Procestaal: Duits.
HvJ EU, 16-11-2023, nr. C-497/22
ECLI:EU:C:2023:873
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-11-2023
- Magistraten
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L.S. Rossi
- Zaaknummer
C-497/22
- Conclusie
J. richard de la tour
- Roepnaam
Roompot Service
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:873, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑11‑2023
ECLI:EU:C:2023:535, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 29‑06‑2023
Uitspraak 16‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Exclusieve bevoegdheid — Artikel 24, punt 1, eerste alinea — Geschillen ten aanzien van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen — Overeenkomst die tussen een particulier en een toeristische onderneming die een vakantiepark exploiteert, is gesloten over het gebruik voor korte tijd van een bungalow die gelegen is in dat vakantiepark
C. Lycourgos, O. Spineanu-Matei, J.-C. Bonichot, S. Rodin, L.S. Rossi
Partij(en)
In zaak C-497/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 8 juli 2022, ingekomen bij het Hof op 22 juli 2022, in de procedure
EM
tegen
Roompot Service BV,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), J.-C. Bonichot, S. Rodin en L. S. Rossi, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
EM, vertegenwoordigd door V. Gensch, Rechtsanwalt,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Kienapfel en S. Noë als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 juni 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen EM, die in Duitsland woont, en Roompot Service BV, een in Nederland gevestigde toeristische onderneming, over de terugbetaling van de door die particulier betaalde prijs — vermeerderd met rente en kosten — voor het gebruik voor korte tijd van een bungalow die gelegen is in een door die onderneming geëxploiteerd vakantiepark.
Toepasselijke bepalingen
3
De overwegingen 15, 16 en 34 van verordening nr. 1215/2012 luiden:
- ‘(15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. […]
- (16)
Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. […]
[…]
- (34)
De continuïteit tussen het [op 27 september 1968 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het Verdrag van Brussel van 1968 en de verordeningen ter vervanging daarvan.’
4
In afdeling 1 (‘Algemene bepalingen’) van hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 bepaalt artikel 4, lid 1, van deze verordening:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
5
In afdeling 6 (‘Exclusieve bevoegdheid’) van dat hoofdstuk II bepaalt artikel 24 van die verordening:
‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
- 1)
voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.
Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden zijn evenwel ook bevoegd de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
6
Op 23 juni 2020 heeft EM op de website van Roompot Service voor de periode van 31 december 2020 tot en met 4 januari 2021 een bungalow in het Waterpark Zwartkruis te Noordbergum (Nederland) geboekt voor een groep van negen personen uit meer dan twee verschillende huishoudens.
7
De boeking in kwestie omvatte de beschikbaarstelling van beddenlinnen en eindschoonmaak tegen een bedrag van in totaal 1 902,80 EUR, dat volledig werd betaald door EM.
8
In voormeld waterpark bevinden zich bungalows die direct aan het meer liggen en elk over een aparte aanlegsteiger beschikken. Tegen een extra vergoeding kunnen boten en kano's worden gehuurd.
9
Roompot Service heeft EM vóór haar aankomst en op haar verzoek per e-mail bevestigd dat het betreffende waterpark gedurende de boekingsperiode ondanks de COVID-19-pandemie geopend was, maar dat EM op grond van de vigerende Nederlandse regeling enkel met haar gezin en ten hoogste twee personen uit een ander huishouden in de bungalow kon verblijven. Roompot Service heeft EM tevens aangeboden om haar verblijf om te boeken naar een latere datum.
10
Aangezien EM het verblijf niet had aangevangen en ook niet was ingegaan op het aanbod om de boeking te wijzigen, heeft Roompot Service haar een bedrag van 300 EUR terugbetaald.
11
EM heeft bij het Amtsgericht Neuss (rechter in eerste aanleg Neuss, Duitsland) een vordering ingesteld die ertoe strekte dat Roompot Service het resterende bedrag, te weten 1 602,80 EUR, vermeerderd met rente en kosten, zou terugbetalen. Verweerster heeft betwist dat de Duitse rechterlijke instanties internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van een dergelijke vordering.
12
Het Amtsgericht Neuss heeft die vordering bij vonnis van 1 oktober 2021 ongegrond verklaard en afgewezen.
13
EM heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland), de verwijzende rechter.
14
Die rechter vraagt zich af of de Nederlandse rechterlijke instanties exclusief internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van het hoofdgeding op grond van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012.
15
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat uit de rechtspraak van het Hof over de toepassing van artikel 16, punt 1, van het op 27 september 1968 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’), thans artikel 16, punt 1, onder a), van dat verdrag, waarvan de inhoud in wezen is overgenomen in artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 — te weten de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 15 januari 1985, Rösler (241/83, EU:C:1985:6); 26 februari 1992, Hacker (C-280/90, EU:C:1992:92), en 27 januari 2000, Dansommer (C-8/98, EU:C:2000:45) — blijkt dat overeenkomsten over de verhuur van een vakantiewoning in het buitenland in beginsel behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de plaats waar het onroerend goed in kwestie gelegen is. Dit beginsel lijdt slechts uitzondering wanneer het gaat om een complexe overeenkomst, dat wil zeggen een overeenkomst op grond waarvan tegen een door de klant betaalde totaalprijs een geheel van diensten moet worden verricht.
16
De verwijzende rechter preciseert dat de in casu in aanmerking komende extra diensten bestaan in het aanbieden van diverse bungalows met verschillende uitrusting op de website van verweerster in het hoofdgeding, alsmede in de reservering van de bungalow voor de klant, diens ontvangst ter plaatse met de overhandiging van de sleutels, de beschikbaarstelling van beddenlinnen en een eindschoonmaak. De verwijzende rechter begrijpt de in het vorige punt van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof aldus dat die diensten als geheel volstaan opdat de overeenkomst van complexe aard is in de zin van die rechtspraak.
17
Volgens een deel van de Duitse rechtsleer hebben ondergeschikte nevenprestaties zoals het in goede staat houden van het betreffende goed of de schoonmaak ervan, het wisselen van beddenlinnen of de ontvangst ter plaatse, ‘onvoldoende gewicht’, zodat prestaties als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde extra diensten niet volstaan om te kunnen besluiten dat er sprake is van een complexe overeenkomst in de zin van voormelde rechtspraak.
18
De verwijzende rechter preciseert tevens dat het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de arresten van het Hof anders heeft geïnterpreteerd. Volgens die rechter hangt de kwalificatie van een overeenkomst uit het oogpunt van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 af van het antwoord op de vraag of de professionele reisorganisator zelf gehouden is tot de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning waarvan hij zelf niet de eigenaar is. In dat geval is deze bepaling volgens de verwijzende rechter niet van toepassing. Indien deze professionele reisorganisator daarentegen enkel bemiddelt bij de totstandkoming van een huurovereenkomst met de eigenaar van die woning, is die bepaling wel van toepassing.
19
In die omstandigheden heeft het Landgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Moet artikel 24, punt 1, eerste alinea, van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het verhuurde onroerend goed gelegen is, geldt voor een tussen een particulier en een professionele verhuurder van vakantiewoningen gesloten overeenkomst over het gebruik voor korte tijd van een bungalow die gelegen is in een door de verhuurder geëxploiteerd vakantiepark, waarbij deze overeenkomst niet alleen voorziet in de loutere terbeschikkingstelling van de bungalow, maar ook in het verrichten van extra diensten zoals een eindschoonmaak en de beschikbaarstelling van beddenlinnen, ongeacht of de vakantiebungalow eigendom is van de verhuurder dan wel van een derde?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
20
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van die bepaling van toepassing is op een tussen een particulier en een toeristische ondernemer gesloten overeenkomst waarbij die ondernemer een vakantiewoning die gelegen is in een door hem geëxploiteerd vakantiepark, voor persoonlijk gebruik ter beschikking stelt voor korte tijd, en die zich niet alleen uitstrekt tot het gebruik van die woning maar ook tot een geheel van diensten dat wordt verricht tegen een totaalprijs.
21
Vooraf zij eraan herinnerd dat verordening nr. 44/2001, die in de plaats is gekomen van het Executieverdrag, op haar beurt is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1215/2012, zodat de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de bepalingen van een van deze rechtsinstrumenten ook geldt voor de bepalingen van de overige rechtsinstrumenten, voor zover de respectieve bepalingen als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (arrest van 20 juni 2022, London Steam-Ship Owners' Mutual Insurance Association, C-700/20, EU:C:2022:488, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Dit geldt voor artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012. Deze bepaling komt immers overeen met artikel 16, punt 1, van het Executieverdrag — thans artikel 16, punt 1, onder a), van dit verdrag — en met artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 44/2001. De uitlegging die het Hof heeft gegeven aan laatstgenoemde bepalingen geldt dus ook voor de uitlegging van artikel 24 van verordening nr. 1215/2012.
23
Volgens vaste rechtspraak berust het in hoofdstuk II van verordening nr. 1215/2012 neergelegde gemeenschappelijke stelsel van toewijzing van bevoegdheden op de in artikel 4, lid 1, van deze verordening vervatte algemene regel dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit worden opgeroepen voor de gerechten van die staat (arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Hoofdstuk II, afdeling 6, van verordening nr. 1215/2012 voorziet slechts als afwijking van deze algemene regel in een aantal exclusievebevoegdheidsregels, waaronder die van artikel 24, punt 1, eerste alinea van die verordening, op grond waarvan de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed in kwestie gelegen is, bevoegd zijn om uitspraak te doen over huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen.
25
Tevens zij eraan herinnerd dat artikel 24, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 — zoals het Hof heeft geoordeeld — een afwijking van de algemene regel vormt, zodat deze bepaling niet ruimer mag worden uitgelegd dan vereist is voor de doelstelling die ermee wordt nagestreefd (arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Wat de met die bepaling nagestreefde doelstelling betreft, blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de voornaamste reden voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, bestaat in de omstandigheid dat het gerecht van de plaats waar het onroerend goed gelegen is, wegens zijn nabijheid het best in staat is om een goede kennis van de feiten te bezitten en om de ter zake geldende voorschriften en gebruiken — in de regel die van de staat waar het onroerend goed gelegen is — toe te passen (arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Wat met name huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen betreft, volgt uit deze rechtspraak dat die exclusieve bevoegdheid wordt gerechtvaardigd door de complexiteit van de huurverhouding die behalve de verplichting om de huur te betalen nog een reeks andere rechten en verplichtingen met zich meebrengt. Deze verhouding wordt geregeld door bijzondere wettelijke voorschriften — waarvan sommige dwingend zijn — van de staat waar het verhuurde onroerend goed gelegen is, zoals voorschriften die bepalen wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van het onroerend goed en voor de betaling van de onroerendgoedbelastingen, voorschriften waarin de verplichtingen van de bewoner van het onroerend goed jegens zijn buren zijn vastgelegd, en voorschriften waarbij het recht van de eigenaar om na afloop van de huurovereenkomst het onroerend goed weer in bezit te nemen wordt gecontroleerd of beperkt (arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
De exclusieve bevoegdheid inzake ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 is dan ook gericht op geschillen die betrekking hebben op de voorwaarden voor het genot van een onroerend goed (zie in die zin arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice, C-307/19, EU:C:2021:236, punt 79), te weten met name geschillen tussen verhuurders en huurders over het bestaan of de uitlegging van huurcontracten, over het herstel van schade die is veroorzaakt door een huurder of over de ontruiming van het gehuurde goed (zie in die zin arrest van 14 december 1977, Sanders, 73/77, EU:C:1977:208, punt 15).
29
Om vast te stellen of een geding binnen deze exclusieve bevoegdheid valt, moet er worden onderzocht of het betrekking heeft op een huurovereenkomst voor een onroerend goed en of het voorwerp ervan rechtstreeks verband houdt met de rechten en verplichtingen die uit die huurovereenkomst voortvloeien, aangezien uit de rechtspraak blijkt dat het voor de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat waar een onroerend goed gelegen is, niet voldoende is dat hetzelfde geding verband houdt met een huurovereenkomst voor dat onroerend goed (zie naar analogie arresten van 16 november 2016, Schmidt, C-417/15, EU:C:2016:881, punt 34, en 10 februari 2022, ShareWood Switzerland, C-595/20, EU:C:2022:86, punt 31).
30
In de arresten van 15 januari 1985, Rösler (241/83, EU:C:1985:6), 26 februari 1992, Hacker (C-280/90, EU:C:1992:92), en 27 januari 2000, Dansommer (C-8/98, EU:C:2000:45), heeft het Hof zich over het eerste deel van dat onderzoek kunnen uitspreken en in dit verband criteria vastgesteld aan de hand waarvan een binnen die exclusieve bevoegdheid vallende ‘huurovereenkomst’ kan worden onderscheiden van een niet binnen die bevoegdheid vallende complexe overeenkomst die betrekking heeft op een geheel van diensten.
31
Wat de kwalificatie van een overeenkomst over het gebruik van een vakantiewoning voor korte tijd betreft, heeft het Hof geoordeeld dat onder het begrip ‘huurovereenkomst’ een overeenkomst wordt verstaan waarbij de eigenaar van een vakantiewoning voor korte tijd een in die woning gelegen ruimte verhuurt en op grond waarvan het verschaffen van logies aan bezoekers niet is toegestaan, de bijkomende huurkosten voor elektriciteit, water en gas moeten worden berekend op basis van het verbruik en ook de eindschoonmaak afzonderlijk moet worden betaald (zie in die zin arrest van 15 januari 1985, Rösler, 241/83, EU:C:1985:6, punten 2, 24 en 25).
32
Daarentegen werd een overeenkomst over het gebruik van een vakantiewoning waarbij een professionele reisorganisator die niet de eigenaar van de woning was, voor rekening van zijn klant een reis over zee naar de bestemming in kwestie boekte tegen betaling van een extra vergoeding, niet gekwalificeerd als een ‘huurovereenkomst’, maar als een complexe overeenkomst die betrekking had op een geheel van diensten dat wordt verricht tegen een totaalprijs, omdat deze overeenkomst ongeacht haar benaming niet alleen het gebruik van die woning behelsde, maar ook andere prestaties zoals het verstrekken van informatie en advies waarmee de professionele reisorganisator de betrokken klant allerlei keuzemogelijkheden voor zijn vakantie bood, de reservering van accommodatie voor de door de klant gekozen periode, de boeking van de reis, de ontvangst ter plaatse en eventueel een annuleringsverzekering (zie in die zin arrest van 26 februari 1992, Hacker, C-280/90, EU:C:1992:92, punten 3, 14 en 15).
33
Een overeenkomst over het gebruik van een vakantiewoning die was gesloten met een professionele reisorganisator die slechts optrad als bemiddelaar tussen de betrokken klant en de eigenaar van die woning, in het kader van welke overeenkomst de premie van een annuleringsverzekering begrepen was, waarbij die reisorganisator de terugbetaling van de prijs ook waarborgde in geval van insolventie, zonder dat hij andere prestaties diende te verrichten, werd echter wél gekwalificeerd als een ‘huurovereenkomst’. Het Hof stelde namelijk vast dat deze overeenkomst uitsluitend betrekking had op de verhuur van een onroerend goed, omdat de clausules over de annuleringsverzekering en de garantie van terugbetaling van de prijs slechts bijkomende bepalingen waren die de kwalificatie van die overeenkomst niet konden wijzigen. Dat het niet ging om een geding waarin de eigenaar van de vakantiewoning in kwestie en de huurder rechtstreeks tegenover elkaar stonden leidde niet tot een andere gevolgtrekking, omdat die professionele reisorganisator was gesubrogeerd in de rechten van die eigenaar en niet had gehandeld als professionele reisorganisator, maar alsof hij de eigenaar van het betreffende onroerend goed was (zie in die zin arrest van 27 januari 2000, Dansommer, C-8/98, EU:C:2000:45, punten 7–11 en 33–37).
34
Uit de in de punten 31 tot en met 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt dat voor de kwalificatie van een overeenkomst die niet alleen betrekking heeft op het gebruik van een vakantiewoning voor korte tijd, maar daarnaast ook op een geheel van diensten, de betreffende contractuele verhouding in haar geheel en in haar context dient te worden beoordeeld, zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
35
In casu vraagt de verwijzende rechter zich af hoe een overeenkomst tussen een particulier en een toeristische ondernemer die een bungalow ter beschikking stelt die gelegen is in een door die ondernemer geëxploiteerd waterpark moet worden gekwalificeerd wanneer deze overeenkomst niet alleen het gebruik van dat goed behelst, maar ook het verrichten van andere diensten zoals het aanbieden van diverse bungalows met verschillende uitrusting op de website van verweerster in het hoofdgeding, de reservering van de gekozen bungalow voor de klant, diens ontvangst ter plaatse met de overhandiging van de sleutels, de beschikbaarstelling van beddenlinnen en een eindschoonmaak.
36
Met name vraagt de verwijzende rechter zich af of die extra diensten volstaan om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst te kwalificeren als een complexe overeenkomst die betrekking heeft op een geheel van diensten, en of het voor deze kwalificatie van enig belang is of de bungalow in kwestie eigendom is van de toeristische ondernemer dan wel van een derde.
37
In dit verband moet om te beginnen worden gepreciseerd dat het aan die rechter staat om, rekening houdend met alle informatie waarover hij beschikt, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst te kwalificeren.
38
Daartoe zal de verwijzende rechter in de eerste plaats moeten onderzoeken of de extra diensten in kwestie, die worden verricht naast het toestaan van het gebruik van de vakantiewoning die het voorwerp uitmaakt van de betreffende overeenkomst, met zich meebrengen dat het om een complexe overeenkomst gaat.
39
Dat is met name het geval wanneer die diensten tegen een totaalprijs worden aangeboden onder dezelfde voorwaarden als de diensten die worden aangeboden aan de klanten van een hotel, omdat artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 dan niet van toepassing is (zie naar analogie arrest van 13 oktober 2005, Klein en Klein, C-73/04, EU:C:2005:607, punt 27). Daarentegen verandert niet elke extra prestatie die ondergeschikt is aan het toestaan van het gebruik van een vakantiewoning noodzakelijkerwijs de kwalificatie van de overeenkomst in kwestie als huurovereenkomst, maar moet zij worden onderzocht in de context van deze overeenkomst.
40
Wat de door de verwijzende rechter genoemde extra prestaties betreft, is noch de eindschoonmaak, noch de beschikbaarstelling van beddenlinnen doorslaggevend om op zichzelf beschouwd een huurovereenkomst te kunnen onderscheiden van een complexe overeenkomst over de organisatie van een verblijf. Hoewel de huurder na afloop van een huurovereenkomst gewoonlijk de woning moet schoonmaken, is het niet uitgesloten dat de verhuurder — wegens het bijzondere karakter van de seizoensgebonden verhuur van vakantiewoningen — een dergelijke last op zich neemt zonder dat dit de aard van die overeenkomst als huurovereenkomst voor een onroerend goed wijzigt. Hetzelfde geldt voor de beschikbaarstelling van beddenlinnen en voor de overhandiging van de sleutels.
41
Diensten die bestaan in het verstrekken van informatie en advies, in de reservering en de ontvangst, die samen met het gebruik deel uitmaken van het aanbod van een toeristische ondernemer, zijn daarentegen diensten die over het algemeen worden verricht in het kader van een complexe overeenkomst over de organisatie van een verblijf.
42
In de tweede plaats zal de verwijzende rechter bij de algehele beoordeling van de informatie waarover hij beschikt ook moeten onderzoeken in welke hoedanigheid de reisorganisator in kwestie betrokken is bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele verhouding.
43
Zoals blijkt uit de in punt 33 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan de omstandigheid dat de reisorganisator niet de eigenaar van de woning is, maar in de rechten van de eigenaar is gesubrogeerd, op zichzelf beschouwd de eventuele kwalificatie van de betreffende overeenkomst als huur van een onroerend goed niet wijzigen. Indien de reisorganisator optreedt als toeristische ondernemer en in verband met een georganiseerd verblijf extra diensten aanbiedt op grond waarvan het aanbod wordt aanvaard, kan deze omstandigheid daarentegen — zoals blijkt uit de in punt 32 van dit arrest aangehaalde rechtspraak — een aanwijzing vormen dat die overeenkomst een complexe overeenkomst is.
44
In casu lijkt te kunnen worden aangenomen dat artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 — onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties — niet van toepassing is op een overeenkomst als in het hoofdgeding, gelet op het feit dat een woning ter beschikking wordt gesteld in een vakantiepark dat bestaat uit gestandaardiseerde verblijfsvoorzieningen die een homogeen geheel vormen, zoals het Waterpark Zwartkruis, dat wordt geëxploiteerd door een toeristische ondernemer als Roompot Service, alsmede gelet op het feit dat een verblijf wordt aangeboden tegen een totaalprijs die de kwaliteit en het belang van alle in dat vakantiepark aangeboden diensten weerspiegelt.
45
Deze gevolgtrekking beantwoordt aan het vereiste van een strikte uitlegging van de in artikel 24, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 neergelegde exclusievebevoegdheidsregel en aan de met deze bepaling nagestreefde doelstelling die er, zoals in punt 27 van dit arrest in herinnering is gebracht, in bestaat om in de werkingssfeer van die bepaling alleen contractuele betrekkingen tussen verhuurders en huurders op te nemen die een reeks rechten en verplichtingen behelzen die worden geregeld door bijzondere — over het algemeen dwingende — wettelijke voorschriften over het gebruik van de eigendom van een onroerend goed die zijn vastgesteld door de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, waarvan de gerechten wegens hun nabijheid het best in staat zijn om kennis te nemen van geschillen over huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen.
46
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van die bepaling niet van toepassing is op een tussen een particulier en een toeristische ondernemer gesloten overeenkomst waarbij die ondernemer een vakantiewoning die gelegen is in een door hem geëxploiteerd vakantiepark, voor persoonlijk gebruik ter beschikking stelt voor korte tijd, en die zich niet alleen uitstrekt tot het gebruik van die woning maar ook tot een geheel van diensten dat wordt verricht tegen een totaalprijs.
Kosten
47
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus moet worden uitgelegd dat
het begrip ‘huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen’ in de zin van die bepaling niet van toepassing is op een tussen een particulier en een toeristische ondernemer gesloten overeenkomst waarbij die ondernemer een vakantiewoning die gelegen is in een door hem geëxploiteerd vakantiepark, voor persoonlijk gebruik ter beschikking stelt voor korte tijd, en die zich niet alleen uitstrekt tot het gebruik van die woning maar ook tot een geheel van diensten dat wordt verricht tegen een totaalprijs.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑11‑2023
Conclusie 29‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Exclusieve bevoegdheid — Artikel 24, punt 1, eerste alinea — Geschillen inzake huur en verhuur van onroerende goederen — Boeking van een bungalow in een vakantiepark — Overeenkomst inzake gebruik of terbeschikkingstelling voor korte tijd tussen een particulier en een professionele verhuurder van vakantiewoningen die dat park exploiteert — Andere prestaties
J. richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-497/221.
EM
tegen
Roompot Service BV
[verzoek van het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.2.
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de in Duitsland wonende EM en Roompot Service BV, waarvan de zetel is gevestigd in Nederland en die een in die lidstaat gelegen vakantiepark met vakantiewoningen exploiteert. Het geding betreft de terugbetaling van de betaalde prijs voor het gebruik voor korte tijd van een van bungalows van dat park, vermeerderd met rente en kosten.
3.
Ik zal de redenen uiteenzetten waarom ik primair van mening ben dat het geding betrekking heeft op een gemengde overeenkomst, die bijgevolg niet valt onder de exclusieve bevoegdheid voor huur en verhuur van onroerende goederen, als bedoeld in verordening nr. 1215/2012. Subsidiair, voor het geval dat het Hof van oordeel zou zijn dat de in geding zijnde overeenkomst binnen de werkingssfeer valt van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van die verordening, ben ik van mening dat de vordering in het hoofdgeding verband houdt met die overeenkomst en ook binnen de werkingssfeer van die bepaling valt.
II. Toepasselijke bepalingen
4.
In hoofdstuk II, afdeling 6, van verordening nr. 1215/2012, met als opschrift ‘Exclusieve bevoegdheid’, bepaalt artikel 24, punt 1:
‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
- 1.
voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is.
Voor huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen voor tijdelijk particulier gebruik voor ten hoogste zes opeenvolgende maanden zijn evenwel ook bevoegd de gerechten van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft, mits de huurder of pachter een natuurlijke persoon is en de eigenaar en de huurder of pachter woonplaats in dezelfde lidstaat hebben’.
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
5.
Op 23 juni 2020 heeft EM, een natuurlijke persoon met woonplaats in Duitsland, via de website van Roompot Service3., waarvan de zetel in Nederland is gevestigd, een bungalow geboekt in het in die lidstaat te Noardburgum gelegen vakantiepark ‘Waterpark Zwartkruis’4., dit voor de periode van 31 december 2020 tot en met 4 januari 2021 en voor een groep van negen personen uit meer dan twee verschillende huishoudens.
6.
Het ter beschikking gestelde beddenlinnen en de eindschoonmaak waren inbegrepen in de prijs van 1 902,80 EUR, die EM volledig heeft betaald.
7.
Waterpark Zwartkruis is een waterpark met vakantiewoningen die direct aan het meer liggen en elk over een eigen aanlegsteiger beschikken. Tegen een extra vergoeding kunnen boten en kano's worden gehuurd.
8.
Roompot Service heeft EM vóór aankomst en op haar verzoek per e-mail meegedeeld dat Waterpark Zwartkruis gedurende de boekingsperiode open was, ondanks de COVID-19-pandemie, maar dat zij op grond van de Nederlandse wetgeving alleen met haar gezin en maximaal twee personen uit een ander huishouden in een bungalow mocht verblijven. Bovendien werd haar aangeboden om het verblijf naar een latere datum om te boeken.
9.
EM heeft niet in de bungalow verbleven en heeft haar boeking niet gewijzigd. Roompot Service heeft haar een bedrag ten belope van 300 EUR terugbetaald.
10.
EM heeft bij het Amtsgericht Neuss (rechter in eerste aanleg Neuss, Duitsland) een vordering ingesteld tegen Roompot Service tot terugbetaling van de resterende huurprijs ten bedrage van 1 602,80 EUR, vermeerderd met rente en kosten. Laatstgenoemde heeft de internationale bevoegdheid van de Duitse gerechten betwist. Bij beslissing van 1 oktober 2021 is de vordering ongegrond verklaard en afgewezen.
11.
EM heeft hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Düsseldorf (rechter in tweede aanleg Düsseldorf, Duitsland), dat zich thans buigt over de vraag of de Nederlandse gerechten overeenkomstig artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 exclusief bevoegd zijn om kennis te nemen van de zaak in het hoofdgeding.
12.
De verwijzende rechter wijst erop dat uit drie relevante beslissingen van het Hof over overeenkomsten inzake huur en verhuur van vakantiewoningen in het buitenland, waarin uitlegging wordt gegeven aan artikel 16, punt 1, van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken5., dat inhoudelijk nagenoeg identiek is overgenomen in verordening nr. 1215/2012, namelijk de arresten van 15 januari 1985, Rösler6., 26 februari 1992, Hacker7., en 27 januari 2000, Dansommer8., volgt dat dergelijke overeenkomsten in beginsel vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de gerechten van de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Volgens het Hof is er alleen dan sprake van een uitzondering op die regel wanneer het een gemengde overeenkomst betreft, dat wil zeggen wanneer de overeenkomst een pakket van diensten omvat in ruil voor een door de klant betaalde totaalprijs.9.
13.
De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat de in casu in aanmerking komende extra diensten bestaan in het aanbieden van diverse bungalows met een verschillende inrichting op de website van Roompot Service (onder de rubriek ‘informatie en advies’), de voor EM verrichte boeking, de ontvangst ter plaatse en de overhandiging van de sleutels, de beschikbaarstelling van beddenlinnen en het verrichten van een eindschoonmaak. De verwijzende rechter begrijpt de rechtspraak van het Hof aldus dat deze diensten als geheel voldoende gewicht moeten hebben om de overeenkomst een gemengd karakter te verlenen.
14.
Volgens een deel van de Duitse rechtsleer hebben ondergeschikte aanvullende prestaties, zoals het in goede staat houden van het goed dan wel de schoonmaak ervan, het wisselen van beddenlinnen of de ontvangst ter plaatse, onvoldoende gewicht, zodat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanvullende prestaties niet volstaan om te kunnen concluderen dat er sprake is van een gemengde overeenkomst.
15.
De verwijzende rechter preciseert tevens dat het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de arresten van het Hof anders heeft geïnterpreteerd.10. Op basis van de arresten Hacker en Dansommer heeft deze rechterlijke instantie geoordeeld dat de bepaling van de bevoegdheid op grond van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 uitsluitend afhangt van de vraag of de professionele reisorganisator gehouden is tot terbeschikkingstelling van een vakantiewoning die eigendom is van een derde. In dat geval is deze bepaling niet van toepassing. Indien de professionele reisorganisator daarentegen enkel bemiddelt bij de totstandkoming van een huurovereenkomst met de eigenaar, is die bepaling wel van toepassing.
16.
De verwijzende rechter betwijfelt of die uitlegging verenigbaar is met de rechtspraak van het Hof.
17.
In die omstandigheden heeft het Landgericht Düsseldorf besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
‘Moet artikel 24, punt 1, eerste [alinea], van verordening [nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, geldt voor een overeenkomst tussen een particulier en een professionele verhuurder van vakantiewoningen inzake het gebruik van een bungalow voor korte tijd in een door de verhuurder geëxploiteerd vakantiepark, welke overeenkomst naast het loutere gebruik van de bungalow voorziet in andere prestaties bestaande in een eindschoonmaak en de beschikbaarstelling van beddenlinnen, ongeacht of de vakantiebungalow eigendom is van de verhuurder of van een derde?’
18.
EM en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Analyse
19.
De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen welke relevante criteria in aanmerking moeten worden genomen om een overeenkomst inzake het gebruik van een bungalow voor korte tijd in een vakantiepark aan te merken als een overeenkomst voor huur en verhuur van een onroerend goed in de zin van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012, dan wel als een gemengde overeenkomst die betrekking heeft op een dienstenpakket.
20.
De bepalingen van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van deze verordening zijn gelijkwaardig aan die van artikel 16, lid 1, thans lid 1, onder a)11., van het Verdrag van Brussel en van artikel 22, punt 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 44/200112., zodat de uitlegging die het Hof van laatstgenoemde bepalingen heeft gegeven ook geldt voor eerstgenoemde bepalingen.13.
21.
Wat het door deze bepalingen nagestreefde doel betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof:
- —
de voornaamste reden voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen, de omstandigheid is dat het gerecht van de plaats waar het onroerend goed gelegen is vanwege zijn nabijheid het best in staat is om zich op de hoogte te stellen van de feitelijke situatie en om de ter zake geldende voorschriften en gebruiken — in de regel die van de staat waar het onroerend goed is gelegen — toe te passen, en
- —
de exclusieve bevoegdheid ter zake van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen wordt gerechtvaardigd door de complexiteit van de huurverhouding die, behalve de verplichting om de huur te betalen, nog een reeks andere rechten en verplichtingen met zich meebrengt. Deze verhouding wordt beheerst door bijzondere, gedeeltelijk dwingende wettelijke voorschriften van de staat waar het verhuurde onroerend goed is gelegen, zoals voorschriften die bepalen wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van het onroerend goed en voor de betaling van de onroerendgoedbelastingen en die ook de verplichtingen van de bewoner van het onroerend goed tegenover zijn buren vastleggen, alsmede bepalingen die het recht van de eigenaar om na afloop van de huurovereenkomst het onroerend goed weer in bezit te nemen, regelen of beperken.14.
22.
Overeenkomstig artikel 25, lid 4, van verordening nr. 1215/2012 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken van deze exclusieve bevoegdheid.
23.
De bepaling van de bevoegdheid van de nationale gerechten ter zake van huur en verhuur van vakantiewoningen is het voorwerp geweest van drie arresten van het Hof, namelijk de arresten Rösler, Hacker en Dansommer15., en van twee wetswijzigingen16.. Deze wetswijzigingen hebben een afwijking ingevoerd van de exclusieve bevoegdheid van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van die verordening wanneer beide partijen bij het geding woonplaats in dezelfde lidstaat hebben.17. Er zij echter op gewezen dat de wetswijziging waarbij een tweede alinea is ingevoegd in artikel 24, punt 1, van de verordening, wat huurovereenkomsten voor woningen betreft, niet geheel strookt met de door het Hof voorgestane rechtvaardiging van de principiële regel, die in punt 21 van deze conclusie in herinnering is gebracht.18.
24.
Kortom, de betreffende regeling geldt al bijna twintig jaar voor de huur en verhuur van vakantiewoningen voor korte tijd, zonder dat de nationale rechters tot op heden nieuwe uitleggingsproblemen onder de aandacht van het Hof hebben gebracht.
25.
Uit die rechtspraak van het Hof volgt dat voor de toepassing van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 aan twee voorwaarden moet worden voldaan. In de eerste plaats moet het geding betrekking hebben op een huurovereenkomst van een onroerend goed in de zin van die bepaling. Is dat het geval, dan moet het geding in de tweede plaats betrekking hebben op de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen. Indien niet aan de eerste voorwaarde is voldaan, hoeft de tweede niet te worden onderzocht.
A. Kwalificatie van de overeenkomst
26.
Uit de twee meest recente arresten van het Hof, namelijk de arresten Hacker en Dansommer, blijkt dat voor de kwalificatie als huurovereenkomst vereist is dat geen aanvullende prestaties worden verricht naast de hoofdverplichting om een vakantiewoning ter beschikking te stellen.19.
27.
De door de verwijzende rechter opgeworpen vragen vloeien voort uit de vergelijking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele verbintenissen met die in het arrest Hacker. In punt 31 van het arrest Dansommer worden die als volgt in herinnering gebracht: ‘De overeenkomst waarom het [ging in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Hacker], was tussen een professionele reisorganisator en diens klant gesloten in de staat waar zij respectievelijk hun zetel en woonplaats hadden. Zij omvatte weliswaar een prestatie in de vorm van de terbeschikkingstelling van een vakantiewoning voor een korte periode, maar daarnaast ook andere prestaties, zoals informatie en advies bij de keuzemogelijkheden die de reisorganisator de klant voor zijn vakantie aanbiedt, de reservering van een vakantiewoning voor de door de klant gekozen periode, de boeking van vervoertickets, de ontvangst ter plaatse en, in voorkomend geval, een annuleringsverzekering (arrest Hacker […], punt 14).’
28.
Mijns inziens volgt uit die beide arresten dat de rechter, teneinde te beslissen over zijn bevoegdheid, de betrokken contractuele verhouding in haar geheel en in haar context moet beoordelen om vast te stellen of zij uitsluitend het gebruik van een vakantiewoning tot doel heeft, dan wel de verbintenis inhoudt om niet alleen die woning ter beschikking te stellen van de betrokkene, maar ook diensten aan te bieden die specifiek zijn voor een vakantieverblijf.20. Diensten zoals eindschoonmaak, het ter beschikking stellen van beddenlinnen en dergelijke meer, die kunnen worden geleverd in ongeacht welk onroerend goed dat door een particuliere of professionele aanbieder wordt verhuurd, hebben mijns inziens geen invloed op de kwalificatie van de overeenkomst, aangezien die diensten ondergeschikt zijn aan de bewoning van dat goed.
29.
Hetzelfde geldt voor de vraag of de vakantiewoning rechtstreeks door de eigenaar of in diens naam werd verhuurd. Naar mijn mening had het Hof in het arrest Dansommer niet de bedoeling om de criteria voor het bepalen van de internationale bevoegdheid te wijzigen.21.Het volstaat dat de contractuele verbintenis betrekking heeft op het gebruik van het onroerend goed.22. Er wordt immers van uitgegaan dat de verhuurder gemachtigd is om een dergelijke verbintenis aan te gaan. Het kan niet de taak van de huurder van een vakantiewoning zijn om na te gaan wie de eigenaar ervan is, met name wanneer hij besluit om gerechtelijke stappen te ondernemen.
30.
Daarentegen vertoont de terbeschikkingstelling van accommodatie op speciaal voor vakanties ingerichte plaatsen, zoals het door Roompot Service geëxploiteerde Waterpark Zwartkruis23., net als een georganiseerd verblijf24. bijzondere kenmerken die mijns inziens, indien zij door de verwijzende rechter worden vastgesteld, de kwalificatie van de betrokken overeenkomst als ‘gemengde overeenkomst’ rechtvaardigen.
31.
Ten eerste moet worden nagegaan op welke grondslag de contractuele verhouding tot stand is gekomen. In casu heeft de verwijzende rechter geen gewag gemaakt van het bestaan van een huurovereenkomst, zoals die schriftelijk wordt gesloten wanneer de betrokkene wordt ondergebracht in een vrijstaande woning25., en evenmin verwezen naar de inhoud daarvan, met name naar de voorwaarden voor betaling van de volledige prijs. Meer bepaald wordt niet nader aangegeven of de boeking betrekking had op een vooraf bepaalde bungalow.26. In een vastgoedpark, dat bestaat uit gestandaardiseerde wooneenheden die een homogeen geheel vormen en dat in voorkomend geval ook gebouwen voor collectief gebruik omvat, worden de verbintenissen inzake het gebruik van één van de gemeubileerde verblijven echter kennelijk, net als in een hotelcomplex, aangegaan onder eigen verantwoordelijkheid van de exploitant van dat park, die doorgaans de contactpersoon voor klachten is.
32.
Ten tweede moet worden opgemerkt dat dit type vakantieaccommodatie ontworpen is met het oog op de organisatie van het verblijf in zijn geheel. In casu heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat de gehuurde woning gelegen is in een waterpark waarvan de inrichting juist bedoeld is om de aldaar verblijvende personen vrijetijdsgerelateerde diensten aan te bieden.27. Hieruit kan worden afgeleid dat de vakantieganger ook een bepaalde mate van comfort en adviesverlening verwacht en dat deze aspecten worden gepromoot op het moment waarop een dergelijke accommodatie wordt geboekt. In die context is de professionele hoedanigheid van de organisator van het verblijf in een vakantiepark naar mijn mening doorslaggevend28., evenals de eventuele vaststelling dat de aangeboden woningen het hele jaar door, zonder enige beperking in de tijd, beschikbaar zijn, aangezien het aanbod op basis van die criteria kan worden onderscheiden van seizoensgebonden verhuur.
33.
Ten derde moet er bij de beoordeling ook rekening worden gehouden met de totaalprijs van het verblijf.29. Het lijkt mij immers noodzakelijk te weten of die prijs de kosten van meerdere diensten of het in een dergelijk vakantiepark aangeboden dienstenpakket omvat, rekening houdend met de kwaliteit of het gewicht ervan, hetgeen zou rechtvaardigen dat die prijs niet rechtstreeks verband houdt met de huurprijs van een individuele woning op de lokale huurmarkt van particuliere vakantiewoningen30., maar veeleer wordt vastgesteld volgens de gestandaardiseerde comfortklasse zoals in een hotel. In dat geval zou die prijs niet onderworpen zijn aan dwingende voorschriften die vergelijkbaar zijn met die welke kunnen gelden voor huurovereenkomsten voor woningen.
34.
Ik ben dan ook van mening dat het aan de nationale rechter staat om zich te vergewissen van alle contractuele voorwaarden en van de bijzondere kenmerken van de voor een kort verblijf aangeboden accommodatie in een vakantiepark zoals, in casu, Waterpark Zwartkruis. Door een bundel van gegevens te verzamelen met betrekking tot de diensten van de exploitant van een vakantiepark, die door de verwijzende rechter wordt omschreven als ‘professioneel verhuurder van vakantiewoningen’, kan de nationale rechter de beperkingen overstijgen die worden gesteld door een onderzoek per geval, zoals dat ter beoordeling aan het Hof wordt voorgelegd of in de rechtsleer wordt besproken.31. Deze aanpak zorgt ook voor voldoende voorspelbaarheid.
35.
Een dergelijke benadering is ook geschikt in het kader van het diverse aanbod aan toeristische woningen dat in tal van lidstaten tot stand is gekomen.32. In dit verband zij opgemerkt dat die diversiteit tot uiting komt in de terminologie op dit gebied. Zo worden recreatiebungalowparken onderscheiden van toeristenverblijven en vakantiedorpen naargelang van het type van accommodatie of gemeubileerde vakantieverhuur, zoals een huis, appartement, bungalow, mobiel recreatieverblijf of lichte recreatiewoning, alsook naargelang van het type van vrijetijdsgerelateerde diensten dat wordt aangeboden.
36.
Bovendien is de toegang tot die ruime waaier aan aanbiedingen aanzienlijk verruimd doordat steeds meer boekingen worden verricht via internet.33. Tot slot moet rekening worden gehouden met het feit dat de Unierechtelijke wetgevende en jurisprudentiële context sinds de arresten van het Hof in de zaken Rösler, Hacker en Dansommer ingrijpend is geëvolueerd op het vlak van consumentenbescherming34. en op het gebied van vakantie in het bijzonder35.. Ook in het nationale recht zijn specifieke wettelijke regelingen voor toeristische accommodaties vastgesteld.36.
37.
In de specifieke context van de verhuur van woningen in vakantieparken lijkt de rechtvaardiging die wordt gegeven voor de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten waar het — voor korte tijd37. verhuurde — onroerend goed gelegen is, mij dan ook niet relevant, wat ervoor pleit om de vraag van de verwijzende rechter te beantwoorden overeenkomstig het beginsel dat artikel 24, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 strikt moet worden uitgelegd.38.
38.
Ik geef het Hof derhalve in overweging om, net als in het arrest Hacker, te oordelen dat artikel 24, punt 1, eerste alinea, van die verordening niet van toepassing is op de terbeschikkingstelling door een professionele reisorganisator van een woning in een vakantiepark voor kortstondig particulier gebruik, aangezien de contractuele verhouding moet worden aangemerkt als een ‘gemengde overeenkomst’ in de zin van die rechtspraak.
39.
Mocht het Hof echter van oordeel zijn dat de in geding zijnde overeenkomst uitsluitend betrekking heeft op de verhuur van een vakantiewoning, zoals in de zaak Dansommer, dan dient de door EM bij de verwijzende rechter ingestelde vordering te worden onderzocht.
B. Voorwerp van de vordering
40.
De vordering van EM vindt haar oorsprong in het feit dat zij in juni 2020 een bungalow heeft geboekt voor meer dan twee huishoudens en in totaal negen personen, maar van Roompot Service enkel de toestemming heeft gekregen om er vanaf 31 december 2020 met haar gezin en twee personen uit een ander huishouden te verblijven.39. In de verwijzingsbeslissing wordt aangegeven dat EM terugbetaling eist van ‘de resterende huurprijs’ nadat Roompot Service haar een deel van het bedrag van de ‘huurprijs’ heeft gerestitueerd.40.
41.
In het onderhavige geval verwijst de term ‘huurprijs’ naar de prijs van het verblijf, die volledig door EM is betaald. Er wordt niet gespecificeerd of die prijs specifieke kosten omvatte die niet rechtstreeks verband hielden met het gebruik van de vakantiewoning, zoals bijvoorbeeld boekingskosten, wat de gedeeltelijke terugbetaling aan EM zou kunnen doen vermoeden.41.
42.
In het geval van een vordering die betrekking had op de betaling van huurgelden als tegenprestatie voor het recht op genot van een onroerend goed, heeft het Hof geoordeeld dat de exclusieve bevoegdheid voor huur en verhuur van onroerende goederen geldt wanneer het voorwerp van het geding rechtstreeks verband houdt met het gebruik van het gehuurde goed.42.
43.
In het kader van die rechtsregeling verdienen twee omstandigheden van de onderhavige zaak bijzondere aandacht. Ten eerste kan het feit dat de huurder niet het genot heeft gehad van het gehuurde goed mijns inziens niet de kwalificatie van de vordering van EM te wijzigen. Die omstandigheid ontslaat haar in beginsel niet van haar verplichtingen jegens Roompot Service. Ten tweede moet de wijziging van de voorwaarden van de huurovereenkomst van het goed worden aangemerkt als een verzuim van Roompot Service om haar contractuele verplichtingen na te komen, ook al zou die wijziging gerechtvaardigd zijn door de beperkingen die in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie zijn opgelegd.43.
44.
In die omstandigheden ben ik van mening dat het voorwerp van het geschil in het hoofdgeding onder de exclusieve bevoegdheid valt van de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien EM ten belope van het geëiste bedrag vergoeding had gevorderd van schade die slechts indirect verband houdt met het gebruik van het gehuurde goed.44.
45.
Voor het geval dat het Hof van oordeel zou zijn dat de overeenkomst tussen EM en Roompot Service betrekking heeft op het gebruik van een vakantiewoning, ben ik dan ook subsidiair van mening dat de exclusieve bevoegdheidsregel van artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening nr. 1215/2012 ook van toepassing is, omdat het geschil betrekking heeft op de uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen.
V. Conclusie
46.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Landgericht Düsseldorf te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 24, punt 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet primair aldus worden uitgelegd dat
een overeenkomst waarbij een professionele reisorganisator een vakantiewoning in een vakantiepark ter beschikking stelt voor kortstondig particulier gebruik, niet binnen de werkingssfeer ervan valt.
Subsidiair moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat een vordering tot gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde prijs wegens wijziging door een van de partijen van de voorwaarden van een overeenkomst voor de huur van een vakantiewoning binnen de werkingssfeer ervan valt.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑06‑2023
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2012, L 351, blz. 1.
Duitstalige website: www.roompot.de.
Hierna: ‘Waterpark Zwartkruis’.
Op 27 september 1968 te Brussel ondertekend Verdrag (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit Verdrag (PB 1998, C 27, blz. 1) (hierna: ‘Verdrag van Brussel’).
241/83, EU:C:1985:6; hierna: ‘arrest Rösler’.
C-280/90, EU:C:1992:92; hierna: ‘arrest Hacker’.
C-8/98, EU:C:2000:45; hierna: ‘arrest Dansommer’.
Zie punt 27 van deze conclusie.
Voor zover ik kan nagaan, verwijst de verwijzende rechter naar de arresten van 23 oktober 2012, X ZR 157/11 (punten 11 e.v.), en 28 mei 2013, X ZR 88/12 (punten 8 e.v.).
Zie punt 23 van deze conclusie.
Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
Zie met name arrest van 20 juni 2022, London Steam-Ship Owners' Mutual Insurance Association (C-700/20, EU:C:2022:488, punt 42).
Zie met name arrest Rösler (punten 19 en 20), en arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice (C-307/19, EU:C:2021:236, punten 77 en 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Die arresten zijn door de verwijzende rechter samengevat in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing. Zie punt 12 van deze conclusie.
Zie artikel 24, punt 1, tweede alinea, met betrekking tot huur en verhuur voor ten hoogste zes [opeenvolgende] maanden (zie punt 4 van deze conclusie), op grond waarvan de verweerder kan worden gedaagd voor een gerecht van de lidstaat waar hij woonplaats heeft. In het onderhavige geval is deze bepaling niet van toepassing. De woonplaats van EM en de zetel van Roompot Service zijn niet in dezelfde lidstaat gelegen. Over de totstandkomingsgeschiedenis van deze na het arrest Rösler in het Verdrag van Brussel ingevoerde alinea, zie Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., Compétence et exécution des jugements en Europe, Règlements 44/2001 et 1215/2012, Conventions de Bruxelles (1968) et de Lugano (1998 et 2007), 6e druk, Librairie générale de droit et de jurisprudence, collection ‘Droit des affaires’, Parijs, 2018, blz. 152–154, punten 112–114.
Met betrekking tot de gevolgen voor het toepasselijke recht bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen, zie artikel 4, lid 1, onder d), van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6).
Zie arrest Dansommer (punten 30–35). Zie ook arrest van 10 februari 2022, ShareWood Switzerland (C-595/20, EU:C:2022:86, punten 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De uitdrukking ‘terbeschikkingstelling’ lijkt mij meer van toepassing op het geval waarin een vakantiewoning wordt geboekt bij een professionele reisorganisator. De uitdrukking ‘gebruik’, die sinds het arrest Rösler [punt 25; zie ook de opmerking, op blz. 113 van dat arrest, dat die uitdrukking voorkomt in het rapport van Schlosser over het Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, alsmede tot het Protocol betreffende de uitlegging daarvan door het Hof van Justitie (PB 1979, C 59, blz. 71, in het bijzonder blz. 120)] wordt gebezigd in de arresten van het Hof over kortlopende huurovereenkomsten, moet mijns inziens worden voorbehouden aan gevallen waarin de eigenaar of diens gevolmachtigde zich ertoe verbindt om aan een medecontractant (de huurder) het exclusieve genot te verschaffen van een onroerend goed dat in de door partijen gesloten overeenkomst is aangewezen. In het specifieke geval van een vakantiepark wordt dan ook volgens mij slechts een verbintenis inzake het gebruik van een van de aan de vakantiegangers ter beschikking gestelde woningen aangegaan onder de verantwoordelijkheid van degene die haar aanbiedt.
Zie de punten 36 en 37 van dat arrest; dat laatste punt had betrekking op het recht van de reisorganisator om in rechte op te treden, waarover het Hof specifiek door de verwijzende rechter was bevraagd. Zie ook de commentaar op dat arrest, Huet, A., ‘Compétence judiciaire. — Bail d'une maison de vacances conclu par un organisateur professionnel de voyages et un client. — Application de l'article 16-1° (oui)’, Journal du droit international (Clunet), LexisNexis, Parijs, april-mei-juni 2000, nr. 2, blz. 550–554, in het bijzonder blz. 553; zie ter vergelijking conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Hacker [C-280/90, niet gepubliceerd, EU:C:1991:466, punt 43, onder 1)].
Zie in die zin arresten Rösler (punt 25) en Dansommer (punten 31 en 33).
Zie bij wijze van voorbeeld arrest Hacker (punten 2 en 3). Zie ter vergelijking arrest Dansommer (punten 7 en 8), waarin wordt gepreciseerd dat de reisorganisator slechts als bemiddelaar optrad.
Wat de voorwaarden van de huur in kwestie betreft, zie de punten 5 en 6 van deze conclusie. Zie ter vergelijking arrest Hacker (punt 3). Ik merk op dat in punt 2 van dat arrest wordt aangegeven dat het geding betrekking had op een ‘als huurovereenkomst aangemerkte overeenkomst’.
Zie naar analogie arrest van 13 oktober 2005, Klein (C-73/04, EU:C:2005:607, punt 24).
Zie de punten 5 en 7 van deze conclusie voor het in de verwijzingsbeslissing weergegeven feitenoverzicht.
Zie in dit verband conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Hacker (C-280/90, niet gepubliceerd, EU:C:1991:466, punt 25).
Zie arrest Hacker (punt 15) en naar analogie arrest van 13 oktober 2005, Klein (C-73/04, EU:C:2005:607, punt 27).
Zie in dit verband conclusie van advocaat-generaal Darmon in de zaak Hacker (C-280/90, niet gepubliceerd, EU:C:1991:466, punt 30).
Zie punt 14 van deze conclusie. Zie ook Gaudemet-Tallon, H., en Ancel, M.-E., op. cit., punt 115, blz. 155.
Over het belang van het toeristisme in de Europese Unie, zie speciaal verslag van de Rekenkamer van de Europese Unie met als titel ‘EU-steun voor toerisme: behoefte aan een nieuwe strategische oriëntatie en een betere financieringsaanpak’, 2021, beschikbaar op het volgende internetadres: https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR21_27/SR_EU-invest-tourism_NL.pdf, punten 1–5.
Zie in die zin overweging 2 van richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van richtlijn 90/314/EEG van de Raad (PB 2015, L 326, blz. 1).
Zie richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64). Richtlijn 85/577 had betrekking op de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten. Richtlijn 97/7 had betrekking op de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten. Ik wijs erop dat overeenkomsten betreffende de verhuur van woonruimte uitgesloten zijn van de werkingssfeer van richtlijn 2011/83 [zie artikel 3, onder f)]. Er is niet voorzien in een uitzondering voor kortetermijnverhuur.
Zie richtlijn 2015/2302, die betrekking heeft op pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen. Volgens artikel 3 van die richtlijn wordt onder ‘reisdienst’ onder meer begrepen accommodatie die niet intrinsiek deel uitmaakt van personenvervoer en die niet voor bewoning is bestemd. Ik wijs er voorts op dat het sluiten van één overeenkomst voor een vakantieverblijf, waaronder zowel accommodatie als huur van boten is begrepen, binnen de werkingssfeer van die richtlijn zou kunnen vallen. Zie ook richtlijn 2008/122/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de bescherming van de consumenten met betrekking tot bepaalde aspecten van overeenkomsten betreffende gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling (PB 2009, L 33, blz. 10).
Over de naleving van de nationale wettelijke regelingen inzake het gebruik van onroerend goed, zie arrest Rösler (punt 22). Zie bijvoorbeeld in het Franse recht, Painchaux, M., ‘Bail d'habitation. — Règles particulières à certains baux. — Locations saisonnières’, JurisClasseur Civil Code, LexisNexis, Parijs, 29 juli 2020, fascikel 690, in het bijzonder punt 6; in het Spaanse recht, Martínez Nadal, A. L., ‘Regulación del arrendamiento turístico en el Derecho español’, La regulación del alquiler turístico: una approximación de Derecho comparado, Aranzadi, Cizur Menor, 2022, blz. 57–84, in het bijzonder blz. 61, en in het Italiaanse recht, ‘Le locazioni turistiche nell'ordinamento italiano’, La regulación del alquiler turístico: una approximación de Derecho comparado, op. cit., blz. 113–126, in het bijzonder blz. 114, 122 en 123.
Zie punt 21 van deze conclusie.
Zie arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice (C-307/19, EU:C:2021:236, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarin eraan wordt herinnerd dat de bepalingen van artikel 24, punt 1, van die verordening wegens hun afwijkende karakter niet ruimer mogen worden uitgelegd dan vereist is voor het doel ervan.
Zie de punten 5 en 8 van deze conclusie. In dit opzicht is het voorwerp van het geding vergelijkbaar met dat van de zaak die heeft geleid tot het arrest Hacker (zie punt 4). Volgens verzoekster in die zaak was de oppervlakte van de voor haar daadwerkelijke verblijf ter beschikking gestelde vakantiewoning kleiner dan in de prospectus van Euro-Relais GmbH was vermeld, op grond waarvan zij onder meer een vermindering van de betaalde reissom had gevorderd.
Zie de punten 6, 9 en 10 van deze conclusie. De terugbetaling komt overeen met 15,77 % van het bij de boeking betaalde bedrag. De verwijzende rechter heeft niet gepreciseerd op welke grond die terugbetaling was verricht.
Zie voetnoot 40 van deze conclusie.
Zie arresten Rösler (punt 29) en Dansommer (punt 25), en in die zin ook arrest van 25 maart 2021, Obala i lučice (C-307/19, EU:C:2021:236, punt 79). Zie, met betrekking tot een vordering tot terugbetaling van het totale betaalde bedrag op grond van de ongeldigheid van de overeenkomst, wanneer het verband tussen de overeenkomst en het onroerend goed dat kan worden gebruikt niet nauw genoeg is om de kwalificatie als overeenkomst van huur en verhuur te rechtvaardigen, arrest van 13 oktober 2005, Klein (C-73/04, EU:C:2005:607, punten 17 en 26).
Zie ter vergelijking, in dezelfde context en tegen de achtergrond van richtlijn 2015/2302 betreffende pakketreizen, arrest van 12 januari 2023, FTI Touristik (Pakketreis naar de Canarische Eilanden) (C-396/21, EU:C:2023:10, punt 42), alsook de thans bij het Hof aanhangige uitleggingsverzoeken in de zaak Tuk Travel [C-83/22, de conclusie van advocaat-generaal Medina in de zaak Tuk Travel (C-83/22, EU:C:2023:245) is genomen op 23 maart 2023] en in de gevoegde zaken DocLX Travel Events (C-414/22) en Kiwi Tours (C-584/22), waarin de conclusie van advocaat-generaal Medina nog niet is genomen.
Zie arrest Rösler (punt 29). Zie ter vergelijking arrest Hacker (punt 4).