Rb. Midden-Nederland, 29-03-2013, nr. UTR 12-2776
ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ5924
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
29-03-2013
- Zaaknummer
UTR 12-2776
- LJN
BZ5924
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ5924, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 29‑03‑2013; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 29‑03‑2013
Inhoudsindicatie
Perceel is door verweerder voor de aanslag watersysteemheffing 2010 aangemerkt als ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein. Geschil is toegespitst op de vraag of de inrichting van het perceel geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
Partij(en)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 12/2776
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 maart 2013 in de zaak tussen
Staatsbosbeheer te Driebergen-Rijsenburg, eiseres
(gemachtigden: mr.dr. J.H. van Gelderen en L. Oevermans),
en
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, de ambtenaar belast met de heffing, verweerder
(gemachtigden: mr. P. van den Berg en P.E. Boersma).
Procesverloop
Bij besluit van 31 december 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres voor het jaar 2010 voor onder meer het perceel MTF01 C611 (verder: het perceel) aangeslagen in de watersysteemheffing ongebouwd.
Bij uitspraak van 13 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2013. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
- 1.
Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt voor 1 januari 2013.
- 2.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Het perceel heeft een oppervlakte van 15.00.15 ha en is door verweerder voor de aanslag watersysteemheffing 2010 aangemerkt als ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein. Voor deze aanslag heeft verweerder het bijbehorende tarief gehanteerd. Eiseres is van mening dat het betreffende perceel als natuurterrein in de zin van artikel 116 van de Waterschapswet moet worden aangemerkt, waardoor het lagere (natuur)tarief geldt.
- 3.
Ingevolge artikel 116 , onderdeel c, van de Waterschapswet worden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen onder ‘natuurterreinen’ verstaan onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare.
Ingevolge artikel 117 van de Waterschapswet wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van hen die:
(…)
- b.
krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;
- c.
krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Verordening watersysteemheffing Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: de Verordening) worden onder ‘natuurterreinen’ verstaan ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één ha.
Onder ‘ongebouwde onroerende zaken’ worden ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Verordening verstaan ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn.
- 4.
De rechtbank staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder het perceel terecht als ‘ongebouwd’ heeft aangemerkt en het bijbehorende tarief heeft gehanteerd. Daartoe is het geschil toegespitst op de vraag of de inrichting van het perceel geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het perceel als natuurterrein in de zin van artikel 116, eerste lid, onder c, van de Waterschapswet moet worden aangemerkt, zodat het lagere tarief geldt. Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat het (mede)gebruik van agrarische aard van het perceel uitsluitend beschouwd kan worden als een vorm van beheer die onvermijdelijk voortvloeit uit de bestemming en inrichting van het perceel als natuurterrein, zodat dit (mede)gebruik niet maakt dat inrichting en beheer van het perceel niet geheel zijn afgestemd op behoud en ontwikkeling daarvan als natuur.
Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat (mede)gebruik van agrarische aard van het perceel niet betekent dat inrichting en beheer van het perceel niet geheel of nagenoeg geheel zijn afgestemd op behoud of ontwikkeling van natuur, aangezien het perceel wegens zijn verliesgevende inrichting per saldo niet economisch productief kan worden geacht.
- 5.
De rechtbank overweegt allereerst dat voor de uitleg van het begrip natuurterrein aansluiting moet worden gezocht bij de definiëring van dat begrip in de Waterschapswet juncto artikel 1 van de Verordening.
Naar het oordeel van de rechtbank zal het begrip ‘natuurterrein’ als bedoeld in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet in de specifieke context van de Waterschapswet moeten worden uitgelegd. De rechtbank wijst daarbij op de parlementaire behandeling van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet, waarbij het volgende wordt opgemerkt:
‘Nieuw is het begrip natuurterrein. Natuurterreinen zijn gedefinieerd als ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Hierbij zijn ook de feitelijke of de uiteindelijke bestemming van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt (en waar inmiddels veel groen en ander leven aanwezig is), maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein in de zin van de wet worden aangemerkt. In de regel zullen ook stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun overwegende recreatieve functie niet als een natuurgebied kunnen worden betiteld. Er is niet gekozen voor een limitatieve opsomming van terreinen zoals bijvoorbeeld o.a. duinen en heidevelden. Een dergelijke opsomming kan immers nooit volledig zijn. Daarom wordt een kwalitatieve omschrijving van het begrip natuurterrein voorgesteld. Hiermee ligt de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied. Onder natuurterrein worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare. Om praktische redenen is gekozen voor bossen en open wateren van enige omvang. Voorkomen moet worden dat elke vierkante meter 'grond of blauw' als natuurterrein wordt aangemerkt. (MvT bij wetsvoorstel modernisering waterschapsbestel, Kamerstukken II 2005-2006, 30601, nr. 3, blz. 54)’.
- 6.
Partijen verschillen van mening omtrent de vraag op wie de last drukt aannemelijk te maken of sprake is van een ongebouwde onroerende zaak dan wel of sprake is van een natuurterrein. In het midden latend bij wie de bewijslast in deze rust, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat hier sprake is van een ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein.
De rechtbank overweegt dat voor het antwoord op de vraag in welke mate de inrichting en het beheer zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur, van belang is of en in hoeverre het perceel is ingericht en daadwerkelijk wordt gebruikt voor andere doeleinden dan behoud of ontwikkeling van natuur.
Onder verwijzing naar de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem van 29 november 2011
(LJN: BU7721) en van 6 december 2011 (LJN: BU8358) alsmede naar de uitspraken van de rechtbank Zwolle van 24 oktober 2012 (LJN: BY2026 en LJN: BY2027) overweegt de rechtbank dat onder ‘geheel of nagenoeg geheel’ 90% of meer moet worden verstaan. Dat betekent dat de inrichting én het beheer van het perceel slechts beperkt, minder dan 10%, mogen zijn afgestemd op andere doelstellingen dan het behoud of de ontwikkeling van natuur. De rechtbank ziet geen grond voor een andersluidend oordeel ten aanzien van de invulling van dit criterium.
Voor het antwoord op de vraag in welke mate de inrichting en het beheer zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur, is naar het oordeel van de rechtbank van belang of, en in hoeverre, het perceel is ingericht en daadwerkelijk wordt gebruikt voor andere doeleinden dan behoud of ontwikkeling van natuur.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, mede onder verwijzing naar het rapport van Tauw van 12 november 2012, op goede gronden op het standpunt gesteld dat het perceel niet is aan te merken als natuurterrein. Uit genoemd rapport van Tauw blijkt immers dat de mogelijkheden voor agrarische productiviteit op het perceel in het slechtste geval nog altijd minimaal 22 % bedragen, hetgeen dus ruimschoots meer is dan 10% van de productiviteit bij normaal gebruik. De rechtbank tekent daarbij aan dat ook de omstandigheid dat het perceel wordt verpacht een duidelijke aanwijzing vormt voor de conclusie dat het perceel tegen gunstige condities agrarisch gebruikt kan worden en dat het perceel derhalve ook gebruikt wordt voor andere doeleinden dan behoud of ontwikkeling van natuur.
Aan vorenstaande kan niet afdoen het door eiseres overgelegde rapport van Alterra. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het rapport van Alterra de juistheid van het rapport van Tauw niet aantast. Alterra gaat immers in het geheel niet in op de vraag of de inrichting en het beheer van het perceel geheel of nagenoeg geheel is afgestemd op het behoud of ontwikkeling van de natuur en of dit gebruik feitelijk wordt gecombineerd met agrarisch gebruik.
- 7.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.N. Noorman, voorzitter, en mr. J.M. Willems en
mr. A.B. Blomberg, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2013.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.