Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/V.5.2
V.5.2 Inhoud van de mededeling (I): wat moet worden medegedeeld?
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS358772:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor § V.3.
In de praktijk zal deze vraag meestal niet tot problemen hoeven te leiden, aangezien het in de meeste gevallen mogelijk zal zijn de identiteit van de cedent en de cessionaris te vermelden en de te cederen vordering in de mededeling dusdanig te omschrijven, dat het de schuldenaar duidelijk zal zijn welke vordering wordt overgedragen.
Aldus, wat betreft dit laatste: MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395.
Anders voor wat betreft het laatste: Reijnen 1993, p. 199.
Zie nr. 455. Zie verder: NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 398, alsmede Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 260; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 349; Reehuis 2004, nr. 81 en Verhagen & Rongen 2000, p. 33. Anders: Van Es 2010, p. 147-148.
Zie HR 19 september 1997, NJ 1998, 689 (Verhagen q.q./INB II), r.o. 3.4: “Naar het huidige recht wordt de schuldenaar voldoende beschermd doordat volgens art. 3:94 BW voor de levering van de vordering tevens vereist is dat de akte hemwordt meegedeeld” (curs. MHER). En HR 27 november 2009, JOR 2010, 43, m.nt. Frielink (World Online), r.o. 4.4.1: “Voor de geldigheid van de levering bij een (openbare) cessie is ingevolge art. 3:94 lid 1 BW tevens mededeling van de akte aan de debiteur nodig”. Zie voorts: Hof Amsterdam 7 oktober 2008, JOR 2009/12, m.nt. Hoff (Stichting Via.Claim/Fortis en Euronext); Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154, m.nt. Den Boogert (World Online) en Sector kanton Rb. Arnhem 29 april 2011, NJF 2011/272 (Lindorff Purchase) die overwegen dat de inhoud van de akte aan de schuldenaar moet worden medegedeeld en Rb. Utrecht 3 februari 2010, JOR 2010/140, m.nt. Biemans (Kraamzorg/Fa-Med), die oordeelt dat geen mededeling hoeft te worden gedaan van de inhoud van de akte, maar wel van het opmaken daarvan. Zie ook: Rb. ’s-Gravenhage 11 augustus 2004, JOR 2004/312 (International Card Services/Bos & Van der Burg).
Het feit dat de mededeling zelf een constitutief onderdeel is van de levering hoeft aan deze uitleg niet af te doen. Ik zie niet in waarom het niet mogelijk zou zijn om mee te delen dat de vordering geleverd wordt, waarbij de mededeling onderdeel van deze levering is. Kennelijk anders: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 279; Vermogensrecht (Van Es), Art. 94, aant. 13.1 en Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 349. Vgl. hierover ook: Reehuis 2004, nr. 82.
Daartegen pleit evenwel dat de Hoge Raad in het arrest World Online (r.o. 4.4.1) overweegt dat volgens art. 3:94 lid 1 BW mededeling van de akte moet worden gedaan, dat de mededeling blijkens de parlementaire geschiedenis niet nauwkeurig de inhoud van de akte behoeft weer te geven en dat uit dit een en ander moet worden afgeleid dat de mededeling in ieder geval de naam van de cedent, die immers partij bij de akte is, moet vermelden. Voor de onderbouwing van zijn oordeel dat de mededeling de naam van de cedent dient te vermelden, neemt de Hoge Raad dus tot uitgangspunt dat mededeling moet worden gedaan van de akte. De Hoge Raad wijst vervolgens echter ook op de belangen van het rechtsverkeer en de belangen van de schuldenaar (zie hierna: nr. 454). Hierin is mijns inziens de werkelijke (rechtseconomische) motivering voor het oordeel te vinden.
Ook uit lagere jurisprudentie blijkt dat deze eis niet altijd wordt gesteld. Zie o.a.: Hof Amsterdam 25 januari 2007, LJN: BA5936 (Euro Sales Finance) en Rb. Haarlem 5 april 2006, LJN: AV8714 (Nedamfa Finans/Vomar Voordeelmarkt). Anders: Hof Amsterdam 7 oktober 2008, JOR 2009/12, m.nt. Hoff (Stichting Via.Claim/Fortis en Euronext); Rb. Utrecht 3 februari 2010, JOR 2010/140, m.nt. Biemans (Kraamzorg/Fa-Med) en Sector kanton Rb. Arnhem 29 april 2011, NJF 2011/272 (Lindorff Purchase).
Zie Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 279 en Vermogensrecht (Van Es), Art. 94, aant. 13.1. Vgl. ook: Reehuis 2004, nr. 82. Het standpunt van Reehuis is echter niet duidelijk: “Volstaan kan worden met mededeling van de inhoud van de akte, namelijk levering van de vordering door de cedent aan de cessionaris”. Niet duidelijk is of Reehuis van mening is dat de “inhoud van de akte” wordt medegedeeld door de mededeling dat de vordering wordt geleverd of dat daarvoor meer nodig is. In het eerste geval is de opvatting van Reehuis gelijk aan die van mij.
Zie MvA, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395.
Zo ook: Van Es 2010, p. 147. Indien de mededeling van cessie wordt gedaan door de cessionaris, zou de mededeling van aanvaarding van de cessie-akte besloten liggen in het feit dat de cessionaris de mededeling verricht.
Zie WPNR 5280 (1974), p. 681.
Zie NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 398.
Vgl. ook: Rank 1992, p. 15-16.
De minister merkt het volgende op: “De mededeling behoeft niet nauwkeurig de inhoud van de akte weer te geven; slechts op verzoek van de betrokken personen moet hun een uittreksel van de akte en titel ter hand worden gesteld”. Zie MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395. Uit de verwijzing naar het bepaalde in het huidige art. 3:94 lid 4 BW (het documentatierecht van de schuldenaar) zou kunnen worden afgeleid dat de minister van mening is dat de mededeling in het geheel niet naar de (inhoud van de) akte behoeft te verwijzen, aangezien de schuldenaar om een uittreksel van akte en titel kan verzoeken.
Vgl. ook: nr. 542. Evenmin ligt het in de rede om de minimumeis die Mijnssen aan de mededeling wenst te stellen wel te aanvaarden in geval van een mededeling die na het opmaken van de akte plaatsvindt, maar deze eis niet te stellen aan een mededeling die aan de akte voorafgaat.
Voor alle duidelijkheid merk ik op dat de mededeling niet behoeft te vermelden dat cedent en cessionaris de vordering tegelijk met de mededeling of eerst in de toekomst wensen over te dragen. Voldoende is de mededeling dat de vordering wordt overgedragen. De precieze modaliteiten van de overdracht behoeven niet te worden vermeld (zie ook hierna).
Zie Hof Arnhem 9 juni 1998, r.o. 5.3, te kennen uit NJ 2001, 46. Vgl. Vermogensrecht (Van Es), Art. 94, aant. 13.1.
Aldus terecht: Hof Amsterdam 22 juli 2004, NJF 2004/586 (Fa-med/Esen). Vgl. evenwel ook: Rb. Utrecht 3 februari 2010, JOR 2010/140, m.nt. Biemans (Kraamzorg/Fa-Med).
In deze zin ook: Verhagen & Rongen 2000, p. 34 en (zij het op andere gronden) Rank 1992, p. 16. Zoals vermeld, is er wel sprake van een mededeling van cessie in de zin van art. 3:94 lid 1 BW, indien de verklaring inhoudt dat de vordering op een nader aan te geven tijdstip wordt overgedragen.
Vgl. ook: Beuving 1996, p. 40 en Beuving 2001, p. 15. Dit is anders indien het gelet op de omstandigheden van het geval voor de schuldenaar duidelijk was dat hij de mededeling als een mededeling van cessie moest opvatten.
Zie nr. 425.
Vgl. Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 261 en Reehuis 2004, nr. 82. Zie Hof Amsterdam 22 juli 2004, NJF 2004/586 (Fa-med/Esen), r.o. 4.7.
Anders: Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 349; Steneker 2008, p. 653; Rank-Berenschot 1997a, p. 33; Hof Amsterdam 7 oktober 2008, JOR 2009/12, m.nt. Hoff (Stichting Via.Claim/Fortis en Euronext); Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154, m.nt. Den Boogert (World Online) en Rb. Amsterdam 21 september 2005, JOR 2005/279, m.nt. Raas (Stichting Via.Claim/Fortis Bank e.a.). Mogelijk moet anders worden aangenomen voor de mededeling van cessie van een consumentenkredietvordering in de zin van titel 7.2A BW (consumentenkredietovereenkomsten), indien met de mededeling tevens wordt beoogd te voldoen aan de informatieplicht van art. 7:69 lid 2 BW. Zie hiervoor: nr. 435.
Zie evenwel het documentatierecht dat de schuldenaar op grond van art. 3:94 lid 4 BW toekomt.
Hierbij zij opgemerkt dat het ook mogelijk is de cessie te laten plaatsvinden aan een rechtspersoon in oprichting.
Het betreft hier dan situaties waarin de mededeling aan het opmaken van de cessie-akte voorafgaat. In het laatste geval hoede men zich ervoor dat de mededeling niet inhoudt dat de vordering mogelijk zal worden overgedragen (zie hiervoor).
De mededeling kan overigens inhouden dat de schuldenaar tot nader bericht aan de cedent dient te blijven betalen.
Vgl. ook het documentatierecht van art. 3:94 lid 4 BW.
Zie HR 27 november 2009, JOR 2010, 43, m.nt. Frielink (World Online), r.o. 4.4.1. Zie daarnaast: Hof Amsterdam 7 oktober 2008, JOR 2009/12, m.nt. Hoff (Stichting Via.Claim/Fortis en Euronext); Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154, m.nt. Den Boogert (World Online); Rb. Amsterdam 21 september 2005, JOR 2005/279, m.nt. Raas (Stichting Via.Claim/Fortis Bank e.a.), alsmede de conclusie van A-G Timmerman voor het eerstgenoemde arrest, LJN: BH 2162, onder nrs. 5.1.9, 5.1.13, 5.1.15 en 5.1.17.
Zie r.o. 4.4.2.
Zie hiervoor: § V.3.2 en § V.3.3.
Daarvoor is niet altijd vereist dat de identiteit van de cedent met zoveel woorden wordt vermeld. Voldoende is dat de mededeling dusdanige gegevens bevat, dat het voor de schuldenaar, zonder onevenredig veel moeite, mogelijk is kennis te nemen van de identiteit van de cedent. Dit lijkt ook de benadering van de Hoge Raad te zijn, zie r.o. 4.4.2: “…dient de mededeling van de cessieakte aan de schuldenaar in ieder geval de in de cessieakte vermelde naam van de cedent te bevatten. Dit brengt mee dat de schuldenaar zonder onevenredige moeite moet kunnen vaststellen door wie de vorderingen op hem zijn overgedragen.”
Zie nrs. 488, 493 en 495.
Zie NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 398, alsmede Pitlo/Reehuis, Heisterkamp 2006, nr. 260; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 349; Reehuis 2004, nr. 81 en Verhagen & Rongen 2000, p. 33. Anders: Van Es 2010, p. 147-148 en Ophof 1993, p. 856.
Aldus: Verhagen & Rongen 2000, p. 34 en Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 349. Anders: Rank 1992, p. 15 en mogelijk ook: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 279.
Zie Verhagen & Rongen 2000, p. 33.
Indien de schuldenaar is medegedeeld dat de overdracht op een bepaald tijdstip in de toekomst zal plaatsvinden of op een nader aan te geven tijdstip, maar de cessieakte tot stand komt voor het aan de schuldenaar medegedeelde tijdstip, dan wel voor het moment waarop de schuldenaar van het tijdstip van overdracht op de hoogte wordt gesteld, en aan de overige eisen voor overdracht is voldaan, zal op dat moment de overdracht onmiddellijk plaatsvinden, mits cedent en cessionaris een onmiddellijke overdracht beogen. Het plaatsvinden van de overdracht is enkel afhankelijk van de wilsovereenstemming tussen de cedent en de cessionaris en het vervuld raken van de leveringsformaliteiten (en de overige vereisten van overdracht). Het gegeven dat het aan de schuldenaar medegedeelde tijdstip nog niet is aangebroken of het tijdstip van overdracht hem nog niet is medegedeeld, doet daaraan niet af. Ook het feit dat de cessie-akte pas tot stand komt na het aan de schuldenaar medegedeelde tijdstip van overdracht, staat er niet aan in de weg dat de overdracht van de vordering met de aanvaarding van de cessie-akte door de cessionaris wordt voltooid.
Dit lijkt ook te kunnen worden afgeleid uit het documentatierecht van art. 3:94 lid 4 BW dat immers vooronderstelt dat de schuldenaar niet op de hoogte is gebracht van de modaliteiten van de overdracht.
In MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 395, wordt opgemerkt dat de mededeling niet nauwkeurig de inhoud van de akte behoeft weer te geven. Door sommigen (o.a. Mijnssen) wordt hieruit afgeleid dat de mededeling naar de inhoud van de akte dient te verwijzen, zij het niet nauwkeurig. In deze opvatting zou de mededeling mogelijk wel enige modaliteiten van de cessie moeten vermelden (de vraag is dan welke) en dient zij vermoedelijk ook naar waarheid te geschieden. Zoals ik in nr. 450 heb verdedigd, dient deze opvatting te worden verworpen. Voldoende is dat mededeling wordt gedaan van de levering als zodanig.
Vgl. HR 19 september 1997, NJ 1998, 689, m.nt. WMK (Verhagen q.q./INB II), r.o. 3.4, waar de Hoge Raad opmerkt dat de schuldenaar voldoende bescherming geniet doordat hem de akte wordt medegedeeld. Vgl. voorts: Reehuis 2004, nr. 82. Indien de mededeling van cessie uitgaat van de cessionaris, zal de schuldenaar binnen zekere grenzen dienen te onderzoeken of de cedent met de cessie instemt. Indien de cedent daarentegen de cessie mededeelt, zal de schuldenaar daarvan mogen uitgaan. Zie § V.5.7. Vgl. Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 281.
Art. 6:34 lid 1 BW kan voorts analoog worden toegepast in het geval de schuldenaar een tegenvordering op de cedent of de cessionaris wenst te verrekenen, waarbij hij afgaat op de schijn dat de cedent nog of de cessionaris al schuldeiser is. Zie Asser-Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nr. 226 en Faber 2005, nr. 403.
Zie hiervoor: nr. 425.
450. Geen mededeling van het bestaan of de inhoud van de akte of de titel, maar mededeling van de levering. De mededeling van cessie strekt ertoe publiciteit aan de overdracht toe te kennen, zowel ten opzichte van de schuldenaar als ten opzichte van derden.1 De vraag rijst welke inhoud de mededeling van cessie precies moet hebben, wil zij tot overdracht van de in de cessieakte genoemde vordering(en) kunnen leiden.2
De wet vermeldt niet aan welke eisen de mededeling moet voldoen. Volgens art. 3:94 lid 1 BW worden “tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen” (curs. MHER). Anders dan de tekst van art. 3:94 lid 1 BW lijkt te veronderstellen, hoeft de mededeling geen betrekking te hebben op het bestaan van de cessie-akte. Evenmin is vereist dat de mededeling nauwkeurig de inhoud van de cessie-akte weergeeft3 of verwijst naar de titel van de cessie.4 Algemeen wordt aangenomen dat de mededeling aan de akte, en naar mijn mening ook aan de titel, vooraf kan gaan.5 In dat geval kan de mededeling geen betrekking hebben op het bestaan of de inhoud van de akte. Slechts op verzoek van de schuldenaar moet hem een uittreksel van de akte en de titel ter hand worden gesteld (art. 3:94 lid 4 BW).
Toch lijkt de Hoge Raad in het arrest Verhagen q.q./INB II en meer recent in het arrest World Online te oordelen dat de mededeling in ieder geval naar (het bestaan van) de akte dient te verwijzen.6 Deze opvatting, die op gespannen voet staat met de aanname dat de mededeling aan de akte vooraf kan gaan, moet worden verworpen. Een redelijke uitleg van art. 3:94 lid 1 BW (“mededeling daarvan”), die ook in overeenstemming is met de publiciteitsfunctie van de mededeling, is dat mededeling moet worden gedaan van de levering of overdracht als zodanig, dat wil zeggen: mededeling van het feit dat de vordering wordt geleverd of overgedragen. Daarvoor is niet vereist dat de schuldenaar in enig opzicht van het bestaan en/of de inhoud van de akte of titel op de hoogte wordt gebracht. Deze uitleg is niet in strijd met de bewoordingen van art. 3:94 lid 1 BW. De woorden “mededeling daarvan” kunnen evenzeer verwijzen naar de levering als zodanig.7 Het ligt in de rede om wat betreft de hier aan de orde gestelde vraag aan een mededeling van een openbare cessie dezelfde eisen te stellen als aan een mededeling van een stille cessie als bedoeld in art. 3:94 lid 3 BW. Uit de tweede zin van het derde lid blijkt duidelijk dat de mededeling van een stille cessie geen betrekking heeft op de akte, maar op het feit dat de vordering geleverd is.
De Hoge Raad overweegt in de arresten Verhagen q.q./INB II en World Online dat art. 3:94 lid 1 BW vereist dat de akte wordt medegedeeld. Het is de vraag welke betekenis in dit opzicht aan de arresten moet worden toegekend. In het arrest Verhagen q.q./INB II is de vraag naar de inhoud van de mededeling van cessie niet aan de orde, zodat het niet duidelijk is of de Hoge Raad met deze overweging inderdaad iets heeft willen zeggen over de inhoudelijke eisen die aan de mededeling gesteld moeten worden. In het arrest World Online is de vraag naar de inhoud van de mededeling van cessie wel aan de orde, maar spitst deze zich toe op de vraag of de mededeling de naam van de cedent moet vermelden, welke vraag door de Hoge Raad bevestigend wordt beantwoord (zie hierna). Het is verdedigbaar dat de overwegingen van de Hoge Raad zo moeten worden begrepen dat een mededeling van de levering als zodanig, zonder een expliciete verwijzing naar de akte, als een mededeling van de (inhoud van de) akte kan worden aangemerkt. In de akte verklaart de cedent immers te leveren.8 Opgemerkt zij dat in de praktijk veel mededelingen van cessie niet expliciet naar (de inhoud van) de akte zullen verwijzen.9
Mijnssen meent dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid, dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat mededeling moet worden gedaan van de inhoud van de akte.10 Weliswaar zou volgens de parlementaire geschiedenis niet de precieze inhoud van de akte te hoeven worden medegedeeld,11 maar volgens Mijnssen zou wel ten minste mededeling moeten worden gedaan van het feit dat tussen de cedent en de cessionaris wilsovereenstemming bestaat die tot overdracht strekt. Indien de akte eenzijdig is en alleen de verklaring van de cedent inhoudt dat hij de vordering aan de cessionaris wil overdragen, zou volgens Mijnssen niet alleen mededeling moeten worden gedaan van de inhoud van de akte, maar ook van de aanvaarding van de akte door de cessionaris.12
Naar mijn mening stelt Mijnssen te strenge eisen aan de mededeling, die ook niet kunnen worden gebaseerd op de parlementaire geschiedenis. Anders dan in de huidige tekst, werd in een eerdere versie van het artikel (het Gewijzigd Ontwerp) niet gesproken over “akte, en mededeling daarvan”, maar van “akte, gevolgd door mededeling”. Mede naar aanleiding van een rapport van de Koninklijke Notariële Broederschap13 is bij Nota van Wijziging de tekst in eerst genoemde zin gewijzigd, zodat duidelijker tot uitdrukking wordt gebracht dat het onverschillig is in welke volgorde aan de eisen van een akte en mededeling wordt voldaan.14 De opmerking van de minister dat de mededeling “niet nauwkeurig de inhoud van de akte behoeft weer te geven” moet worden gelezen in het licht van de oude ontwerptekst. De minister heeft de situatie voor ogen gestaan van een bestaande akte gevolgd door mededeling en niet het geval dat de mededeling aan de akte voorafgaat. Men leest mijns inziens te veel in de opmerkingen van de minister, indien men daaruit wil afleiden dat de mededeling van cessie in enig opzicht (weliswaar niet nauwkeurig) moet verwijzen naar het bestaan en/of de inhoud van de akte, het voornemen om de akte op te stellen, de wilsovereenstemming tussen partijen of de aanvaarding van de akte door de cessionaris.15 Het is goed mogelijk dat de minister slechts heeft willen zeggen dat de mededeling niet naar de inhoud van de akte behoeft te verwijzen. Dit is gelet op het documentatierecht dat de schuldenaar op grond van art. 3:94 lid 4 BW toekomt ook niet nodig.16 Als de eerdere opmerking van de minister wel zo zou moeten worden begrepen dat de mededeling in enig opzicht naar de inhoud van de akte dient te verwijzen, dan is het mijns inziens aannemelijk dat met de stellingname dat de mededeling aan de akte vooraf kan gaan, afstand is genomen van die opvatting. Uitgaande van de opvatting dat de mededeling naar de inhoud van de akte dient te verwijzen, is het immers niet duidelijk wat precies de inhoud van de mededeling dient te zijn in het geval de mededeling aan de akte voorafgaat. Het had dan ook voor de hand gelegen dat gelijk met de hiervoor bedoelde tekstwijziging iets zou zijn bepaald over de inhoud van de mededeling of dat daarover iets in de toelichting zou zijn opgemerkt.
In ieder geval moet worden verworpen de opvatting van Mijnssen dat de mededeling ten minste moet verwijzen naar het bestaan van wilsovereenstemming tussen de cedent en cessionaris. Naar geldend recht kan de mededeling immers aan de akte voorafgaan, zodat er nog geen sprake hoeft te zijn van een goederenrechtelijke overeenkomst.17 Bovendien lijken de door Mijnssen gestelde eisen ook weinig nut te hebben. In de benadering van Mijnssen zou een mededeling die inhoudt dat een bepaalde vordering van X is overgedragen aan Y niet tot overdracht kunnen leiden, terwijl de mededeling dat X en Y bij akte zijnovereengekomen (de wilsovereenstemming) dat de vordering wordt overgedragen daarvoor wel voldoende is. Ik zie niet in waarom laatstgenoemde mededeling wel een overdracht kan bewerkstelligen, maar de eerstgenoemde niet.
Voor de goederenrechtelijke vraag of de levering een overdracht van de vordering kan bewerkstelligen, doet het niet ter zake of de mededeling in enig opzicht naar de inhoud van de akte verwijst. Gelet op de publiciteitsfunctie van de mededeling, volstaat het dat de schuldenaar wordt medegedeeld dat de vordering op hem wordt geleverd. Dit doet er niet aan af dat de schuldenaar de cedent kan verzoeken om een uittreksel van de akte en haar titel (art. 3:94 lid 4 BW). Schending van dit documentatierecht doet de cessie echter niet ongeldig zijn.
451. Voldoende is dat de mededeling op overdracht is gericht. Mede gezien het feit dat het mededelingsvereiste een uiterst gebrekkig mechanisme is om ten opzichte van derden publiciteit aan de overdracht toe te kennen (zie hiervoor § 3.3.5) en gelet op het feit dat de wet inmiddels de ‘stille’ cessie weer mogelijk heeft gemaakt – waaraan geen enkele vorm van publiciteit is verbonden –,18 dienen er naar mijn mening voor het bewerkstelligen van een overdracht geen strenge eisen aan de inhoud van de mededeling van cessie te worden gesteld. Voldoende is dat demededeling op overdracht is gericht. Dit betekent dat de mededeling van cessie de schuldenaar ervan op de hoogte dient te brengen, dat de vordering op hem wordt overgedragen of op een toekomstig tijdstip zalworden overgedragen (waarbij, zoals ik in § 5.3.2 zal verdedigen, niet vereist is dat de mededeling de vordering voor de schuldenaar bepaalbaar doet zijn).
De inhoud van de mededeling moet derhalve betrekking hebben op een werkelijke overdracht, die tegelijk met de mededeling of in de toekomst zal plaatsvinden.19 De mededeling van cessie dient in dit opzicht ondubbelzinnig te zijn.20 Zo is een mededeling die inhoudt dat de schuldeiser zijn inningsbevoegdheid heeft overgedragen, in beginsel geen mededeling van cessie.21 Ook een verklaring in bijvoorbeeld algemene voorwaarden dat de vordering op de schuldenaar mogelijk in de toekomst wordt overgedragen, is geen mededeling van cessie in de zin van art. 3:94 lid 1 BW.22 Een mededeling op een factuur inhoudende dat de schuldenaar dient te betalen aan een met naam genoemde derde, waarbij mogelijk diens rekeningnummer wordt vermeld en wellicht zelfs zijn hoedanigheid van cessionaris, maar zonder dat de schuldenaar een overdracht wordt medegedeeld, is naar mijn mening in beginsel evenmin een mededeling van cessie in de zin van de wet.23
De eis dat de mededeling betrekking dient te hebben op een werkelijke overdracht, is een eis die aan de inhoud van de mededeling moet worden gesteld. Het betekent niet dat ten tijde van de mededeling aan alle vereisten voor overdracht moet zijn voldaan of dat min of meer zeker is dat binnen afzienbare tijd aan deze vereisten zal worden voldaan. Het is heel goed mogelijk dat er mededeling van cessie wordt gedaan door iemand die pretendeert cedent of cessionaris te zijn zonder dat op dat moment al vaststaat dat er een cessie zal gaan plaatsvinden. De overdracht vindt echter pas plaats, indien alle vereisten voor overdracht zijn vervuld (zie art. 3:84 BW).
Dat de mededeling van cessie ondubbelzinnig betrekking dient te hebben op een werkelijke overdracht, is een minimumeis die aan de mededeling moet worden gesteld. Deze minimumeis volgt uit de tekst van art. 3:94 lid 1 BW (“mededeling daarvan”) en houdt verband met de publiciteitsfunctie die de mededeling in geval van een openbare cessie ten opzichte van derden vervult, hoe gering deze wellicht ook is. De mededeling moet immers (enige) duidelijkheid verschaffen over de vraag of, en zo ja, op welk moment de overdracht heeft plaatsgevonden en moet de schuldenaar in staat stellen om daarover aan derden informatie te verschaffen.24
452. Uitleg van de mededeling van cessie. Voor de vraag of een verklaring kan worden aangemerkt als een mededeling van cessie in de zin van art. 3:94 lid 1 BW, is uiteindelijk beslissend of de schuldenaar de verklaring in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs als een mededeling van cessie heeft moeten of mogen opvatten (vgl. art. 3:33 jo 35 BW).25 Het gaat om een geobjectiveerde subjectieve benadering. In geval van een geschil in rechte over de rechtsgeldigheid van de cessie kan de rechter de tekst van de mededeling van cessie en de wijze waarop een normaal en redelijk denkend schuldenaar deze moet of mag opvatten tot uitgangspunt nemen. Mocht de tekst van de mededeling onvoldoende duidelijk maken dat een cessie wordt medegedeeld, dan is het aan degene die zich op de cessie beroept om (buiten de mededeling gelegen) feiten en omstandigheden aan te tonen waaruit blijkt dat de schuldenaar de mededeling niettemin redelijkerwijs als een mededeling van cessie heeft opgevat of moeten opvatten.
453. Vermelding van de identiteit van de cessionaris is niet vereist. Hoewel dit in de praktijk meestal wel zal geschieden, is voor een geldige overdracht van een vordering op naam naar mijn mening niet vereist dat de mededeling de schuldenaar op de hoogte brengt van de identiteit van decessionaris.26 Diens identiteit kan zodoende door partijen voor de schuldenaar (en derden) in eerste instantie geheim worden gehouden.27 Het is bovendien mogelijk dat de cedent de schuldenaar een cessie meedeelt, terwijl op het moment van de mededeling van cessie nog niet duidelijk is wie de cessionaris zal zijn. In het kader van securitisation kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat ten tijde van de mededeling van cessie het SPV nog dient te worden opgericht28 of aan het geval dat ten tijde van de mededeling van cessie nog niet duidelijk is of cedent en cessionaris (de originator en het SPV) de vordering op de schuldenaar in een cessie willen betrekken.29
De belangen van de schuldenaar zijn voldoende gewaarborgd. De schuldenaar vindt zijn bescherming tegen een onduidelijke mededeling in het verbintenissenrecht. Zolang het de schuldenaar op redelijke gronden niet duidelijk is aan wie hij moet betalen, kan hij de betaling opschorten (art. 6:37 BW).30 Bovendien is de cedent naar mijn mening gehouden om op verzoek van de schuldenaar de identiteit van de cessionaris kenbaar te maken. De schuldenaar heeft er in beginsel immers belang bij te weten wie zijn schuldeiser is.31 Dat de schuldenaar uit de mededeling zelf niet kan afleiden wie zijn nieuwe schuldeiser is, doet er echter niet aan af dat met de mededeling een rechtsgeldige overdracht bewerkstelligd kan worden, mits aan alle vereisten voor overdracht wordt voldaan. De bescherming van de belangen van de schuldenaar betreft een verbintenisrechtelijke kwestie die dient te worden onderscheiden van de goederenrechtelijke vraag naar de geldigheid van de levering en de overdracht.
De belangen van derden, of ruimer: van het rechtsverkeer, vereisen evenmin dat de mededeling de identiteit van de cessionaris vermeldt. Dit volgt ook niet uit de (marginale) publiciteitsfunctie die de mededeling ten opzichte van derden vervult. Voldoende is dat de schuldenaar op grond van de mededeling in staat is derden te informeren over het feit dat er een cessie van een op hem bestaande vordering heeft plaatsgevonden. De publiciteitsfunctie brengt niet met zich dat de schuldenaar derden zou moeten kunnen informeren over de vraag in wiens vermogen de gecedeerde vordering is gevloeid en evenmin over andere modaliteiten van de overdracht.
454. Vermelding van de identiteit van decedent is wel vereist. Voor een geldige overdracht van een vordering op naam is daarentegen wel vereist dat de mededeling van cessie de schuldenaar voldoende duidelijk maakt wie de cedent is. Dit is van belang in het geval de cessie wordt medegedeeld door de cessionaris. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat een groot aantal gedupeerde beleggers zijn beweerdelijke schadevorderingen in het kader van een collectieve actie overdraagt aan een stichting die de vorderingen ten behoeve van de beleggers in rechte zal trachten geldend te maken. Het is mogelijk dat de cessies worden medegedeeld door de stichting (de cessionaris) zonder dat daarbij wordt kenbaar gemaakt wie de beweerdelijk gedupeerde beleggers (de cedenten) precies zijn. In dat geval zijn de cessies niet rechtsgeldig tot stand gekomen. De Hoge Raad heeft in het arrest World Online geoordeeld dat de mededeling van een (openbare) cessie de naam van de cedent(en) dient te vermelden, niet alleen met het oog op de in het rechtsverkeer vereiste duidelijkheid over de vraag wiens vordering is overgedragen en op welk moment, maar ook ter bescherming van de belangen van de schuldenaar.32 Het feit dat het gaat om een groot aantal te cederen vorderingen en dat de cessionaris de schuldenaar heeft aangeboden inzage te verlenen in de onderliggende cessie-akten, doet volgens de Hoge Raad aan deze minimumeis die aan de mededeling moet worden gesteld niet af.33
Het oordeel kan in verband worden gebracht met de publiciteitsfunctie van de mededeling.34 Ten opzichte van derden brengt de publiciteitsfunctie, hoe marginaal die ook is, met zich dat aan de hand van de mededeling moet kunnen worden achterhaald op wiens vermogen de cessie betrekking heeft.35 Daarnaast is het in het belang van de schuldenaar om te weten wie de cedent is in verband met eventueel te voeren verweren, het instellen van tegenvorderingen en kwesties als bevrijdende betaling en verrekening (vgl. art. 6:145 BW).
Toch was ook een andere benadering verdedigbaar geweest. De bescherming van de gerechtvaardigde belangen van de schuldenaar hoeft niet te worden gerealiseerd door de cessie goederenrechtelijke ongeldig te achten. Met het belang van de schuldenaar om verweer te voeren kan ook rekening worden gehouden door wel de geldigheid van de cessie te aanvaarden, maar een vordering in rechte van de cessionaris niettemin niet toewijsbaar te laten zijn, zolang de schuldenaar niet van de identiteit van de cedent in kennis is gesteld. Men zie in dit verband art. 6:145 BW waaruit volgt dat een cessie geen afbreuk kan doen aan de verweermiddelen van de schuldenaar. Wat betreft bevrijdende betaling en verrekening zou op grond van (een analoge toepassing van) art. 6:34 lid 1 BW kunnen worden aanvaard dat de schuldenaar bevrijdend kan blijven betalen aan de cedent (hetgeen hem mogelijk ook door de cessionaris in de mededeling van cessie is toegelaten) en tegenvorderingen op de cedent door een tot de cedent gerichte verklaring kan verrekenen totdat de schuldenaar voldoende duidelijk is medegedeeld wie de cedent is. Vergelijk in dit verband de ratio die aan art. 3:94 lid 3, tweede zin, BW ten grondslag ligt. In geval van een ‘stille’ cessie geldt dat de cessie de schuldenaar niet kan worden tegengeworpen zolang de cessie hem niet is medegedeeld. Dit betekent dat de schuldenaar bevrijdend kan blijven betalen aan de cedent en dat hij tegenvorderingen op de cedent kan verrekenen overeenkomstig art. 6:127 BW zonder dat hem de beperkingen van art. 6:130 lid 1 BW kunnen worden tegengeworpen. De gedachte daarachter is dat de schuldenaar voordat de cessie hem is medegedeeld geen rekening met de cessie behoeft te houden en daar ook geen onderzoek naar behoeft in te stellen.36 In lijn hiermee kan voor het onderhavige geval worden aanvaard dat de schuldenaar elke mogelijke cedent gewoon nog als zijn schuldeiser mag beschouwen, omdat het niet van hem kan worden verwacht dat hij een onderzoek instelt naar de vraag wie van zijn schuldeisers zijn vordering heeft gecedeerd en wie niet. Dit is slechts anders indien de schuldenaar uit anderen hoofde weet wie de cedent is.
De door de Hoge Raad vermelde eisen van het rechtsverkeer noodzaken evenmin dat de mededeling de naam van de cedent vermeldt. Ook een mededeling zonder expliciete vermelding van de identiteit van de cedent biedt enige zekerheid over het moment van de overdracht. Bedacht moet immers worden dat degene die een beroep op de cessie wil doen (de cessionaris, cedent of een derde) de cessie dient te bewijzen. Daarvoor dient te worden aangetoond dat de door de schuldenaar ontvangen mededeling betrekking heeft op de vordering waarvan wordt beweerd dat deze is gecedeerd. Indien dit wordt aangetoond, is ook enige zekerheid verkregen over het tijdstip van de cessie. Een geanonimiseerde mededeling biedt in dit opzicht evenveel zekerheid als een mededeling waarin de naam van de cedent wel wordt vermeld.
455. Mededeling kan aan de akte en de titel voorafgaan. Zoals hiervoor is vermeld, kan de mededeling aan de totstandkoming van de akte vooraf gaan.37 In dat geval is voor de geldigheid van de overdracht niet vereist dat de cedent zich ten tijde van de mededeling daartoe al obligatoir heeft verbonden of dat de cessie-akte met zekerheid binnen een afzienbare tijd tot stand zal komen. Deze eis zou tot te veel onduidelijkheid kunnen leiden ten aanzien van de vraag of er een geldige overdracht heeft plaatsgevonden.38 De mededeling kan dus al worden gedaan voor de totstandkoming van de overeenkomst die tot de cessie verplicht (de titel van de cessie).
456. Mededeling hoeft niet de precieze modaliteiten van de overdracht te vermelden. Uit het feit dat de mededeling aan de akte vooraf kan gaan, volgt verder dat de mededeling niet behoeft in te houden dat de overdracht terstond plaatsvindt; zij kan inhouden dat de overdracht op een bepaald tijdstip in de toekomst zal geschieden of op een nog nader aan te geven tijdstip. Ook is het mogelijk dat de mededeling geen informatie bevat over het precieze tijdstip van de overdracht. In al deze gevallen vindt de overdracht echter pas plaats als (te zijner tijd) aan alle vereisten voor overdracht is voldaan.39
Evenmin is vereist dat de mededeling naar waarheid geschiedt. Het is mogelijk dat de mededeling inhoudt (of bij de schuldenaar de schijn opwekt) dat de overdracht terstond plaatsvindt, terwijl cedent en cessionaris zijn overeengekomen dat de cessie-akte eerst op een toekomstig tijdstip zal worden opgemaakt.40 In geval van een overdracht onder opschortende of ontbindende voorwaarde is voor de geldigheid daarvan niet vereist dat de schuldenaar door de mededeling van cessie op de hoogte wordt gebracht van het bestaan en de inhoud van de voorwaarde. Dit is evenmin vereist voor de werking van de voorwaarde indien zij in vervulling gaat.41 De mededeling van cessie kan derhalve bij de schuldenaar de schijn opwekken van een onvoorwaardelijke overdracht, terwijl er in werkelijkheid vooralsnog geen of slechts een voorwaardelijke overdracht heeft plaatsgevonden.
Concluderend kan worden gezegd dat de mededeling van cessie de schuldenaar niet in kennis behoeft te stellen van de precieze modaliteiten waaronder de overdracht plaatsvindt42,43 Of de overdracht terstond plaatsvindt of eerst in de toekomst, dan wel geschiedt onder opschortende of ontbindende voorwaarde, hangt uitsluitend af van hetgeen cedent en cessionaris ter zake zijn overeengekomen.
457. Bescherming van de schuldenaar. De belangen van de schuldenaar worden met het voorgaande niet geschaad. De schuldenaar mag in beginsel afgaan op de juistheid van de mededeling die hij van de overdracht heeft ontvangen.44 Indien de mededeling inhoudt (of de schijn opwekt) dat de vordering terstond is overgedragen, terwijl er in werkelijkheid nog geen cessie-akte is opgemaakt, staat dit er niet aan in de weg dat een betaling aan de cessionaris de schuldenaar bevrijdt (zie art. 6:34 BW). Anderzijds kan de schuldenaar bevrijdend betalen aan de cedent, indien de mededeling bij hem de schijn opwekt dat de overdracht vooralsnog niet heeft plaatsgevonden, terwijl dat in werkelijkheid wel zo is.45 Indien de schuldenaar op redelijke grond twijfelt aan wie hij dient te betalen – bijvoorbeeld omdat hem de identiteit van de cessionaris niet is medegedeeld –, kan hij een beroep doen op het opschortingsrecht van art. 6:37 BW. Voorts kan de schuldenaar die informatie wil ontvangen over de modaliteiten van de overdracht die voor hem van belang zijn, een beroep doen op het documentatierecht van art. 3:94 lid 4 BW.
Het belang dat de schuldenaar heeft bij een duidelijke mededeling wordt aldus voldoende beschermd. Er is geen reden hem een verdergaande bescherming toe te kennen door aan te nemen dat in de hiervoor besproken gevallen de mededeling niet als een “mededeling van cessie” in de zin van art. 3:94 lid 1 BW kan worden aangemerkt, met als gevolg dat de mededeling niet tot overdracht kan leiden.
458. Belangen van derden. Ook het feit dat de mededeling een zekere publiciteitsfunctie vervult (hoe gering ook) ten opzichte van derden (zoals schuldeisers van de cedent) en derhalve mede hun belangen dient,46 brengt naar mijn mening niet met zich dat de mededeling van cessie de identiteit van de cessionaris of de precieze modaliteiten van de overdracht zou moeten vermelden. Voldoende is dat de schuldenaar de derde kan mededelen dat er een overdracht heeft plaatsgevonden, zodat de derde gewaarschuwd is en eventueel navraag kan doen bij de cedent. Onder omstandigheden kan de derde bescherming ontlenen aan art. 3:36 BW vanwege de schijn die de mededeling bij hem heeft opgewekt, mits is voldaan aan de vereisten die deze bepaling voor de bescherming stelt.