Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/2.2.4.6:2.2.4.6 Eén gemeenschap met meer zaken/meer gemeenschappen met elk één zaak
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/2.2.4.6
2.2.4.6 Eén gemeenschap met meer zaken/meer gemeenschappen met elk één zaak
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489656:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 3, p. 578.
Ploeger 1996A, p. 13.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 578.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 579; Van Mourik 2006, p. 2.
Wammes 1988, p. 10.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 579.
Wammes 1988, p. 10 en 11.
Polak 1958, p. 16e.v.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 98.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 578.
HijmaOlthof 2005, p. 126.
Wammes 1988, p. 12.
Schoordijk 1983, p. 8.
Lubbers 1979, p. 14 en 15.
Schoordijk 1983, p. 9.
Van Mourik 2006, p. 2.
Perrick 1986, p. 7 en 8. Zie ook nog Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 168 en 169.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Of sprake is van een eenvoudige gemeenschap die bestaat uit meer zaken dan wel meer gemeenschappen elk omvattende één zaak kan niet worden beoordeeld aan de hand van de wet. Volgens de MvA II is het vastleggen van een criterium in de wet ‘niet wel doenlijk’.1 Het antwoord wordt overgelaten aan de rechter.2
Bepalend voor het onderscheid is de samenhang tussen de betreffende zaken en/of de rechtsverhouding tussen de deelgenoten.3
De MvA II noemt vervolgens een aantal voorbeelden van een gemeenschap welke meer goederen omvat (universitas facti): een meerderheidspakket aandelen, een bibliotheek, een kudde, een vordering tot schadevergoeding ter zake van een beschadiging van dat goed.
Vervolgens wordt opgemerkt:
‘Tenslotte kan ook enkel uit een overeenkomst tussen de deelgenoten voortvloeien dat tussen hen met betrekking tot de goederen waartoe zij in dezelfde rechtsverhouding gerechtigd zijn, slechts één gemeenschap bestaat, b.v. als zij zich verbonden hebben de goederen als een geheel tot verdeling te brengen. Door een zodanige overeenkomst bestemmen de deelgenoten als het ware de goederen voor hun onderlinge verhouding tot een “universitas facti”.’4
Wammes5 komt op grond van de Memorie van Antwoord, in aansluiting op het vervallen art. 3.1.1.11 GOBW, tot het volgende criterium:
‘meerdere goederen vormen het object van een eenvoudige gemeenschap, wanneer deze goederen naar verkeersopvatting, gezien de rechtsverhouding, bijeen behoren.’
Bijzondere opmerking verdient nog dat het volgens Wammes – anders dan de minister in de Memorie van Antwoord6 – niet noodzakelijk is dat de aandelen van de verschillende deelgenoten in de verschillende goederen gelijk zijn.7
De verwijzing naar art. 3.1.1.11.1 GOBW verdient nadere aandacht.
Dit artikel, dat na een publicatie van Polak8 in deze vorm in het Gewijzigd Ontwerp werd opgenomen, luidt als volgt:
Goederen, of goederen en schulden, kunnen tezamen als algemeenheid van goederen het voorwerpvan een rechtsverhouding zijn, indien zij volgens verkeersopvatting, gezien de aard der rechtsverhouding, bijeen behoren.
Een algemeenheid blijft ook bij een verandering van bestanddelen dezelfde, indien de aard van de algemeenheid en die van de rechtsverhouding dit medebrengen.’9
Hierbij verdient opmerking dat dit criterium dient om te onderscheiden tussen de universitas facti en de universitas iuris.10
Teneinde een standpunt te bepalen lijkt het zinvol te kijken naar de gevolgen welke aan het onderscheid worden verbonden.
Het belang van het onderscheid tussen één gemeenschap bestaande uit meer zaken dan wel meer gemeenschappen die elk slechts een zaak omvatten komt tot uitdrukking in het navolgende:
Indien de rechter op grond van art. 3:185 de wijze van verdeling vaststelt, zal hij de verdeling van alle zaken van de gemeenschap als een complex moeten gelasten. Moet de waarde van de zaken worden getaxeerd, dan zal, als zij een gemeenschap vormen, het geheel als één complex moeten worden getaxeerd indien daardoor een hoger bedrag wordt bereikt dan wanneer de zaken stuk voor stuk worden geschat.11
Ook art. 3:179 is van toepassing als de zaken waarin dezelfde deelgenoten gerechtigd zijn, één gemeenschap vormen: ‘de deelgenoten kunnen vorderen dat alle goederen en schulden van de gemeenschap in de verdeling worden betrokken.’12
Ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid van een deelgenoot met betrekking tot zijn aandeel in de afzonderlijke zaken is nog op te merken dat ingeval een gemeenschap meer zaken omvat, de deelgenoten niet beschikkingsbevoegd zijn ter zake van hun aandelen in de afzonderlijke zaken, aldus Wammes13 en Schoordijk.14 Anders Lubbers.15
Naar mijn oordeel moet uit de gevolgen welke aan het onderscheid tussen een gemeenschap omvattende meer zaken en meer gemeenschappen omvattende elk één zaak zijn verbonden, uiteindelijk voortvloeien dat de verkeersopvatting(en) met inachtneming van de rechtsverhouding niet bepalend zijn. Bepalend is ofwel de samenhang tussen de afzonderlijke zaken (hierbij is uiteraard de verkeersopvatting van belang16) ofwel de rechtsverhouding tussen de deelgenoten. Zo ook Van Mourik17 en Perrick.18