:PHR:2010:BL4089, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑02‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL4089
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
BJ 2010/27
Uitspraak 26‑03‑2010
Inhoudsindicatie
BOPZ. Voorlopige machtiging voor opname in psychiatrische inrichting en verblijf voor de duur van zes maanden. Geneeskundige verklaring in overeenstemming met wettelijke vereisten? (art. 81 RO).
26 maart 2010
Eerste Kamer
10/00281
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 439609/09.7609F van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2009.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 maart 2010.
Conclusie 12‑02‑2010
Mr. F.F. Langemeijer
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Amsterdam
1.
Deze Bopz-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Bij beschikking van 19 oktober 2009 heeft de rechtbank te Amsterdam een voorlopige machtiging verleend om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven voor de duur van zes maanden. Namens betrokkene is — tijdig — beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2.
Middel I klaagt dat rechtens onjuist is dat, althans onbegrijpelijk is waarom, de rechtbank de machtiging heeft verleend hoewel de geneeskundige verklaring van 22 september 2009 niet aan de wettelijke voorschriften voldoet. Die verklaring vermeldt dat de onderzoekende psychiater de behandelend psychiater [betrokkene 1] heeft geraadpleegd. Volgens het middel heeft betrokkene gesteld dat zij nooit bij [betrokkene 1] in behandeling is geweest, noch door haar is onderzocht. Daarom had de onderzoekend psychiater niet mogen volstaan met het enkele noemen van [betrokkene 1] als behandelend psychiater zonder verdere motivering van de behandeling die heeft plaatsgevonden.
3.
De klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit niets — ook niet uit het proces-verbaal van de zitting — blijkt dat door of namens betrokkene bij de rechtbank dit standpunt naar voren is gebracht. Bovendien mist betrokkene belang bij deze klacht, omdat de beschikking van de rechtbank is gebaseerd op de resultaten van het psychiatrisch onderzoek door [betrokkene 2], die de geneeskundige verklaring heeft ondertekend, en op de ter zitting van haar verkregen aanvullende informatie. Volgens de geneeskundige verklaring heeft [betrokkene 2] inlichtingen ingewonnen bij de psychiater [betrokkene 1]. Deze had de collegiale brief van 24 augustus 2009 (aanvraag beoordeling voor het verkrijgen van een voorlopige machtiging) medeondertekend. Zelfs indien [betrokkene 1] in de geneeskundige verklaring ten onrechte door [betrokkene 2] zou zijn aangeduid als behandelend psychiater van betrokkene — dit vergt een onderzoek naar de feiten, waarvoor in cassatie geen plaats is —, zou geen rechtsregel de rechtbank beletten haar beslissing mede te gronden op de geneeskundige verklaring en de aanvullende informatie van [betrokkene 2]. Tot nadere motivering op dit punt was de rechtbank niet gehouden. Middel I faalt.
4.
Middel II klaagt dat onjuist is, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, dat de rechtbank de machtiging heeft verleend hoewel noch [betrokkene 1] noch [betrokkene 2] heeft voldaan aan de in art. 7:448 in verbinding met art. 7:464 BW neergelegde verplichting tot het informeren van de patiënt over het onderzoek met het oog op de geneeskundige verklaring.
5.
Ook deze klacht stuit af op het feit dat een daartoe strekkend verweer niet is gevoerd in de procedure bij de rechtbank. Ook inhoudelijk faalt de klacht. Het middel kiest tot uitgangspunt dat ook bij handelingen op het gebied van de geneeskunst anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst een arts ingevolge het bepaalde in art. 7:448, leden 1 en 2, in verbinding met art. 7:464, lid 1, BW gehouden is de patiënt op een duidelijke wijze, desgevraagd schriftelijk, in te lichten over het voorgenomen onderzoek1.. Het handelen van [betrokkene 1] stond in dit geding niet ter beoordeling van de rechtbank. Voor wat betreft het psychiatrisch onderzoek van [betrokkene 2], heeft de rechtbank op grond van (blz. 6 van) de geneeskundige verklaring tot het oordeel kunnen komen dat deze arts voldoende moeite heeft gedaan om te trachten betrokkene met informatie over het voorgenomen onderzoek te bereiken. Betrokkene weigerde blijkbaar medewerking aan het psychiatrisch onderzoek. Middel II faalt. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.
6.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑02‑2010