RN 2011/21
Ondernemingsrecht. Is het beroep op art. 2:404 lid 5 BW op grond van de in het geding zijnde feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
Rb. Utrecht 10-11-2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3661
- Instantie
Rechtbank Utrecht
- Datum
10 november 2010
- Magistraten
Mr. J.W. Wagenaar
- Zaaknummer
292516 / HA RK 10-340
- LJN
BO3661
- JCDI
JCDI:ADS875615:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3661, Uitspraak, Rechtbank Utrecht, 10‑11‑2010
- Wetingang
BW art. 2:404
Essentie
Ondernemingsrecht.
Is het beroep op art. 2:404 lid 5 BW op grond van de in het geding zijnde feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
Samenvatting
In 1999 heeft verweerster een verklaring ex art. 2:403 BW afgegeven. In deze verklaring heeft verweerster zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van X B.V. (hierna ‘X’). Op 19 november 2001 heeft verweerster alle aandelen in X B.V. verkocht aan D B.V. (hierna ‘D’). Ten tijde van het sluiten van deze overeenkomst had D drie aandeelhouders, te weten: C B.V. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.