NJ 1919, p. 653
Beteekenis van „ambtenaar" en „in zijn bediening" in art. 363 Sr.
HR 26-05-1919, ECLI:NL:HR:1919:58
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26 mei 1919
- Magistraten
Voorzitter: Mr. S. Gratama. Raden: Mrs. A. J. L. Nijpels, A. Fentener v. Vlissingen, J. Kosters en Jhr. E. A. E. van Meeuwen.
- Zaaknummer
[26051919/NJ_1919,_p._653]
- Conclusie
Mr. Ledeboer
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1919:58, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑05‑1919
- Wetingang
(Sr art. 363.)
Essentie
Beteekenis van „ambtenaar" en „in zijn bediening" in art. 363 Sr.
Samenvatting
Beklaagde was als letterzetter ter Alg. Landsdrukkerij door het openbaar gezag aangesteld in een openbare betrekking om te verrichten een deel der werkzaamheden behoorende tot een tak van dienst, door de wet aangewezen als staatsbedrijf en daardoor gemaakt tot een tak van Staatszorg, zoodat de Rechtb. terecht heeft aangenomen, dat bekl. was „ambtenaar" in den zin van art. 363 Sr.
Art. 363 Sr. stelt met de woorden „in zijn bediening" niet den eisch, dat de ambtenaar de door hem verrichte handelingen heeft gepleegd bij de uitoefening ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.