Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 15-10-2026, nr. C-402/25
ECLI:EU:C:2026:870
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
15-10-2026
- Magistraten
C. Lycourgos, N. Fenger, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-402/25
- Roepnaam
Plungės rajono savivaldybės administracija
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:870, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 15‑10‑2026
Uitspraak 15‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Justitiële samenwerking in strafzaken — Bestrijding van georganiseerde criminaliteit — Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie — Artikel 325, lid 1, VWEU — ‘BFB-overeenkomst’ — Artikel 2, lid 1 — Kaderbesluit 2008/841/JBZ — Artikel 2, onder a) en b) — Ernstige fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde — Overeenkomst om een strafbaar feit te plegen — Artikel 3 — Verplichting van de lidstaten om fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad te bestrijden met afschrikkende en doeltreffende maatregelen — Verplichting om te voorzien in strafrechtelijke sancties — Maximumduur van de straf — Evenredigheidsbeginsel — Verjaringstermijn — Systemisch risico op straffeloosheid
C. Lycourgos, N. Fenger, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-321/25 [Gidzhinov] i., *
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 2 mei 2025, ingekomen bij het Hof op 8 mei 2025, in de strafzaak tegen
А,
B,
V,
G,
D,
in tegenwoordigheid van:
Sofiyska gradska prokuratura,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, N. Fenger, S. Rodin, N. Piçarra en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
V, vertegenwoordigd door P. Y. Galabov, advokat,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en P. Thalmann als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Valero, F. Blanc, I. Zaloguin en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 april 2026,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 325 VWEU, artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 26 juli 1995 en gehecht aan de akte van de Raad van 26 juli 1995 (PB 1995, C 316, blz. 48; hierna: ‘BFB-overeenkomst’), en artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB 2008, L 300, blz. 42).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van de strafvervolging die is ingesteld tegen A, B, V, G en D wegens het leiden van of deelnemen aan een criminele organisatie met het doel fiscale misdrijven te plegen en, voor sommige van hen, fraude met de belasting over de toegevoegde waarde (btw) te hebben gepleegd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
BFB-overeenkomst
3
Artikel 1, lid 3, van de BFB-overeenkomst, met als opschrift ‘Algemene bepalingen’, luidt als volgt:
‘Onder voorbehoud van artikel 2, lid 2, neemt elke lidstaat eveneens de nodige maatregelen opdat het opzettelijk opstellen of verstrekken van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten met het in lid 1 genoemde gevolg, als strafbare feiten worden aangemerkt, wanneer die handelingen niet reeds strafbaar zijn, hetzij als zelfstandig strafbaar feit, hetzij op grond van medeplichtigheid aan, uitlokking van of poging tot fraude [waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad] als omschreven in lid 1.’
4
Artikel 2 van deze overeenkomst, met als opschrift ‘Sancties’, bepaalt:
- ‘1.
Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat op de in lid 1 bedoelde gedragingen, alsmede medeplichtigheid aan, uitlokking van of poging tot de in artikel 1, lid 1, bedoelde gedragingen, doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden gesteld, met inbegrip, ten minste bij ernstige fraude, van vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering; als ernstige fraude wordt aangemerkt iedere fraude waarmee een door elke lidstaat te bepalen minimumbedrag is gemoeid. Dit minimumbedrag mag niet hoger zijn dan 50 000 [EUR].
- 2.
Voor geringe fraude, die betrekking heeft op een totaalbedrag van minder dan 4 000 [EUR] en waarbij zich volgens zijn wetgeving geen bijzondere strafverzwarende omstandigheden voordoen, kan een lidstaat evenwel in sancties voorzien van een andere aard dan de in lid 1 bedoelde.
[…]’
Besluit 2008/40/JBZ
5
Artikel 2, lid 1, van besluit 2008/40/JBZ van de Raad van 6 december 2007 betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, het Protocol van 27 september 1996, het Protocol van 29 november 1996 en het Tweede Protocol van 19 juni 1997 (PB 2008, L 9, blz. 23) luidt:
‘De [BFB-overeenkomst], [de akte van de Raad van 27 september 1996 tot vaststelling van een protocol bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1996, C 313, blz. 1)] en [de akte van de Raad van 29 november 1996 tot opstelling, op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van het Protocol betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1997, C 151, blz. 1)] treden ten aanzien van [de Republiek] Bulgarije en Roemenië in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de datum van vaststelling van dit besluit, tenzij zij ten aanzien van Bulgarije of Roemenië reeds vóór deze datum in werking zijn getreden.’
BFB-richtlijn
6
Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB 2017, L 198, blz. 29; hierna: ‘BFB-richtlijn’) bepaalt in artikel 16, met als opschrift ‘Vervanging van de [BFB-overeenkomst]’, het volgende:
‘De [BFB-overeenkomst], met inbegrip van de bijbehorende Protocollen van 27 september 1996, 29 november 1996 en 19 juni 1997, wordt door deze richtlijn vervangen voor de lidstaten die erdoor
gebonden zijn, met ingang van 6 juli 2019.
Voor de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn, gelden verwijzingen naar de overeenkomst als verwijzingen naar deze richtlijn.’
Kaderbesluit 2008/841
7
De overwegingen 1 tot en met 3 van kaderbesluit 2008/841 luiden als volgt:
- ‘(1)
Het Haagse programma beoogt de versterking van het gemeenschappelijke vermogen van de [Europese] Unie en haar lidstaten om met name de georganiseerde grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden. Dit doel moet in het bijzonder worden verwezenlijkt door middel van de onderlinge aanpassing van de wetgeving. Het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties en de proliferatie die zij doormaken, noodzaken de lidstaten van de Europese Unie nauwer samen te werken en een doeltreffende reactie te formuleren die beantwoordt aan de verwachtingen van de burgers en aan hun eigen behoeften. In dit verband wordt in punt 14 van de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 opgemerkt dat de Europese burgers verwachten dat de Europese Unie grensoverschrijdende problemen zoals georganiseerde criminaliteit, met vereende krachten en op een doeltreffender wijze aanpakt, met inachtneming van de fundamentele vrijheden en rechten.
- (2)
In haar mededeling van 29 maart 2004 over bepaalde maatregelen die moeten worden genomen op het gebied van de bestrijding van terrorisme en andere ernstige vormen van criminaliteit, heeft de Commissie verklaard dat het instrumentarium voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in de Europese Unie moet worden versterkt en dat zij een kaderbesluit zou opstellen ter vervanging van Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ van 21 december 1998 inzake de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie in de lidstaten van de Europese Unie [(PB 1998, L 351, blz. 1)].
- (3)
In punt 3.3.2 van het Haagse programma wordt gesteld dat de onderlinge aanpassing van het materieel strafrecht tot doel heeft de onderlinge erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en politiële en rechterlijke samenwerking op het gebied van het strafrecht te vergemakkelijken en gebieden van ernstige criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie betreft, en dat de prioriteit moet uitgaan naar de vormen van criminaliteit die met name genoemd worden in de verdragen. De nationale definities van strafbare feiten die verband houden met de deelneming aan een criminele organisatie dienen derhalve op elkaar afgestemd te worden. Dit kaderbesluit bestrijkt bijgevolg strafbare feiten die gewoonlijk door een criminele organisatie worden gepleegd. Voorts dienen ten aanzien van natuurlijke personen en rechtspersonen die dergelijke strafbare feiten hebben gepleegd of ervoor verantwoordelijk zijn, straffen te worden vastgesteld die in overeenstemming zijn met de ernst van deze strafbare feiten.’
8
Artikel 1 van dit kaderbesluit, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt:
- 1.
onder ‘criminele organisatie’ verstaan een gestructureerde vereniging die gedurende een bepaalde periode bestaat en samengesteld is uit meer dan twee personen die in onderling overleg optreden teneinde feiten te plegen welke strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming meebrengt met een maximum van ten minste vier jaar of met een zwaardere straf, met als doel om rechtstreeks of onrechtstreeks financieel of ander vermogensvoordeel te verwerven;
- 2.
onder ‘gestructureerde vereniging’ verstaan een vereniging die niet toevallig tot stand is gekomen met het oog op een onverwijld te plegen strafbaar feit, zonder dat evenwel sprake moet zijn van formeel afgebakende taken van de leden, noch van continuïteit in de samenstelling of een ontwikkelde structuur.’
9
Artikel 2, met als opschrift ‘Strafbare feiten die verband houden met de deelneming aan een criminele organisatie’, bepaalt:
‘Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om een of beide onderstaande gedragingen die verband houden met een criminele organisatie strafbaar te stellen:
- a)
de gedragingen van enig persoon die opzettelijk en met kennis van het oogmerk en van de algemene activiteit van de criminele organisatie dan wel van het voornemen van de organisatie om de strafbare feiten in kwestie te plegen, actief deelneemt aan de criminele activiteiten van de organisatie, onder meer door informatie of middelen te verstrekken, nieuwe leden te werven of de activiteiten van de organisatie in enigerlei vorm te financieren, in de wetenschap dat deze deelneming bijdraagt tot de criminele activiteiten van de organisatie;
- b)
de gedragingen van enig persoon die erin bestaan dat met een of meer personen wordt overeengekomen een activiteit na te streven die, indien zij wordt uitgevoerd, de pleging van de in artikel 1 bedoelde strafbare feiten inhoudt, zelfs indien de persoon in kwestie niet deelneemt aan de feitelijke uitvoering van de activiteit.’
10
Artikel 3, met als opschrift ‘Sancties’, is als volgt geformuleerd:
- ‘1.
Iedere lidstaat zorgt ervoor dat:
- a)
het in artikel 2, onder a), bedoelde feit strafbaar wordt gesteld met een maximale vrijheidsstraf die ten minste tussen de twee en de vijf jaar bedraagt; of
- b)
het in artikel 2, onder b), bedoelde feit strafbaar wordt gesteld met dezelfde maximale vrijheidsstraf als het strafbaar feit dat met de overeengekomen nagestreefde activiteit wordt beoogd, of met een maximale vrijheidsstraf van ten minste tussen de twee en de vijf jaar.
- 2.
Iedere lidstaat zorgt ervoor dat het feit dat de in artikel 2 bedoelde strafbare feiten als omschreven door de betrokken lidstaat worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie, kan worden beschouwd als een verzwarende omstandigheid.’
Bulgaars recht
Wetboek van strafrecht
11
Artikel 23, lid 1, van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht, DV nr. 26 van 2 april 1968) luidt, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘wetboek van strafrecht’), als volgt:
‘Indien door middel van dezelfde handeling verscheidene strafbare feiten worden gepleegd of indien een persoon verscheidene afzonderlijke strafbare feiten heeft gepleegd alvorens voor een van deze feiten bij een onherroepelijk vonnis te zijn veroordeeld, legt de rechter, nadat hij voor elk van deze feiten afzonderlijk een straf heeft vastgesteld, de zwaarste van deze straffen op.’
12
Artikel 80 van dit wetboek bepaalt:
- ‘(1)
De strafvervolging verjaart indien zij niet is ingesteld binnen een termijn van:
[…]
- 2.
vijftien jaar voor feiten die strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan tien jaar;
- 3.
tien jaar voor feiten die strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan drie jaar;
[…]
- (3)
De verjaringstermijn van de strafvervolging begint te lopen vanaf het ogenblik waarop het strafbare feit is gepleegd of, in geval van poging tot een strafbaar feit of voorbereiding van het plegen van een strafbaar feit, vanaf de dag waarop de laatste handeling werd gepleegd, en in het geval van ononderbroken en aanhoudende strafbare feiten, vanaf het tijdstip waarop deze zijn beëindigd.’
13
Artikel 81 luidt:
- ‘(1)
De verjaring wordt geschorst wanneer de inleiding of de voortzetting van de strafvervolging afhankelijk is van de beslechting van een prealabele vraag bij definitieve rechterlijke beslissing.
- (2)
De verjaring wordt gestuit door elke handeling van de bevoegde autoriteiten met het oog op vervolging en uitsluitend met betrekking tot de persoon tegen wie de vervolging is gericht. Wanneer de handeling waardoor de verjaring is gestuit, is voltooid, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
- (3)
Niettegenstaande schorsing of stuiting van de verjaring, verjaart de strafvervolging na het verstrijken van een termijn die de in het voorgaande artikel gestelde termijn met de helft overschrijdt.’
14
Artikel 93 bepaalt:
‘In dit wetboek wordt onder de volgende begrippen en uitdrukkingen verstaan:
[…]
- 20.
‘georganiseerde criminele groep’: de duurzame en gestructureerde vereniging van drie of meer personen die als doel heeft om op het nationale grondgebied of in het buitenland strafbare feiten te plegen waarop een vrijheidsstraf van meer dan drie jaar staat. De vereniging wordt als gestructureerd beschouwd zelfs indien er geen sprake is van een formele rolverdeling tussen de deelnemers, een aanhoudende deelneming of een ontwikkelde structuur.’
15
Artikel 255 luidt:
- ‘(1)
Wie voor aanzienlijke bedragen de vaststelling of betaling van belastingschulden ontduikt door:
[…]
- 7.
de betaalde bronbelasting onterecht af te trekken,
wordt bestraft met een vrijheidsstraf van één tot zes jaar en een geldelijke sanctie van ten hoogste 2 000 [Bulgaarse lev (BGN)].
[…]
- (3)
Wanneer de belastingschuld bijzonder hoog is, bestaat de straf uit een vrijheidsstraf van drie tot acht jaar en de verbeurdverklaring van het gehele vermogen van de schuldige of een deel daarvan.’
16
Artikel 321 bepaalt het volgende:
- ‘(1)
Het oprichten of leiden van een georganiseerde criminele groep wordt bestraft met een vrijheidsstraf van drie tot tien jaar.
- (2)
Op deelneming aan een dergelijke groep staat een vrijheidsstraf van één tot zes jaar.
- (3)
Wanneer de groep is opgezet […] met het doel zich te verrijken, […] is de straf:
- 1.
voor de in lid 1 bedoelde strafbare feiten: een vrijheidsstraf van vijf tot vijftien jaar;
- 2.
voor de in lid 2 bedoelde strafbare feiten: een vrijheidsstraf van drie tot tien jaar.’
Wetboek van strafvordering
17
Artikel 24, lid 1, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering, DV nr. 86 van 28 oktober 2005) luidt, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, als volgt:
‘Er wordt geen strafprocedure ingeleid en een ingeleide strafprocedure wordt beëindigd wanneer:
[…]
- 3.
de strafrechtelijke aansprakelijkheid vervallen is vanwege het verstrijken van de wettelijk vastgestelde verjaringstermijn;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Bij een in 2015 opgestelde tenlastelegging zijn A, B, V, G en D voor de bevoegde strafrechter gedaagd om zich te verantwoorden voor verschillende strafbare feiten.
19
Meer bepaald worden A en B ervan beschuldigd leiding te hebben gegeven aan een georganiseerde criminele groep die is opgericht met het doel om zich te verrijken in de zin van artikel 321, lid 3, van het wetboek van strafrecht. Op dit strafbare feit, dat in maart 2011 zou zijn begonnen en op 14 november 2012 zou zijn beëindigd, staat een vrijheidsstraf van vijf tot vijftien jaar.
20
V, G en D worden er op grond van dezelfde bepaling van beschuldigd aan die georganiseerde criminele groep te hebben deelgenomen. Op dit strafbare feit, dat eveneens in maart 2011 zou zijn begonnen en op 14 november 2012 zou zijn beëindigd, staat een vrijheidsstraf van drie tot tien jaar.
21
Ten slotte wordt A, B, V en D ten laste gelegd tussen juni 2011 en oktober 2012 meermaals btw-fraude te hebben gepleegd, ten bedrage van respectievelijk 1 239 070 BGN (ongeveer 633 525 EUR), 2 211 200 BGN (ongeveer 1 130 568 EUR), 2 000 000 BGN (ongeveer 1 022 583 EUR) en 2 433 590 BGN (ongeveer 1 244 274 EUR). Deze strafbare feiten in de zin van artikel 255, lid 3, van het wetboek van strafrecht worden elk bestraft met een vrijheidsstraf van drie tot acht jaar en met verbeurdverklaring van het gehele vermogen van de schuldige of een deel daarvan. De vrijheidsstraf die voor al deze strafbare feiten samen kan worden opgelegd, kan echter maximaal acht jaar bedragen.
22
Na de indiening van de in punt 18 van het onderhavige arrest vermelde tenlastelegging is de zaak op 26 november 2015 toegewezen aan een rechtsprekende formatie bestaande uit één rechter en twee lekenrechters, die 48 zittingen heeft gehouden tussen 2015 en 2021. Toen die rechter tot gedelegeerd Europees aanklager werd benoemd, is de zaak toegewezen aan een tweede rechter en twee andere lekenrechters en moest de procedure vanaf het begin worden herbegonnen. Tussen 2022 en 2025 heeft deze rechtsprekende formatie 18 zittingen gehouden, zonder dat er concrete maatregelen zijn genomen om bewijs te vergaren. Nadat de tweede rechter op 14 maart 2025 met pensioen was gegaan, is de zaak toegewezen aan een derde rechter en twee nieuwe lekenrechters, die samen de verwijzende rechterlijke instantie vormen.
23
In de eerste plaats wijst de verwijzende rechter erop dat de verjaringstermijn voor de strafbare feiten van btw-fraude en deelneming aan een georganiseerde criminele groep die hem zijn voorgelegd, volgens de artikelen 80 en 81 van het wetboek van strafrecht dreigt te verstrijken. In dit verband verduidelijkt hij dat de absolute verjaringstermijn voor die strafbare feiten vijftien jaar bedraagt. Bijgevolg zal de verjaring voor de strafbare feiten van btw-fraude intreden in 2026 en 2027, afhankelijk van de datum waarop de vermeende valse btw-aangifte is ingediend, en voor het strafbare feit van deelneming aan een georganiseerde criminele groep op 14 november 2027, dat wil zeggen vijftien jaar nadat die groep is ontbonden. Volgens de verwijzende rechter is het in casu objectief gezien onmogelijk om vóór het verstrijken van die termijnen een strafprocedure voor drie rechterlijke instanties af te ronden.
24
Met betrekking tot de strafvervolging die tegen A en B is ingesteld wegens het leiden van de georganiseerde criminele groep, merkt hij daarentegen op dat dit strafbare feit wordt bestraft met een maximale vrijheidsstraf van vijftien jaar, zodat de toepasselijke absolute verjaringstermijn tweeëntwintig jaar en zes maanden bedraagt en dus pas op 14 mei 2035 verstrijkt. Volgens hem volstaat een dergelijke termijn om de strafprocedure af te ronden, ook voor drie rechterlijke instanties.
25
In dit verband is hij van oordeel dat het met het Unierecht onverenigbaar kan zijn wanneer de verjaringstermijn uitsluitend wordt berekend op basis van de opgelegde maximumstraf, ongeacht de juridische en feitelijke complexiteit van de zaak en het eventuele intreden van onvoorziene omstandigheden. Hij herinnert er dienaangaande aan dat het Hof in zijn arrest van 24 juli 2023, Lin (C-107/23 PPU, EU:C:2023:606; hierna: ‘arrest Lin’), heeft geoordeeld dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de verjaringsregels van het nationale recht een doeltreffende bestraffing van strafbare feiten die verband houden met btw-fraude mogelijk maken, en dat er, om redenen die inherent zijn aan het nationale recht, geen systemisch risico op straffeloosheid mag bestaan, met name in zaken waarvan de complexiteit een langer onderzoek vereist.
26
Volgens hem vormt het een systemisch probleem dat het naar Bulgaars recht onmogelijk is om voor complexere zaken of bij een toevallige gebeurtenis waardoor de procedure van voren af aan moet worden herbegonnen, een langere verjaringstermijn vast te stellen dan de absolute verjaringstermijn van vijftien jaar die van toepassing is op strafbare feiten van btw-fraude: hoe complexer de criminele activiteit is die wordt vervolgd, hoe moeilijker het immers wordt om de strafprocedure vóór het verstrijken van die termijn af te ronden.
27
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat de Bulgaarse wetgever heeft voorzien in een vrijheidsstraf van ten hoogste acht jaar voor strafbare feiten van belastingfraude, terwijl de deelneming aan een georganiseerde criminele groep en het leiderschap daarvan worden bestraft met een vrijheidsstraf van respectievelijk ten hoogste tien jaar en vijftien jaar, ook al is het enige criminele doel van een dergelijke georganiseerde groep het plegen van belastingfraude. In die omstandigheden vraagt hij zich af of een dergelijk verschil tussen de toepasselijke maximumstraffen verenigbaar is met artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841.
28
Dienaangaande benadrukt hij dat deze bepaling voor de straffen die van toepassing zijn op een overeenkomst met het oog op het plegen van een strafbaar feit in de zin van artikel 2, onder b), van dit kaderbesluit, de keuze biedt tussen twee alternatieven. Volgens het eerste alternatief kunnen de lidstaten voorzien in dezelfde maximale straf als die welke geldt voor de strafbare feiten waarvoor de overeenkomst is gesloten. Volgens het tweede alternatief kunnen zij voorzien in een maximale vrijheidsstraf van ten minste tussen de twee en de vijf jaar. Dit tweede alternatief stelt dus een strafmaat vast die niet is gekoppeld aan de maximumduur van de straffen voor de strafbare feiten die de criminele organisatie op het oog heeft. De verwijzende rechter betwijfelt evenwel of dit tweede alternatief aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat strengere straffen vast te stellen dan die welke op deze strafbare feiten staan.
29
Hij is namelijk van oordeel dat de in artikel 2, onder b), van kaderbesluit 2008/841 bedoelde overeenkomst, die tot de oprichting van een criminele organisatie in de zin van artikel 1, punt 1, van dit kaderbesluit heeft geleid, slechts strafbaar is omdat zij tot doel heeft om bepaalde strafbare feiten te plegen. Bijgevolg is hij geneigd te denken dat de straf die voor een dergelijke overeenkomst kan worden opgelegd niet zwaarder mag zijn dan de straf die geldt voor de strafbare feiten waarop zij betrekking heeft, omdat anders het evenredigheidsbeginsel wordt geschonden.
30
Hij erkent evenwel dat uit de bewoordingen van het tweede alternatief van artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 lijkt te volgen dat de lidstaten aan de criminele organisatie een zwaardere straf kunnen opleggen dan die welke van toepassing is op de strafbare feiten die de organisatie beoogt te plegen.
31
In die omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzetten artikel 325 [VWEU] en artikel 2, lid 1, van de [BFB-overeenkomst] zich tegen een nationale wet die voor de strafvervolging van misdrijven die de financiële belangen van de Europese Unie schaden voorziet in een verjaringstermijn die uitsluitend wordt bepaald aan de hand van de voor een strafbaar feit vastgestelde maximale vrijheidsstraf en die geen rekening houdt met de feitelijke en juridische complexiteit van de zaak, noch met het mogelijke optreden van toevallige gebeurtenissen waardoor de strafprocedure van voren af aan moet worden herbegonnen, zodat de toepassing van de nationale wet tot straffeloosheid kan leiden?
- 2)
Verzet artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 zich tegen een nationale wet waarin is bepaald dat het in artikel 2, onder b), daarvan bedoelde feit strafbaar wordt gesteld met een maximale vrijheidsstraf die zwaarder is dan die waarin is voorzien voor het strafbaar feit dat met de in artikel 2, onder b), daarvan bedoelde overeengekomen nagestreefde activiteit [te weten de overeenkomst] wordt beoogd?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
32
Om te beginnen blijkt ten eerste uit de verwijzingsbeslissing dat de verjaringstermijn die normaal gesproken op een strafbaar feit van toepassing is, naar Bulgaars recht afhangt van de zwaarte van de opgelegde straf en kan worden gestuit of geschorst. De absolute verjaringstermijn voor dit strafbare feit, die niet kan worden gestuit of geschorst, wordt vastgesteld op een termijn die gelijk is aan anderhalf maal de verjaringstermijn die normaal gesproken op dat strafbare feit van toepassing is. Indien vóór het verstrijken van deze absolute verjaringstermijn geen definitieve veroordeling is uitgesproken, moet de strafvervolging van dat strafbare feit worden geacht definitief te zijn verjaard.
33
In die context vraagt de verwijzende rechter zich af of de Bulgaarse regeling die de absolute verjaringstermijn voor strafbare feiten van btw-fraude en deelneming aan een georganiseerde criminele groep die dergelijke strafbare feiten beoogt te plegen vaststelt op vijftien jaar, verenigbaar is met artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst.
34
Ten tweede is de BFB-overeenkomst ratione temporis van toepassing op de aan de strafprocedure ten grondslag liggende feiten, aangezien deze zijn gepleegd in 2011 en 2012. Uit artikel 2 van besluit 2008/40 volgt immers dat die overeenkomst in Bulgarije uiterlijk op 1 januari 2008 in werking is getreden. Verder heeft die overeenkomst pas opgehouden effect te sorteren met ingang van 6 juli 2019, op welke datum deze door de BFB-richtlijn is vervangen, zoals artikel 16 van deze richtlijn bepaalt (zie naar analogie arrest van 16 juli 2026, Lin II, C-280/25, EU:C:2026:586, punten 67 en 68; hierna: ‘arrest Lin II’).
35
Ten derde blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het totale bedrag van de btw-fraude waarvan de personen in het hoofdgeding worden verdacht op meer dan vier miljoen EUR wordt geraamd. Dergelijke fraude moet bijgevolg worden aangemerkt als ‘ernstig’ in de zin van artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst (zie in die zin de arresten Lin, punten 22 en 79, en Lin II, punten 73 en 74).
36
Daarnaast moet worden benadrukt dat artikel 325, lid 1, VWEU niet alleen ziet op handelingen die de financiële belangen van de Unie daadwerkelijk schaden, maar ook op pogingen om dergelijke handelingen te verrichten (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C-357/19, C-379/19, C-547/19, C-811/19 en C-840/19, EU:C:2021:1034, punt 187).
37
Evenzo volgt uit artikel 1, lid 3, en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst dat een poging om fraude te plegen waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, met dergelijke fraude in de zin van artikel 2, lid 1, moet worden gelijkgesteld (zie in die zin het arrest Lin II, punt 95).
38
Overigens heeft het Hof reeds geoordeeld dat de oprichting van een vereniging met het oogmerk om btw-delicten te plegen een geval van fraude vormt waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad (zie in die zin arrest van 8 september 2015, Taricco e.a., C-105/14, EU:C:2015:555, punt 42).
39
Indien de feiten die aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde personen ten laste worden gelegd komen vast te staan, zou dus zowel het strafbare feit van btw-fraude als dat van deelneming aan een georganiseerde criminele groep die tot doel heeft om deze fraude te plegen, waarvoor die personen voor de verwijzende rechter worden vervolgd, moeten worden beschouwd als ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst.
40
Hieruit volgt dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de strafvervolging van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, noodzakelijkerwijs verjaart wanneer binnen een termijn van vijftien jaar nadat die strafbare feiten zijn gepleegd geen definitieve veroordeling is uitgesproken, ongeacht of er zich enige grond voor stuiting of schorsing van de verjaring heeft voorgedaan dan wel toevallige gebeurtenissen zijn opgetreden, en zonder dat rekening wordt gehouden met de mate van complexiteit van de zaak, voor zover een dergelijke termijn volgens de verwijzende rechter kan leiden tot een systemisch risico dat dergelijke fraude onbestraft blijft.
41
In de eerste plaats moet worden onderstreept dat artikel 325, lid 1, VWEU de lidstaten verplicht om fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad te bestrijden met afschrikkende en doeltreffende maatregelen. De lidstaten beschikken weliswaar over keuzevrijheid ten aanzien van de toepasselijke sancties, die de vorm kunnen aannemen van administratieve sancties, strafrechtelijke sancties of een combinatie van beide, maar krachtens deze bepaling moeten zij erop toezien dat ernstige fraude of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, strafbaar worden gesteld met doeltreffende en afschrikkende strafrechtelijke sancties (arrest Lin II, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst verplicht de lidstaten om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat op gedragingen waarbij fraude wordt gepleegd waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden gesteld, die, op zijn minst bij ernstige fraude, ook vrijheidsstraffen omvatten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering (zie in die zin het arrest Lin II, punt 71).
43
In de tweede plaats was de verjaringsregeling voor strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ten tijde van de feiten van het hoofdgeding nog niet door de Uniewetgever geharmoniseerd. Deze harmonisatie heeft pas later gedeeltelijk plaatsgevonden met de vaststelling van de BFB-richtlijn (arrest Lin, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak), die niet van toepassing is op het hoofdgeding, zoals uit punt 34 van het onderhavige arrest volgt.
44
Derhalve waren ten tijde van de feiten van het hoofdgeding de lidstaten bevoegd om regels vast te stellen over de verjaring van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moeten de lidstaten evenwel de verplichtingen nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en met name uit artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst (zie in die zin het arrest Lin, punt 82).
45
In dat verband moeten de lidstaten er met name op toezien dat de verjaringsregels die in het nationale recht zijn vastgesteld het mogelijk maken om gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, doeltreffend te bestraffen, waarbij het bestaan van een systemisch risico dat dergelijke strafbare feiten strafrechtelijk onbestraft blijven, onverenigbaar is met de vereisten van artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst (zie in die zin de arresten Lin, punt 92, en Lin II, punt 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
In de derde en laatste plaats blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat een absolute verjaringstermijn als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, bijdraagt tot de versterking van de rechtszekerheid aangezien een dergelijke termijn verhindert dat de verjaring van de vervolging eindeloos kan worden vertraagd door de herhaling van handelingen die deze verjaring stuiten of schorsen (zie in die zin arrest van 27 november 2025, Microregion Porta Bohemica, C-539/24, EU:C:2025:919, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Een dergelijke absolute verjaringstermijn moet echter voldoende lang zijn om de bescherming van de financiële belangen van de Unie niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk te maken (zie naar analogie arresten van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C-308/19, EU:C:2021:47, punten 48 en 49, en 30 januari 2025, Trenitalia, C-510/23, EU:C:2025:41, punt 38). Om te beoordelen of de duur toereikend is, moet rekening worden gehouden met alle elementen van de betrokken verjaringsregeling en met de complexiteit van de procedure die noodzakelijk is om de betrokken inbreuken vast te stellen (zie in die zin arresten van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C-308/19, EU:C:2021:47, punt 50, en 30 januari 2025, Trenitalia, C-510/23, EU:C:2025:41, punt 39).
48
Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een verjaringstermijn wordt ingevoerd die lang genoeg is om strafprocedures tegen daders van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad tot een goed einde te brengen, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de duur en de complexiteit van die procedures (zie in die zin arrest van 8 september 2015, Taricco e.a., C-105/14, EU:C:2015:555, punten 46 en 47).
49
Zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is benadrukt, verjaren in casu strafbare feiten van btw-fraude en deelneming aan een georganiseerde criminele organisatie als die welke aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde personen ten laste worden gelegd, naar Bulgaars recht noodzakelijkerwijs wanneer binnen een termijn van vijftien jaar nadat zij zijn gepleegd geen definitieve veroordeling is uitgesproken.
50
In dit verband laat een dergelijke termijn van vijftien jaar, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft uiteengezet, de Bulgaarse strafrechtelijke autoriteiten in beginsel een redelijke tijdspanne om de strafprocedures tegen de plegers van dergelijke fraude af te ronden en vóór het verstrijken van de op hen toepasselijke verjaringstermijn een definitieve uitspraak te verkrijgen over die fraudegevallen, ook wanneer die uitspraak er eerst kan komen nadat de zaak door drie rechterlijke instanties is behandeld.
51
Verder heeft de verwijzende rechter het Hof niet voldoende gegevens verstrekt om te kunnen vaststellen dat het in Bulgarije in de praktijk systemisch buitengewoon moeilijk is om voor strafbare feiten van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad een definitieve uitspraak te verkrijgen binnen een termijn van vijftien jaar nadat zij zijn gepleegd. Er moet in dat verband met name op worden gewezen dat wijzigingen in de samenstelling van rechtsprekende formaties in opzichzelfstaande zaken niet volstaan om aan te tonen dat er een systemisch risico op straffeloosheid van die strafbare feiten bestaat.
52
Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de BFB-overeenkomst aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de strafvervolging van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, noodzakelijkerwijs verjaart wanneer binnen een termijn van vijftien jaar nadat die strafbare feiten zijn gepleegd geen definitieve veroordeling is uitgesproken, ongeacht of er zich enige grond voor stuiting of schorsing van de verjaring heeft voorgedaan dan wel toevallige gebeurtenissen zijn opgetreden, voor zover een dergelijke termijn in de betrokken lidstaat niet leidt tot een systemisch risico dat dergelijke fraude onbestraft blijft.
Tweede vraag
53
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het strafbare feit waarbij een overeenkomst wordt gesloten met het oog op het plegen van een strafbaar feit, als bedoeld in artikel 2, onder b), van dit kaderbesluit, wordt bestraft met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur langer is dan die van de vrijheidsstraf die geldt voor het strafbare feit waarop de overeenkomst betrekking heeft en meer dan vijf jaar bedraagt.
54
Zoals blijkt uit de overwegingen 1 en 3 van kaderbesluit 2008/841, berust dit kaderbesluit op een gezamenlijke aanpak van grensoverschrijdende problemen zoals georganiseerde criminaliteit en moet het ten eerste de strafbare feiten bestrijken die gewoonlijk door een criminele organisatie worden gepleegd en ten tweede ten aanzien van natuurlijke en rechtspersonen die dergelijke strafbare feiten hebben gepleegd of er verantwoordelijk voor zijn, voorzien in straffen die in overeenstemming zijn met de ernst van die feiten (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Volieva, C-265/23, EU:C:2024:602, punt 38).
55
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde personen op grond van artikel 321 van het wetboek van strafrecht onder meer worden vervolgd wegens het leiden van of deelnemen aan een georganiseerde criminele groep in de zin van artikel 93, punt 20, van dat wetboek, die tot doel had om btw-fraude te plegen.
56
Volgens de verwijzende rechter vallen het leiderschap van een dergelijke georganiseerde criminele groep en de deelneming aan die groep binnen de werkingssfeer van het in artikel 2, onder b), van kaderbesluit 2008/841 bedoelde strafbare feit, te weten gedragingen die verband houden met een criminele organisatie en erin bestaan dat een persoon met een of meer anderen een overeenkomst sluit om een activiteit uit te oefenen die, indien zij wordt uitgevoerd, zou neerkomen op het plegen van een van de strafbare feiten in de zin van artikel 1 van dat kaderbesluit, ook wanneer eerstgenoemde persoon niet bij de eigenlijke uitvoering van die activiteit betrokken is.
57
Volgens de Commissie vallen de in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde strafbare feiten echter eerder binnen de werkingssfeer van artikel 2, onder a), van dat kaderbesluit, te weten gedragingen die verband houden met een criminele organisatie en erin bestaan dat een persoon opzettelijk en met kennis van het oogmerk en van de algemene activiteit van de criminele organisatie dan wel van het voornemen van de organisatie om de strafbare feiten in kwestie te plegen, actief deelneemt aan de criminele activiteiten van de organisatie, onder meer door informatie of middelen te verstrekken, nieuwe leden te werven of de activiteiten van de organisatie in enigerlei vorm te financieren, in de wetenschap dat deze deelneming bijdraagt tot de criminele activiteiten van de organisatie.
58
In dit verband blijkt ten eerste uit artikel 2 van kaderbesluit 2008/841 dat de lidstaten ofwel beide in die bepaling genoemde gedragingen, ofwel slechts één daarvan strafbaar kunnen stellen. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing kan echter niet worden opgemaakt welke keuze de Bulgaarse wetgever in dit opzicht heeft gemaakt. Ten tweede moet in herinnering worden geroepen dat de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht door de nationale rechter worden gesteld binnen het feitelijke en juridische kader dat hij onder zijn eigen verantwoordelijkheid schetst en waarvan de juistheid niet ter beoordeling van het Hof staat [arrest van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering — Medicinale cannabis), C-69/21, EU:C:2022:913, punt 44].
59
Uit die rechtspraak volgt dat het Hof de beoordeling van de verwijzende rechter dat de strafbare feiten van leiderschap van een georganiseerde criminele groep en deelneming daaraan, die aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde personen ten laste worden gelegd, binnen de werkingssfeer van artikel 2, onder b), van dat kaderbesluit vallen, niet ter discussie kan stellen. Het is wel zo dat de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wanneer duidelijk zou blijken dat de gevraagde uitlegging van die bepaling geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie in die zin arrest van 18 juni 2026, NTH Haustechnik, C-484/24, EU:C:2026:496, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat is in casu echter niet het geval.
60
Hoewel de sanctieregeling van artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 voor het in artikel 2, onder b), ervan bedoelde strafbare feit verschilt van de regeling die bij artikel 3, lid 1, onder a), van dat besluit is ingevoerd voor het in artikel 2, onder a), ervan bedoelde strafbare feit, blijft het antwoord op de tweede vraag van de verwijzende rechter om de hieronder uiteengezette redenen hetzelfde indien hij uiteindelijk van oordeel zou zijn dat de in punt 55 van het onderhavige arrest genoemde strafbare feiten onder artikel 2, onder a), van dat kaderbesluit en niet onder artikel 2, onder b), ervan vallen.
61
In het licht van deze verduidelijking moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 de in artikel 2, onder b), ervan bedoelde overeenkomst moet worden bestraft met hetzij een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur gelijk is aan die welke is vastgesteld voor het strafbare feit waarvoor de overeenkomst is gesloten, hetzij een maximale vrijheidsstraf van ten minste tussen de twee en de vijf jaar.
62
Volgens vaste rechtspraak volgt zowel uit het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht als uit het gelijkheidsbeginsel dat aan een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de regel in de gehele Unie een autonome en uniforme uitlegging moet worden gegeven waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met haar context en met de doelstelling van de regeling in kwestie (zie in die zin arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, EU:C:1984:11, punt 11, en 18 december 2025, Slagelse Almennyttige Boligselskab, Afdeling Schackenborgvænge, C-417/23, EU:C:2025:1017, punt 76).
63
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 betreft, moet worden opgemerkt dat de verschillende taalversies van die bepaling onderling uiteenlopen. Zo staat in de Italiaanse versie ervan (‘o compresa tra due e cinque anni’) dat het in artikel 2, onder b), van het kaderbesluit bedoelde strafbare feit wordt bestraft met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur gelijk is aan die welke is vastgesteld voor het strafbare feit waarvoor de overeenkomst is gesloten of met een vrijheidsstraf tussen twee en vijf jaar. In andere taalversies daarentegen, zoals de Spaanse (‘con una pena máxima de reclusión de al menos entre dos y cinco años’), de Deense (‘med en maksimumsfrihedsstraf på mindst mellem to og fem år’), de Duitse (‘mit einer Freiheitsstrafe im Höchstmaß von mindestens zwei bis fünf Jahren’), de Griekse (‘με ποινἡ στερητικἡ της ελευθερἱας το μέγιστο ὑψος της οποἱας εἱναι τουλάχιστο μεταξὑ δὑο και πέντε ετών’), de Engelse (‘by a maximum term of imprisonment of at least between two and five years’), de Nederlandse (‘met een maximale vrijheidsstraf van ten minste tussen de twee en de vijf jaar’), de Portugese (‘com uma pena de prisão com a duração máxima de, pelo menos, dois a cinco anos’) en de Roemeense (‘de o pedeapsă maximă privativă de libertate de cel puțin doi până la cinci ani’), verlangt die bepaling dat dit strafbare feit wordt bestraft met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur gelijk is aan die voor het strafbare feit waarvoor die overeenkomst is gesloten of met een maximale vrijheidsstraf van ten minste twee tot vijf jaar.
64
Hetzelfde geldt voor de formulering van artikel 3, lid 1, onder a), van kaderbesluit 2008/841. Zo voorziet deze bepaling in de Italiaanse versie (‘di durata massima compresa tra due e cinque anni’) in een vrijheidsstraf van maximaal twee tot vijf jaar, terwijl onder meer in de Spaanse (‘una pena máxima de reclusión de al menos entre dos y cinco años’), de Deense (‘med en maksimumsfrihedsstraf på mindst mellem to og fem år’), de Duitse (‘mit einer Freiheitsstrafe im Höchstmaß von mindestens zwei bis fünf Jahren’), de Griekse (‘η αξιόποινη πράξη την οποἱα αναφέρει το στοιχεἱο α) του άρθρου 2 να τιμωρεἱται με μέγιστη ποινἡ στερητικἡ της ελευθερἱας τουλάχιστον μεταξὑ δὑο και πέντε ετών’), de Engelse (‘a maximum term of imprisonment of at least between two and five years’), de Franse (‘une peine d'emprisonnement maximale comprise entre deux ans et cinq ans au moins’), de Nederlandse (‘een maximale vrijheidsstraf die ten minste tussen de twee en de vijf jaar bedraagt’), de Portugese (‘uma pena de prisão com a duração máxima de, pelo menos, dois a cinco anos’) en de Roemeense versie (‘de o pedeapsă maximă privativă de libertate de cel puțin doi până la cinci ani’) een maximale vrijheidsstraf van ten minste twee tot vijf jaar wordt voorgeschreven.
65
De bewoordingen die in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling worden gebruikt, kunnen evenwel niet als enige basis dienen voor de uitlegging van deze bepaling of voorrang krijgen boven de andere taalversies. De bepalingen van het Unierecht moeten immers op uniforme wijze worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen bestaan tussen de taalversies van een Unierechtelijke bepaling moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan deze een onderdeel vormt (zie in die zin arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, EU:C:1977:172, punt 14, en 21 mei 2026, Höldermann, C-447/24, EU:C:2026:417, punt 71).
66
In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat kaderbesluit 2008/841 is vastgesteld op de grondslag van met name artikel 31, lid 1, VEU, waarvan de bepalingen zijn opgenomen in het huidige artikel 83, lid 1, eerste alinea, VWEU. Artikel 31, lid 1, VEU verleende de Uniewetgever een bevoegdheid tot minimale harmonisatie van strafrechtelijke sancties. Bijgevolg kan artikel 3 van dat kaderbesluit slechts minimumvoorschriften bevatten voor de sancties die staan op strafbare feiten op het gebied van de georganiseerde criminaliteit [zie in die zin arrest van 28 november 2024, PT (Schikking tussen de openbaar aanklager en de dader van een strafbaar feit), C-432/22, EU:C:2024:987, punt 38].
67
Zoals de advocaat-generaal in de punten 61 tot en met 64 van zijn conclusie heeft uiteengezet, wordt een dergelijke uitlegging bevestigd in de conclusies van de bijeenkomst van de Raad van 24 en 25 april 2002 over de te volgen methode voor de harmonisatie van straffen. Daaruit blijkt immers dat de verwijzing door de Uniewetgever naar ‘maximale vrijheidsstraffen van ten minste twee tot vijf jaar’ de lidstaten niet belet om in hun nationale wetgeving hogere maximumstraffen vast te stellen.
68
Derhalve volgt uit de rechtsgrondslag, de algemene opzet en de doelstelling van kaderbesluit 2008/841 dat artikel 3, lid 1, onder b), ervan een lidstaat niet belet om het in artikel 2, onder b), bedoelde strafbare feit te bestraffen met een vrijheidsstraf met een maximale duur van meer dan vijf jaar. Dezelfde uitlegging geldt voor artikel 3, lid 1, onder a), ervan met betrekking tot de sanctie die van toepassing is op het in artikel 2, onder a), bedoelde strafbare feit.
69
In de derde plaats verzet artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 zich er evenmin tegen dat een lidstaat het in artikel 2, onder b), ervan bedoelde feit strafbaar stelt met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur langer is dan die waarin is voorzien voor het strafbare feit waarvoor de overeenkomst is gesloten.
70
Om te beginnen blijkt uit artikel 2, onder b), immers dat die overeenkomst betrekking moet hebben op het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 1, punt 1, van het kaderbesluit, te weten strafbare feiten waarop een vrijheidsstraf staat met een maximumduur van ten minste vier jaar of een zwaardere straf. Hieruit volgt dat de Uniewetgever zelf rekening heeft gehouden met het geval dat een lidstaat het strafbare feit waarvoor een dergelijke overeenkomst is gesloten, bestraft met een vrijheidsstraf van maximaal vier jaar, en die lidstaat op grond van artikel 3, lid 1, onder b), toestaat om de deelneming aan die overeenkomst te bestraffen met een maximale vrijheidsstraf van meer dan vier jaar.
71
Verder vormt een dergelijke overeenkomst een gedraging die verband houdt met een criminele organisatie in de zin van artikel 1, punt 1, van dat kaderbesluit, te weten een gestructureerde vereniging die gedurende een bepaalde periode bestaat en samengesteld is uit meer dan twee personen die in onderling overleg handelen om strafbare feiten van een zekere ernst te plegen, teneinde er direct of indirect financieel of ander vermogensvoordeel uit te behalen.
72
Zoals in de overwegingen 1 en 2 van kaderbesluit 2008/841 is aangegeven, is dit kaderbesluit vastgesteld om het instrumentarium voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit binnen de Unie te versterken en het hoofd te bieden aan het bijzondere gevaar dat criminele organisaties vormen en aan hun proliferatie.
73
Gelet op het belang dat de Uniewetgever hecht aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, de moeilijkheid om dergelijke criminele organisaties op te sporen en de ernst van de gevolgen van hun activiteiten, kan derhalve niet worden geoordeeld dat artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/841 zich verzet tegen een nationale regeling die voor de in artikel 2 van dit kaderbesluit bedoelde gedragingen een vrijheidsstraf vaststelt waarvan de maximumduur langer is dan die voor de strafbare feiten die met deze gedragingen worden beoogd.
74
In de vierde en laatste plaats zij eraan herinnerd dat het in artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van evenredigheid van straffen niet alleen geldt voor de vaststelling van de bestanddelen van een strafbaar feit, maar ook voor de vaststelling van de regels inzake de zwaarte van de straffen en de beoordeling van de elementen die bij de vaststelling ervan in aanmerking kunnen worden genomen (zie in die zin arrest van 22 januari 2026, AK Dlhopolec e.a., C-590/24, EU:C:2026:41, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75
Dat beginsel vereist onder meer dat de zwaarte van een sanctie in overeenstemming is met de ernst van de betrokken inbreuk, en met name een reële afschrikkende werking teweegbrengt zonder evenwel verder te gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met deze strafbaarstelling worden nagestreefd (zie in die zin arrest van 22 januari 2026, AK Dlhopolec e.a., C-590/24, EU:C:2026:41, punten 105 en 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde personen die worden vervolgd voor het leiden van een georganiseerde criminele groep die tot doel heeft om btw-fraude te plegen, worden bestraft met een vrijheidsstraf van vijf tot vijftien jaar en dat degenen die worden vervolgd voor het deelnemen aan die groep, worden bestraft met een vrijheidsstraf van drie tot tien jaar.
77
Een dergelijke strafmaat lijkt als zodanig niet verder te gaan dan passend en noodzakelijk is om de doelstelling van bestrijding van de georganiseerde criminaliteit te verwezenlijken, die door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde Bulgaarse wettelijke regeling rechtmatig wordt nagestreefd.
78
Uit en ander volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het strafbare feit waarbij een overeenkomst wordt gesloten met het oog op het plegen van een strafbaar feit, als bedoeld in artikel 2, onder b), van dit kaderbesluit, wordt bestraft met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur langer is dan die van de vrijheidsstraf die geldt voor het strafbare feit waarop de overeenkomst betrekking heeft en meer dan vijf jaar bedraagt.
Kosten
79
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 325 VWEU en artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ondertekend te Brussel op 26 juli 1995 en gehecht aan de akte van de Raad van 26 juli 1995,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de strafvervolging van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, noodzakelijkerwijs verjaart wanneer binnen een termijn van vijftien jaar nadat die strafbare feiten zijn gepleegd geen definitieve veroordeling is uitgesproken, ongeacht of er zich enige grond voor stuiting of schorsing van de verjaring heeft voorgedaan dan wel toevallige gebeurtenissen zijn opgetreden, voor zover een dergelijke termijn in de betrokken lidstaat niet leidt tot een systemisch risico dat dergelijke fraude onbestraft blijft.
- 2)
Artikel 3, lid 1, onder b), van kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het strafbare feit waarbij een overeenkomst wordt gesloten met het oog op het plegen van een strafbaar feit, als bedoeld in artikel 2, onder b), van dit kaderbesluit, wordt bestraft met een vrijheidsstraf waarvan de maximumduur langer is dan die van de vrijheidsstraf die geldt voor het strafbare feit waarop de overeenkomst betrekking heeft en meer dan vijf jaar bedraagt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 15‑10‑2026
Procestaal: Bulgaars.