CRvB, 05-04-2011, nr. 09/1915 WWB
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0242
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
05-04-2011
- Magistraten
R.H.M. Roelofs
- Zaaknummer
09/1915 WWB
- LJN
BQ0242
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0242, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 05‑04‑2011
Uitspraak 05‑04‑2011
R.H.M. Roelofs
Partij(en)
UITSPRAAK
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's‑Gravenhage van 16 maart 2009, 08/7013 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas (hierna: College)
I. Procesverloop
Als gevolg van een gemeentelijke herindeling oefent het College met ingang van 1 januari 2010 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel. In deze uitspraak wordt onder College tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel.
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Boere, werkzaam bij de gemeente Zuidplas.
II. Overwegingen
1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sinds 30 september 2004 bijstand ingevolge de WWB van de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2.
Het College heeft in april 2008 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Met ingang van 11 april 2008 is de bijstand van appellante opgeschort omdat zij de in het kader van het onderzoek gevraagde informatie niet heeft verstrekt. Appellante is in de gelegenheid gesteld die informatie alsnog te verschaffen. Tijdens een nader gesprek op 25 april 2008 heeft appellante te kennen gegeven de bijstand met ingang van 25 april 2008 te willen laten beëindigen omdat zij een baan heeft gevonden. Appellante heeft deze mededeling op 25 april 2008 schriftelijk bevestigd in een door haar opgestelde en ondertekende verklaring.
1.3.
Appellantes verklaring van 25 april 2008 is voor Het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 mei 2008 de bijstand met ingang van 25 april 2008 te beëindigen (lees: in te trekken). De intrekking van de bijstand heeft plaatsgevonden onder nabetaling van de bijstand over de periode van 1 april 2008 tot en met 24 april 2008 door middel van verrekening met de openstaande vordering wegens verleende voorschotten voor de kosten van verhuizing en herinrichting van appellantes woning.
1.4.
Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 mei 2008 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2008 ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat stelt zij zich op het standpunt dat aan haar verklaring van 25 april 2008 geen waarde mag worden gehecht nu deze onder dwang tot stand is gekomen.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 25 april 2008 tot en met 23 mei 2008.
4.2.
Vaststaat dat appellante op 25 april 2008 schriftelijk heeft verklaard ‘dat zij haar uitkering opzegt’ omdat zij een baan heeft gevonden waarmee zij meer verdient. Niet is gebleken dat appellante bij het opstellen en ondertekenen van deze verklaring aan een wilsgebrek leed. Dat de verklaring onder dwang is opgesteld heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat uit de stukken niet blijkt dat appellante ertoe is bewogen de bijstand ‘op te zeggen’. Appellante heeft de mededeling dat zij een baan heeft gevonden op eigen initiatief gedaan en de gespreksbevestiging zelf opgesteld en daarna ondertekend. Voorts is gebleken dat zij vanaf 21 april 2008 daadwerkelijk twee weken heeft gewerkt. Nadat deze werkzaamheden waren beëindigd heeft zij zich niet bij het College gemeld met het verzoek om de intrekking van de bijstand weer ongedaan te maken. Eerst na het besluit van 23 mei 2008, bij het indienen van de nadere gronden van bezwaar op 8 juli 2008, heeft appellante te kennen gegeven dat de verklaring onder dwang zou zijn afgelegd.
Onder deze omstandigheden bestond er naar het oordeel van de Raad voor het College geen aanleiding om appellante niet te houden aan de op 25 april 2008 door haar afgelegde verklaring en terug te komen van het besluit tot intrekking van de bijstand.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R. Scheffer.