De door de rechtbank gebruikte voetnoten zijn niet overgenomen. Daar waar het hof in de bewijsoverwegingen van de rechtbank wijzigingen heeft aangebracht, is dat door mij in de tekst aangegeven.
HR, 28-03-2023, nr. 21/03187
ECLI:NL:HR:2023:405
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2023
- Zaaknummer
21/03187
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:405, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:148
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:2920
ECLI:NL:PHR:2023:148, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:405
- Vindplaatsen
Uitspraak 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Poging doodslag door meermalen met mes te steken in gezicht en lichaam van ander, art. 287 Sr. Bewijsklachten. 1. Kon hof oordelen dat verdachte reeds bij zijn eerste klap een mes in zijn hand had en aldus heeft gestoken? 2. Kon hof oordelen dat ook andere toegebrachte verwondingen steekverwondingen (en geen snijverwondingen) waren? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03187
Datum 28 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2021, nummer 22-000097-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben E.A. Blok en J. Vermaat, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
Conclusie 07‑02‑2023
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03187
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 juli 2021 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 december 2020 onder verbetering en aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij. Dat betekent dat de in eerste aanleg voor poging doodslag aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, in hoger beroep is bevestigd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. E.A. Blok en J. Vermaat, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof de ten laste gelegde poging doodslag “ten onrechte” bewezen heeft verklaard en/of dat het hof de bewezenverklaring onjuist dan wel onvoldoende en/of op onbegrijpelijke wijze heeft gemotiveerd, nu “het onverhoeds en als eerste uitdelen van een vuistslag met een mes in de hand” niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
2.2
Bewezenverklaard is dat de verdachte:
“op 1 december 2019 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [aangever] van het leven te beroven, opzettelijk die [aangever] met een mes meermalen in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.3
De door het hof bevestigde, verbeterde en aangevulde bewijsoverweging van de rechtbank luidt als volgt:1.
“3. Bewijsoverwegingen
3.1.
Inleiding
Op 1 december 2019 werd een surveillance eenheid van de politie naar de [a-straat 1] in [plaats] gestuurd. Ter plaatse, op het trottoir, werden bloeddruppels aangetroffen en een ruit van een restaurant was gebarsten. Op 1 december 2019 heeft [aangever] aangifte gedaan, hij bleek de volgende verwondingen te hebben opgelopen: een snijwond in zijn linkerwang die loopt van zijn mondhoek tot zijn oor waarbij de verwonding loopt tot in de spierlaag, een steekverwonding links net boven de navel, een snijwond in de linker pols en een snijwond bij de oksel links. Aangever verklaarde dat ‘ [verdachte] ’, de vriend van [betrokkene 1] , hem had gestoken. Op 5 december 2019 verklaarde aangever dat ‘ [verdachte] ’ die avond (de rechtbank begrijpt: 30 november 2019) in het restaurant onrustig was en ruzie zocht. Hij weet dat ‘ [verdachte] ’ die avond de ruit van het restaurant heeft vernield. Toen hij naar buiten liep, stond ‘ [verdachte] ’ voor het kapotte raam en was aan het schelden tegen [betrokkene 2] , zijn vriendin. Aangever hield een tas en een handtas in zijn handen, zette die op grond en liep naar ‘ [verdachte] ’ om te zeggen dat hij rustig moest doen. Nog voordat hij iets kon zeggen merkte hij dat hij werd gestoken. Eerst dacht hij dat hij werd geslagen maar toen zijn vriend tegen hem zei dat zijn gezicht onder het bloed zat, merkte hij dat hij was gestoken. Uit onderzoek bleek dat ‘ [verdachte] ’ de verdachte betrof.
De verdachte heeft verklaard dat er voor de deur van het restaurant van zijn vriendin een confrontatie ontstond tussen hem, aangever en diens vriend. Aangever liep vervolgens weg, kwam terug en viel hem opnieuw aan. Aangever had een mes bij zich en de verdachte verdedigde zichzelf met een glasscherf die hij van de grond had opgeraapt. De verdachte handelde enkel uit zelfverdediging.
De rechtbank moet – gelet op het voorgaande en gezien de tenlastelegging – de vragen beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte degene is geweest die de verwondingen bij aangever heeft veroorzaakt, of die verwondingen zijn veroorzaakt door het steken met een mes en zo ja, of dit kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag of als een poging tot zware mishandeling. Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier volgt dat de verdachte aangever met een mes heeft gestoken en dat gezien de manier waarop en de plaatsen waar de verdachte heeft gestoken de kans aanmerkelijk is dat een persoon als gevolg van dit geweld zal overlijden. Door onverhoedse steekbewegingen te maken in willekeurige delen van het lichaam, waaronder in het gezicht, de oksel en de buik waar zich vitale delen en slagaders bevinden, heeft de verdachte die kans bewust aanvaard. Daarom moet het handelen van de verdachte worden gekwalificeerd worden als een poging tot doodslag.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat van een poging tot doodslag geen sprake is. Allereerst kan niet worden bewezen dat de verdachte aangever met een mes heeft gestoken en als dat al het geval zou zijn, dan zou dit mes gezien de beperkte omvang – want dit mes is niet is niet waargenomen door aangever of de getuigen en niet zichtbaar op de camerabeelden – geen potentieel dodelijk letsel kunnen veroorzaken. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen stekende, maar snijdende bewegingen heeft gemaakt, waardoor het risico op het raken van vitale delen niet aanwezig was. Daarnaast stelt de verdediging dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangever.
3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
Tegenover de politie heeft [betrokkene 2] een getuigenverklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat de verdachte in het restaurant verbaal agressief was, met zijn vuisten op tafel sloeg en met glazen en stoelen gooide. Toen zij naar buiten liep, kwam de verdachte op haar af en duwde met zijn schouder tegen haar schouder. Zij liep weg en de verdachte schreeuwde tegen haar en beledigde haar. Aangever hoorde dit, zette zijn tassen neer en liep naar de verdachte toe. De verklaring die de getuige [betrokkene 2] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, doet geen afbreuk aan haar verklaring afgelegd bij de politie. [AG: de laatste zin heeft het hof toegevoegd].
[betrokkene 3] heeft tegenover de rechter-commissaris een getuigenverklaring afgelegd.
Hij verklaarde dat de verdachte in het restaurant agressiever werd en dat de verdachte, toen ze buiten waren, met zijn schouder tegen [betrokkene 2] aanbotste en haar uitschold. Aangever liep naar de verdachte toe en de verdachte sloeg hem terwijl ze tegenover elkaar stonden. Daarna begonnen ze te vechten en verplaatsten ze zich naar de straat. Toen aangever vervolgens richting [betrokkene 3] liep, zag [betrokkene 3] dat aangever een snijwond in zijn gezicht had. [betrokkene 3] heeft niet gezien dat de verdachte iets in zijn handen had. Hij heeft ook geen mes gezien.
Op zondag 1 december 2019 om 10:31 uur heeft de verdachte met [betrokkene 1] gebeld. In dat gesprek heeft hij gezegd: "Ja honderd procent, mijn hand niet zien die mes begrijp je. En binnen mijn hand begrijp je, hem helemaal klein, die gele, net als .., niet andere mes, grote mes zien begrijp je wat ik bedoel. En binnen mijn hand alleen boks voor mij zien. Begrijp je?". [betrokkene 1] heeft in datzelfde gesprek tegen de verdachte gezegd: “Ik heb gezegd tegen hem als de politie komt bij je langs moet je zeggen dat de camera niet werken.” Diezelfde dag om 12:35 uur heeft de verdachte nogmaals met [betrokkene 1] gebeld. In dat gesprek heeft hij gezegd: “Ik ga niet zitten vast. Ik ga niet zitten vast. Ja, en hun geen camera hebben buiten” en “In de straat. Ja, camera gaat niet daar mij zien.” Op 1 december 2019 om 15:34 uur heeft de verdachte gebeld met [betrokkene 4] . In dat gesprek zei de verdachte: "Ik heb gisterenavond een man geslagen, ik heb hem erg hard geslagen.”
De politie heeft de beelden bekeken van de camera gericht op de openbare weg van de [a-straat ] . De beschrijving van de beelden luidt – voor zover hier van belang – als volgt.
In.de beschrijving wordt aangever aangeduid met ‘slachtoffer’.
(..) 00.17.36 uur: En man, gekleed in een blauwe spijkerbroek en een grijskleurige driekwartjas loopt met een kind vanaf het groepje mensen weg in de richting van de [A] . De man draagt in zijn linkerhand een tas. Voor de deur van het restaurant lijkt iemand een duw te krijgen, daar deze ineens een aantal passen op onnatuurlijke wijze opzij beweegt. Dit betreft een vrouw met blond haar, gekleed in een zwartkleurige jas (..)
00.18.06
uur: (..) Slachtoffer zet zijn tas neer op het trottoir en loopt met de man met de okergele trui en een andere onbekende man in de richting van de resterende groep mensen naar het restaurant. (..) 00.18:30 uur: Het slachtoffer, die met de andere twee mannen in de richting van het restaurant liepen, komt in contact met een ander persoon. Er lijkt voor de deur van het restaurant een vechtpartij/worsteling te ontstaan, doordat het lijkt dat een tweetal personen hevig bewegen voor de deur. (..)
00.18.34
uur: Een groep vechtende mannen vanaf het restaurant verplaatst zich tussen de voor de deur geparkeerde auto's in de richting van de rijbaan van de [a-straat ] . Een tegemoet komende personenauto moet remmen om een aanrijding met de vechtende mannen te voorkomen. Een blanke cq. licht getinte man, groot postuur, gekleed in een grijskleurige broek, zwartkleurige jas, zwarte schoenen en kort donker haar, met opgeschoren zijkanten van het hoofd, nader te noemen NN01, haalt een aantal malen uit met zijn rechterhand, kennelijk naar de man cq. slachtoffer die reeds eerder zijn tas had weggezet. (..)
Ter zitting heeft de rechtbank de beelden afgespeeld en zelf waargenomen wat daarop te zien is. De verdachte heeft zichzelf op de beelden herkend. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de beschrijving van de camerabeelden door de politie overeenkomt met de waarneming van de rechtbank ter zitting. Uit de beelden blijkt dat aangever, nadat hij zijn tassen heeft neergezet, rustig in de richting van de verdachte loopt en dat er voor de deur van het restaurant een worsteling ontstond. Van een dreigende situatie aan de kant van aangever is niet gebleken. Eveneens volgt uit de beelden niet dat de verdachte op enig moment iets van de grond raapt, dan wel dat hij zich richting de grond beweegt. Op de beelden blijven de hoofden van de personen die op die beelden zijn te zien namelijk telkens zichtbaar boven de geparkeerde auto.
Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat de aangever zijn tassen heeft neergezet, naar de verdachte is toegelopen en onverhoeds door de verdachte in zijn gezicht is geslagen, terwijl de verdachte een mes in zijn vuist had. Vervolgens is er een vechtpartij tussen de verdachte en aangever ontstaan, waarbij aangever met dat mes is geraakt in zijn buik, oksel en hand. Wat voor soort mes dit precies is geweest kan niet worden vastgesteld, omdat aangever en de getuigen het mes waarmee aangever is geraakt niet hebben gezien en dit achteraf ook niet is aangetroffen. Dat het een mes – en geen glasscherf – betrof, leidt de rechtbank af uit het tapgesprek waarin de verdachte vlak na het incident heeft gezegd een mes in de binnenkant van zijn hand te hebben gehouden en de geneeskundige verklaring waarin staat beschreven dat aangever snijverwondingen heeft opgelopen. Daarbij komt dat op de plaats delict geen glas is aangetroffen en ook strookt de verklaring van de verdachte niet met het tapgesprek waaruit volgt dat hij wilde dat de camerabeelden niet zouden worden afgegeven. Als de beelden immers zouden bevestigen wat hij had verklaard dan zou hij er juist bij gebaat zijn dat die beelden aan het dossier zouden worden toegevoegd.
Heeft de verdachte aangever met het mes gestoken?
Hiervoor is vastgesteld dat aangever meerdere snijverwondingen en een steekverwonding heeft opgelopen doordat de verdachte aangever heeft geslagen, terwijl hij een mes in zijn handen hield. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat iemand geslagen wordt met de vuist – met daarin een mes – dit als een stekende beweging kan worden aangemerkt en dat er in dat geval sprake is geweest van het steken met een mes. Dat in de geneeskundige verklaring snijverwondingen worden vermeld doet daaraan niet af. Immers staat in de geneeskundige verklaring niet op welke manier de snijverwonding is toegebracht en staat er eveneens niet dat een snijverwonding niet veroorzaakt kan zijn door een stekende beweging. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de snijverwondingen van aangever dusdanig diep waren dat de hechtingen onder narcose diende te worden geplaatst en dat van een enkele kras die veroorzaakt zou kunnen zijn door een snijdende beweging geen sprake is geweest. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging hieromtrent.
Had de verdachte opzet op de dood van aangever?
[AG: alle navolgende tekstblokken zijn door het hof toegevoegd ter vervanging van de overwegingen van de rechtbank]
Hiervoor is vastgesteld dat de verdachte aangever onverhoeds in zijn gezicht heeft geslagen, terwijl de verdachte een mes in zijn vuist had en dat er vervolgens tussen de verdachte en aangever een vechtpartij is ontstaan, waarbij aangever met het mes onder meer in zijn wang, buik en oksel is geraakt.
De vraag is of de handelingen van de verdachte dienen te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag of als een poging tot zware mishandeling. In dit verband is van belang vast te stellen of de verdachte opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van het slachtoffer heeft gehad dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte vol opzet had op de dood van aangever. Dan ligt de vraag voor of er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van aangever – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Het hof stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd, de oksel en de buik bij uitstek kwetsbare en vitale delen van het lichaam zijn. Door het meermalen steken met een mes in die delen van het lichaam van een persoon wordt naar algemene ervaringsregels dan ook de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden.
Mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte aangever onverhoeds en ongecontroleerd achter elkaar tijdens een vechtpartij heeft gestoken, moeten de voornoemde gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm voorts worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van een levensgevaarlijke verwonding aan aangever dat verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg daarvan, de dood van aangever, heeft aanvaard.
Het hof acht daarom het primair ten laste gelegde feit, de poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.”
2.4
Als ik de toelichting op het middel goed begrijp, dan wordt er allereerst over geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte reeds bij de eerste klap – waarvan het hof zonder onderbouwing aanneemt dat die op de kaak van de aangever was – een mes in diens hand heeft gehad. Daarmee is volgens de stellers van het middel het oordeel van het hof dat er sprake is geweest van een poging doodslag opleverende stekende beweging (en niet, zoals bepleit door de verdediging, van een snijdende beweging) ontoereikend gemotiveerd. Datzelfde geldt volgens de stellers van het middel voor het oordeel van het hof dat ook de andere verwondingen steekverwondingen zijn. Dat zou evenmin uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het hof heeft nagelaten te responderen op een dienaangaand uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de raadsvrouw.
2.5
Ik begin met de tweede klacht. Ik ontkom niet aan de indruk dat deze min of meer uit de lucht komt vallen. In het middel zelf is immers niet te berde gebracht dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Eerst aan het slot van de toelichting op het middel dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, wordt opgemerkt: “Evenmin [bedoeld zal zijn “Eveneens”; AG] heeft het hof nagelaten op dit punt [cursivering AG] te responderen, nu ook de raadsvrouw op zitting dit [cursivering AG] reeds naar voren heeft gebracht middels een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt”. Deze aanduiding van een ter zitting van het hof ingenomen standpunt voldoet niet aan de door de Hoge Raad in cassatie verlangde precisie.2.In wezen wordt hier volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting van het hof naar voren heeft gebracht.3.Ik wil onmiddellijk aannemen dat het de stellers van het middel zal zijn te doen om de zeven (van de elf) pagina’s van de pleitnota die in de schriftuur zijn geplakt, maar zo zit het cassatierecht niet in elkaar. Enkel en alleen daarom al faalt dit onderdeel van het middel.
2.6
In het middel wordt niet geklaagd over het oordeel van het hof dat uit het bewezenverklaarde opzettelijk steken met het mes kan worden afgeleid dat er sprake was van poging tot doodslag. De eerste klacht van het middel heeft enkel betrekking op de oordelen van het hof (i) dat de verdachte reeds bij zijn eerste uitgedeelde klap een mes in zijn hand had en aldus heeft gestoken en (ii) dat ook de andere toegebrachte verwondingen steekverwondingen waren. Dat alles zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid en daarom zou de bewezenverklaarde poging doodslag ontoereikend zijn gemotiveerd, aldus de stellers van het middel.
2.7
Sub i
In verband met de eerste klap heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld.
De aangever heeft verklaard dat hij naar de verdachte liep om te zeggen dat hij rustig aan moest doen, dat hij nog voordat hij iets kon zeggen, werd geslagen en dat hij – nadat zijn vriend tegen hem zei dat zijn gezicht onder het bloed zat – merkte dat hij was gestoken. Getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat de aangever naar de verdachte toeliep, dat de verdachte hem sloeg terwijl ze tegenover elkaar stonden, dat ze daarna begonnen te vechten en dat [betrokkene 3] vervolgens zag dat de aangever een snijwond in zijn gezicht had. De verdachte heeft verklaard dat de aangever hem aanviel, dat de aangever een mes bij zich had en dat de verdachte zichzelf verdedigde met een van de grond opgeraapte glasscherf. Het hof heeft vastgesteld dat uit de camerabeelden niet blijkt dat de verdachte op enig moment iets van de grond heeft opgeraapt, dan wel dat hij zich richting de grond heeft bewogen. Op de plaats delict is geen glas aangetroffen. De verdachte heeft in een getapt telefoongesprek gezegd: "Ja honderd procent, mijn hand niet zien die mes begrijp je. En binnen mijn hand begrijp je, hem helemaal klein, die gele, net als .., niet andere mes, grote mes zien begrijp je wat ik bedoel. En binnen mijn hand alleen boks voor mij zien. Begrijp je?" en “Ik ga niet zitten vast. Ik ga niet zitten vast. Ja, en hun geen camera hebben buiten” en “In de straat. Ja, camera gaat niet daar mij zien.”
Uit het voorgaande heeft het hof niet onbegrijpelijk afgeleid
- dat de verdachte geen glasscherf maar een klein mes in zijn vuist had dat niet zichtbaar was voor anderen en
- dat de aangever “onverhoeds door de verdachte in zijn gezicht is geslagen, terwijl de verdachte een mes in zijn vuist had”.
Het oordeel van het hof dat de verdachte reeds bij deze eerste, onverhoedse slag de aangever met een mes heeft gestoken, is gelet op de hierboven weergegeven vaststellingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
2.8
Sub ii
In verband met de overige verwondingen van het slachtoffer heeft het hof onder meer het volgende vastgesteld.
Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte tijdens de vechtpartij een aantal malen naar de aangever heeft uitgehaald met zijn rechterhand. In een getapt gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 4] heeft de verdachte gezegd: “Ik heb gisterenavond een man geslagen, ik heb hem erg hard geslagen.” De aangever heeft de volgende verwondingen heeft opgelopen: “een snijwond in zijn linkerwang die loopt van zijn mondhoek tot zijn oor waarbij de verwonding loopt tot in de spierlaag, een steekverwonding links net boven de navel, een snijwond in de linker pols en een snijwond bij de oksel links”. De aangever heeft meerdere snijverwondingen en een steekverwonding opgelopen doordat de verdachte hem heeft geslagen, terwijl hij een mes in zijn handen hield.
Het hof heeft vervolgens niet onbegrijpelijk geoordeeld dat op het moment dat iemand geslagen wordt met de vuist – met daarin een mes – dit als een stekende beweging kan worden aangemerkt en dat daaraan niet afdoet dat in de geneeskundige verklaring snijverwondingen worden vermeld. In de geneeskundige verklaring wordt immers niet vermeld op welke manier de snijverwonding is toegebracht en daarin staat ook niet dat een snijverwonding niet kan zijn veroorzaakt door een stekende beweging. Ten overvloede heeft het hof ook nog opgemerkt dat de snijverwondingen van de aangever dusdanig diep waren dat de hechtingen onder narcose dienden te worden geplaatst en dat van een enkele kras die veroorzaakt zou kunnen zijn door een snijdende beweging geen sprake is geweest.
Gelet op het voorgaande heeft het hof zijn oordeel dat alle aan de aangever toegebrachte verwondingen zijn veroorzaakt door het steken met een mes, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt ook in zoverre.
2.9
Het middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
In het middel wordt geklaagd over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase doordat het hof de gedingstukken niet binnen zes maanden aan de Hoge Raad heeft ingezonden.
3.2
Namens de verdachte is op 27 juli 2021 beroep in cassatie ingesteld. Nu de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, geldt een inzendtermijn van zes maanden. De stukken van het geding zijn op 13 april 2022 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van zes maanden met ruim twee maanden is overschreden. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Het middel klaagt daarover terecht. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, is niet meer mogelijk.
3.3
Ambtshalve merk ik nog op dat inmiddels ruim achttien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is ook de uitspraaktermijn van zestien maanden verstreken.
3.4
Dit alles dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.4.
4. Slotsom
4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
4.2
Ik heb hiervoor bij de bespreking van het tweede middel opgemerkt dat de uitspraaktermijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep inmiddels is verstreken. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑02‑2023
HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.2.
Vgl. HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3787.
Vergelijk voor een soortgelijk geval onder meer HR 16 februari 2012, ECLI:NL:HRL2010:BK8509.